Nora Lemmens, 1466542
Inhoudsopgave
Hoorcolleges.......................................................................................................................... 1
HC01 & HC02 Inleiding & Motivationele systemen........................................................... 1
HC03 & HC04 Welzijn van dieren..................................................................................... 6
HC05 & HC06 Ontwikkeling van gedrag............................................................................ 8
HC07 Welzijn paard......................................................................................................... 12
HC08 Welzijn kip.............................................................................................................. 14
HC09 Leren en geheugen................................................................................................ 15
HC10 Efficiëntie van resource gebruik............................................................................. 16
HC11 Integratie: welzijn & gezondheid.............................................................................18
HC12 Integratie: huisvestingssystemen........................................................................... 20
Werkcolleges........................................................................................................................ 22
WC01 Meten van gedrag................................................................................................. 22
WC02 Gedrag en welzijn kip............................................................................................ 27
WC03 Leren en ongewenst gedrag..................................................................................31
Practica................................................................................................................................. 34
PR01 Varken.................................................................................................................... 34
PR02 Kleine knaagdieren.................................................................................................36
PR03 Rund.......................................................................................................................37
Interactieve colleges............................................................................................................38
IC01 Handhaven van de homeostase.............................................................................. 38
IC02 Stress & immuniteit..................................................................................................40
IC03 Panelcollege............................................................................................................ 45
Zelfstudie.............................................................................................................................. 46
ZS01 Domesticatie........................................................................................................... 46
ZS02 Gedrag en welzijn rund...........................................................................................48
ZS03 Gedragsdiagnostiek gezelschapsdieren.................................................................49
,Hoorcolleges
HC01 & HC02 Inleiding & Motivationele systemen
- Gedrag is van groot belang voor het herkennen van:
● mens-dier relatie (o.a. reproductiestadia, hanteertechnieken etc.)
● eerste signalen van aan- of afwezigheid van aanpassingsproblemen
- Gedrag → bepaald patroon of ordening van handelingen en gebeurtenissen ,
objectief en systematisch observeerbaar en onderzoekbaar.
● doelmatig en leidt meestal tot oplossing van een probleem (o.a. honger)
● systeem waarmee dieren veranderingen in de omgeving detecteren, filteren
en vervolgens gepast op reageren
● een actie die ontstaat als reactie op een bepaalde prikkel uit de omgeving
- Gedragselement → duidelijk herkenbare afzonderlijke handeling, patroonmatige
activiteit
- Perifere filtering → beperking van instroom van informatie door de zintuigen
- Sleutelprikkel → stimulus die het gedrag kan doen optreden.
- Vier ethologische hoofdvragen van Tinbergen:
1. Waardoor: directe veroorzaking?
2. Waartoe: functie van gedrag?
3. Ontwikkeling: gedrag tijdens het leven?
4. Ontstaan: gedrag tijdens evolutie?
- Proximate veroorzaking → waardoor vraag, welke factoren reguleren het optreden,
welke werkingsmechanismen zijn er, welke prikkels, etc.
- Ultimate veroorzaking → waartoe vraag, wat is het nut / de functie van het gedrag,
welke evolutionaire invloeden, draagt het gedrag bij aan de fitness en reproductie.
- Belangrijke namen binnen de gedragsbiologie:
● B.F. Skinner → Amerikaanse gedragsbioloog, voornamelijk bezig met
leerprocessen en de waardoor vraag.
● Konrad Lorenz → Oostenrijkse zoöloog, voornamelijk bezig met instinctief
gedrag van dieren en de waartoe vraag.
● Nikolaas Tinbergen → Nederlandse etholoog, een van de grondleggers van
de ethologie, voornamelijk bezig met de waartoe vraag.
- Instinctief gedrag → ongeveer dezelfde reactie die alle individuen (van een
species) vertonen op eenzelfde sleutelstimulus.
● redelijk vormvast
● wordt meestal ook voltooid als het gedrag begonnen is
● voornamelijk nature, weinig nurture
- Gedragsketen → keten van gedragingen op met een min of meer vaste volgorde als
reactie op een bepaalde stimuli.
● automatisch afwikkelen, maar wel in wisselwerking met de omgeving
- Deblokkerende stimulus → sleutelprikkel
- Inhiberende stimulus → stimulus die zorgt voor blokkering van gedrag.
● klokken van kalkoenen kuikens dat agressief gedrag van de ouders voorkomt.
- Sturende stimulus → stimulus die het gedrag deblokkeren, maar voornamelijk
perfectioneren/sturen om het zo goed mogelijk uit te voeren.
- Supernormale stimuli → voorkeur voor een abnormale stimulus, géén garantie op
betere overleving.
1
,- Motivatie → wisselende gedragsbereidheid
● deblokkering door een sleutelprikkel gebeurt niet zomaar en niet altijd
- Afwegingsmoment → afweging van het belang van diverse in- en uitwendige
prikkels.
- Limbische systeem → beloningssysteem, bestaat uit de hypothalamus,
hippocampus, amygdala en neocortex.
