Deze persoonlijke samenvatting is gebaseerd op de hoorcolleges en de PowerPoint van het vak
Gender- en diversiteitsstudies, gegeven door An Van Raemdonck. Auteursrecht op oorspronkelijke
teksten, afbeeldingen en schema’s berust bij de respectieve auteurs en rechthebbenden.
Inhoudstafel
1. Les 1: Cursusoverzicht en basisconcepten gender
1) Inleiding
2) Gender als analytisch concept
3) Tot slot (belangrijkste zaken herhaald)
2. Les 2: Basisconcepten en multiculturalisme, (super)diversiteit en convivialiteit
1) Multiculturalisme
2) Superdiversiteit
3) Convivialiteit
4) Casestudy: Islamofobie en convivialiteit
3. Les 3: Gastcollege: Geschiedenis van een ras
1) Biologische rassentheorieën
2) De wortels van het raciaal denken
3) Van religieuze verschillen naar biologische categorieën
4. Les 4: Gastcollege: Transgender studies – concepten, evoluties en observaties
1) Historisch overzicht: concepten en kaders
2) Transitie
3) Socio-politiek onderzoek
4) Conclusies
5. Les 5: Extreemrechts & politiek van gender en seksualiteit
1) Politisering van gender en seksualiteit: cultureel burgerschap, homonationalisme, femonationalisme
2) Anti-genderbewegingen
3) Paradoxen in extreemrechtse seksuele politiek
4) Wat is ‘anti-woke’?
6. Les 6: Dekoloniaal Feminisme en Palestina (Gastcollege)
1) Inleiding
2) De historisering van Global South-feminismen
3) Feministische kennisproductie en uitwissing
4) Kolonisatie versus kolonialiteit
5) Dekoloniaal feminisme
6) Palestina als feministisch thema
7) Pinkwashing als koloniaal geweld
8) Poëzie als tegengewicht voor uitwissing
9) Coalitionele politiek
7. Les 7: Gender, diversiteit en religie/(post)secularisme: 'agency', racialisering en Islamofobie
1) Secularisme en postsecularisme
2) Religious agency
3) Racialisering van religie en islamofobie
8. Les 8: Gender en culturele diversiteit: antropologie van 'schadelijke culturele praktijken'
1) Culturele diversiteit en transnationaal feminisme: focus op HCP
2) Antropologie van FGM/C
3) Case studies
4) ‘Agency’
9. Les 9: Gastcollege: Een stad vol onzichtbare vrouwen? – De Turkse migrantenvrouwen van de eerste generatie zichtbaar maken
in Gent (1960-1979)
1) Onderzoeksopzet en methode
2) Theoretisch kader: gender x migratie x reproductieve arbeid
3) Context: naoorlogse arbeidsmigratie
4) Vrouwen zichtbaar maken aan de hand van vijf rollen
5) Conclusies
10. Les 10: Gender, diversiteit en wetenschap
1) Wetenschappelijke constructie van sekse en ras
2) Feministische wetenschapskritiek en epistemologie
3) Numbers, institutions and knowledge (Schiebinger)
,Les 1: Cursusoverzicht en basisconcepten gender
1. Inleiding
Begonnen met vrouwenstudies met focus op genderongelijkheid (critical) masculinity studies:
focus op mannelijkheid en macht sexuality and queerstudies met focus op meervoudige, fluide,
gender- en seksuele identiteiten postcolonial en black feminist studies met focus op verwevenheid
van gender, ras, klasse, religie, burgerschap…
dus evolutie naar meer algemene genderstudies
Verenigde staten – women’s studies (‘70s):
Intense link met vrouwenbeweging (2de golf van het feminisme): sekse en gender is iets apart
– biologie is geen bestemming (valt los te maken); persoonlijke is politiek; kennis, emancipat.
