Sociale Psychologie: Het Sociale Zelf
— Volledige Samenvatting
Hieronder volgt een gestructureerde samenvatting van het
hoofdstuk "Het sociale zelf" uit de sociale psychologie,
gebaseerd op de Nederlandstalige studiematerialen en
aangevuld met relevante sociaal-psychologische theorieën.
1. Inleiding: Het Zelfconcept en
Zelfregulatie
Het zelfconcept verwijst naar alle kennis die we over onszelf
hebben: het beeld van "wie ben ik". Dit is het "mij"-deel.
Daartegenover staat zelfregulatie: het "ik" dat het dagelijkse
leven in handen heeft en ons gedrag stuurt. Deze twee
aspecten staan niet los van elkaar; ons zelfbeeld beïnvloedt
hoe we ons gedragen, en ons gedrag beïnvloedt op zijn
beurt weer ons zelfbeeld .
2. De Oorsprong van het Zelf
Het vermogen om jezelf als een aparte, distinctieve entiteit
te zien is een noodzakelijke voorwaarde om van een "zelf" te
, kunnen spreken.
Spiegelonderzoek
Gallup voerde spiegelonderzoek uit bij chimpansees en
toonde aan dat zij zichzelf in de spiegel kunnen
herkennen.
Lewis en Brooks-Gunn vonden dat baby's en peuters
(tussen 18 en 24 maanden) zichzelf beginnen te
herkennen in de spiegel. Rond deze leeftijd gaan kinderen
ook meer gebruikmaken van de woorden "ik" en "mij" .
Looking-Glass Self (Cooley)
Volgens Cooley (1902) wordt ons zelfbeeld gevormd door
hoe we denken dat anderen over ons denken. Het zelf is als
het ware een reflectie van de reacties die we van anderen
terugkrijgen. Dit bestaat uit drie componenten: (1) de
voorstelling van hoe we door anderen worden
waargenomen, (2) de voorstelling van hoe we door anderen
worden beoordeeld, en (3) een gevoel van trots of schaamte
tegenover onszelf .
The Generalized Other (Mead)
Mead (1934) stelde dat mensen via sociale relaties tot een
algemeen beeld komen van de waarden en normen die in
de maatschappij gelden. Het zelf ontwikkelt zich in fasen:
eerst imitatie (voorbereidingsfase), dan rollenspel (play
— Volledige Samenvatting
Hieronder volgt een gestructureerde samenvatting van het
hoofdstuk "Het sociale zelf" uit de sociale psychologie,
gebaseerd op de Nederlandstalige studiematerialen en
aangevuld met relevante sociaal-psychologische theorieën.
1. Inleiding: Het Zelfconcept en
Zelfregulatie
Het zelfconcept verwijst naar alle kennis die we over onszelf
hebben: het beeld van "wie ben ik". Dit is het "mij"-deel.
Daartegenover staat zelfregulatie: het "ik" dat het dagelijkse
leven in handen heeft en ons gedrag stuurt. Deze twee
aspecten staan niet los van elkaar; ons zelfbeeld beïnvloedt
hoe we ons gedragen, en ons gedrag beïnvloedt op zijn
beurt weer ons zelfbeeld .
2. De Oorsprong van het Zelf
Het vermogen om jezelf als een aparte, distinctieve entiteit
te zien is een noodzakelijke voorwaarde om van een "zelf" te
, kunnen spreken.
Spiegelonderzoek
Gallup voerde spiegelonderzoek uit bij chimpansees en
toonde aan dat zij zichzelf in de spiegel kunnen
herkennen.
Lewis en Brooks-Gunn vonden dat baby's en peuters
(tussen 18 en 24 maanden) zichzelf beginnen te
herkennen in de spiegel. Rond deze leeftijd gaan kinderen
ook meer gebruikmaken van de woorden "ik" en "mij" .
Looking-Glass Self (Cooley)
Volgens Cooley (1902) wordt ons zelfbeeld gevormd door
hoe we denken dat anderen over ons denken. Het zelf is als
het ware een reflectie van de reacties die we van anderen
terugkrijgen. Dit bestaat uit drie componenten: (1) de
voorstelling van hoe we door anderen worden
waargenomen, (2) de voorstelling van hoe we door anderen
worden beoordeeld, en (3) een gevoel van trots of schaamte
tegenover onszelf .
The Generalized Other (Mead)
Mead (1934) stelde dat mensen via sociale relaties tot een
algemeen beeld komen van de waarden en normen die in
de maatschappij gelden. Het zelf ontwikkelt zich in fasen:
eerst imitatie (voorbereidingsfase), dan rollenspel (play