● neocortex → gebied voor opslag van ervaringen
● amygdala → gebied voor emotionele ervaring, afweging tussen negatief en
positief gevoel
- Deficiëntie → grootte van het verschil tussen actuele waarde en normwaarde,
grootte van te verwachte beloning.
● ‘Reward is the currency of the brain’ - Cabanac
- Homeostase → systeem om interne fysiologische condities stabiliseren op
normwaarden (bijv. bloedsuiker, hartslag, etc.)
- Allostase → het fysiologische en gedragsmatige aanpassingsproces om de
normwaarden te bereiken (bijv. gedragsnormen en fysiologische normen).
● wordt beïnvloed door genetica, leerervaringen en motivatie
- Factoren die motivaties kunnen beïnvloeden zijn territorium, daglicht, bronst van
seksuele partner, vermoeidheid, ziekte, stress, etc…
- Latentietijd → reactietijd na het aanbieden van een (standaard) stimulus.
- Reactiesterkte → intensiteit van gedrag
● vacuümactiviteit → gedrag met een drempelwaarde 0, géén stimulus nodig
voor het vertonen van het gedrag
- Beslisregels:
● het aan de gang zijnde gedrag inhibeert alternatief gedrag
● inhibitie door prioriteitsgedrag (o.a. vluchten)
● disinhibitie van minder belangrijk gedrag als prioriteitsgedrag geen prioriteit
meer heeft
- Gedragssysteem → causaal en functioneel bij elkaar horende groep gedragingen
- Agonistisch gedrag → alle gedragingen die dieren naar elkaar toe kunnen vertonen
bij wedijver tussen die individuen.
● o.a. agressief gedrag, vlucht- of wijkgedrag en onderdanigheid
- In veel gedragssystemen heb je:
● appetitieve fase → voedsel zoeken, vangen, vervoeren, etc..
● consumptieve fase → eindhandeling, bijvoorbeeld het eten
- Essentiële gedragsbehoeften → ethological needs, gedragingen die moeten
worden uitgevoerd door interne aansturing.
2
, Document ‘Tekst bij HC01 + HC02 - Motivationele systemen’
- Gedrag bestaat uit 3 bestanddelen:
1. gevoeligheid voor invloeden
2. (re)actie op prikkels
3. neurale en endocriene apparaat voor verwerking en beslissing
- De wetenschappelijke procedure vraagt om objectiviteit, logica, overdraagbaarheid
en reproduceerbaarheid.
- Problemen bij houden van dieren:
● landbouwhuisdieren → huisvesting en behandeling die aansluit bij de
geaardheid van een dier en dus voor het hoogste rendement zorgen
● dierentuindieren → volledige en natuurgetrouwe presentatie
● gezelschapsdieren → gedragsproblematiek
- Gedrag komt tot stand door activiteit van de effecten van spieren en klieren, en bij
vissen en amfibieën soms ook kleurpigmentcellen in de huid.
- Gedragselement → herkenbaar los stukje gedrag
- Ethogram → beschrijving van het repertoire van gedragselementen van een
diersoort, zowel soortspecifiek als algemeen.
- Proximate veroorzaking → directe oorzaak, welke interne en externe factoren
bepalen het optreden en het verloop van gedrag en welke mechanismen zijn actief
● doelgerichtheid → waardoor treden gedragingen op?
● bestaat uit:
○ teweegbrengen (deblokkeren), sturing en beëindiging
○ motivatie → variatie in reactiebereidheid
- Ultimate veroorzaking → uiteindelijke oorzaak, hoe is de doelmatige aanpassing
van het gedrag tot stand gekomen, wat zijn de betrokken evolutionaire invloeden
● doelmatigheid→ aanpassing aan eisen, die het milieu aan de diersoort stelt
- De vier hoofdvragen van Niko Tinbergen:
1. directe oorzaak van gedrag
2. biologische functie
3. individuele ontwikkeling
4. evolutionaire oorsprong
- Ontogenie → ontwikkeling van gedrag, afhankelijk van erfelijke aanleg en
omgevingsinvloeden
- Fylogenie → evolutie van gedrag, afhankelijk van:
● proces van evolutie → verklaren van gedragseigenschappen als
aanpassing aan selectiedruk
● geschiedenis van evolutie → vergelijking van vergelijkbare soorten gedrag
tussen soorten
- Fixed action patterns → stereotype, vormvaste gedragingen
● zowel instinctief / aangeboren als adaptief aan het milieu
- Deblokkerende stimuli / sleutelstimuli → specifieke uitwendige stimuli die nodig
zijn om specifiek gedrag in gang te zetten.
● schrap-stelgedrag → het “zich schrap stellen” van een bronstige zeug als er
op bepaalde plekken van de achterrug wordt gedrukt, of door 5a-androsteen.
- Innate releasing mechanism (IRM) → selectiemechanisme op aanwezigheid van
sleutelstimuli, voor deblokkeren en afronden van gedrag
● schema voor instinct
3