Kritiek op androcentrische1 kennisproductie:
Wereld zoals hij gerepresenteerd wordt klopt niet met hoe vrouwen hem beleven:
onzichtbaarheid van vrouwen, veralgemeningen van man. norm, seksistische beeldvorming
Voorbeeld: bekende zetel van Le Corbusier gebaseerd op mannelijk lichaam
Feministische wetenschapskritiek onderzoek door, over en voor
vrouwen: kennissubjecten, Lived experiences als uitgangspunt, hefboom
tot emancipatie
Nieuwe thema’s en domeinen: huiselijk geweld, zorgarbeid, loonkloof,
seksuele en reproductieve gezondheid…
Nieuwe methodologische perspectieven: kwalitatief onderzoek
(gebaseerd op eigen ervaring), diepte-interviews, biografisch onderzoek…
Belang van interdisciplinariteit: noodzakelijk om structurele achterstelling
te begrijpen, nieuwe kennis vraagt om doorbreken van disciplinaire
grenzen en paradigma’s
Academische ontwikkeling via 2 sporen: afzonderlijk interdisciplinair studiedomein +
integratie inzichten, concepten en methodes in bestaande disciplines
Voorbeelden van vrouwen met belangrijke impact binnen STEM:
Kritiek op feminisme is vaak dat het geen rekening houdt met biologie
Kritiek op positivistische/objectieve benadering: ik als wetenschapper kijk met afstand, neutraliteit
naar mijn onderzoek + wie ik ben heeft daar geen invloed op
Vanuit feministische hoek wordt hier kritiek op gegeven Donna Harway!! – ‘God trick’
1 de neiging om de man en het mannelijke perspectief centraal te stellen als de norm voor de samenleving.
2
,Jaren ’70 – vrouwenstudies: feministisch onderzoek in diverse disciplines en studiedomeinen:
Focus op begrijpen en wegwerken van ongelijkheid in een brede waaier van domeinen
(inkomen, werk, rechten, geweld, onderwijs…) (tweede golf feminisme)
Centrale debatten: publiek/privaat, gelijkheid/verschil, eenheid/verscheidenheid
Jaren ’80 – critical masculinity studies: interdisciplinair, kritisch onderzoek van constructies van
mannelijkheid (bv vaderschap, geweld, arbeidsmarkt, onderwijs, gezondheid…)
Jaren ’90 – Genderstudies: verwevenheid met seksualiteit, klasse, etniciteit, leeftijd, religie, ability…
Wat met BE en Vlaanderen? (ging relatief snel over deze slide) – kloof tussen periode 1994-2007 EN
vanaf 2014 dan een officiële master
Politiek aanvaard = geen controversiële, gevaarlijke term
Gender- en diversiteitsstudies: link met gelijke kansen- en antidiscriminatiebeleid in Europa
(EU – regionale verschillen)
Impact van genderstudies op diversiteitsstudies: hoe werken dimensies op elkaar in?,
begrijpen van reproductie van verschil en ongelijkheid in alledaagse interacties
Gender interageert met andere identiteiten en sociale positioneringen (intersectionaliteit):
‘Race is the modality in which class is lived’ (Stuart Hall, 1978)
diversiteitsstudies = recenter domein, inzichten, concepten, tools uit diverse domeinen (sociologie
van sociale ongelijkheid, genderstudies, migration studies, racism/ethnicity studies…)
Diversiteit gaat over filosofisch/politiek gegeven van verschil (‘difference’), pluralisme,
inclusie, intersectionaliteit…
Focus op: minderheidsgroepen (bv migranten), sociale differentiatie en marginaliserings-
mechanismen (bv racisme) en critical diversity studies (diversiteit als meerduidig begrip:
window-dressing2, apolitiek3, feel good politics4…)
Intersectionaliteit
= eind ’80 geïntroduceerd door Kimberlé Crenshaw (juriste, VS): kritische analyse van rechtszaken
recht geen erkenning voor wijze waarop versch. discriminatiegronden in praktijk interageren
Betekenis is niet nieuw: basis in strijd van zwarte activistes (19de eeuw, VS) voor
vrouwenrechten en tegen slavernij en raciale onderdrukking
2 een organisatie toont één vrouw of één persoon met migratieachtergrond om goed te lijken, maar verandert verder niets.
3 het probleem van ongelijkheid wordt voorgesteld als iets technisch (“we moeten gewoon wat meer mensen aannemen”),
terwijl het eigenlijk over macht en onrecht gaat.
4 men praat alleen over hoe leuk en verrijkend diversiteit is, en niet over conflicten of ongelijkheid.
3
,= aandacht voor interactie van gender met andere verschillen (klasse, seksualiteit, leeftijd…) en
verwevenheid van seksisme, racisme, homofobie…
+ brede benadering in onderzoek, activisme die nadruk legt op verwevenheid diverse onderdrukk.
structuren EN impact daarvan op ervaringen en kansen van personen in minderheidsgroepen
WAT IS HET NU????
2. Gender als analytisch concept
2.1 Voorlopers
1) Voorlopers binnen de filosofie:
= feministische kritieken op misogyne visies (zie ook: Aristoteles – vrouw als afwijking, inferieur)
17de eeuw: vooral lichaam en geest dualisme van Descartes en inspiratie vroeg feminisme
“The mind has no sex” (bv Poullain de la Barre): gelijkheid van geest tussen man en vrouw en
belang van onderwijs
18de eeuw: gericht op abstract individualisme pleidooi voor vrouwenrecht. (bv M. Wollstonecraft)
2) Voorlopers binnen de sociologie:
19de eeuw:
Marx/Engels: seksuele arbeidsverdeling (vrouwen doen veel meer onbetaalde zorgarbeid
zonder meerwaarde) klasse blijft echter wel belangrijkste gegeven in hun theorie
Weber: patriarchaat als gegeven waar we niet van af kunnen (wat met matriarchaat?)
naturalisatie van bepaalde zaken (moeder/kind relatie)
Durkheim – sociale differentiatie:gender als effect van (op biologie gebaseerde)
arbeidsdeling; rollen zijn ‘verschillend maar complementair’
Andere auteurs als voorbeeld – feminisme en intersectionaliteit is veel ouder en rijker:
Anna Julia Cooper (1892): “The colored woman of to-day occupies, one may say, a unique
position in this country (…) She is confronted by both a woman question and a race problem”
Charlotte Perkins Gilman (1898): “The women who do the most work get the least money,
and the women who have the most money do the least work.”
20ste eeuw - Mirra Komarovsky: ‘The Unemployed Man and His Family’ (1940) & ‘Women in
the Modern World’ (1953) -> impact van sociaal gestructureerde genderpatronen
Voorlopers – sex role theory:
= verdergaand op Durkheim – sociologen die gaan theoretiseren – hoe komt dat nu dat wij
genderpatronen hebben, aan de hand van biologische basis
Jaren ’50 van 20ste eeuw – structureel functionalisme van Talcott Parsons:
Samenleving heeft verschillende rollen nodig om goed te functioneren
Rolpatronen zijn nuttig, traditioneel gezin zorgt voor maatschappelijke stabiliteit
Rollen bouwen voort op (veronderstelde) biologische geschiktheid:
Mannen: ‘instrumentele’ eigenschappen (competitiviteit, agressie, prestatiedrang)
rol van kostwinner
Vrouwen: ‘expressieve’ eigenschappen (empathie, zorgend) rol van zorgdragers
4
, Normatief model gebaseerd op situatie van witte middenklasse (VS): binaire opdeling (m/v),
heteronormatief kerngezin
Rolverandering mogelijk, maar geen aandacht voor achterliggende structuren en
machtsverhoudingen
3) Voorlopers antropologie
Margaret Mead: kritiek op naturalistische aannames in dominante theorieën
Onderzoek Nieuw Guinea meer androgyne organisatie
Male and Female (1949): verschillen in functies, posities, macht zijn cultureel bepaald
“Men may cook or weave or dress dolls or hunt humming-birds, but if such activities are the appropriate
occupation of men, then the whole society, men and women alike, votes them as important. When the same
occupations are performed by women, they are regarded as less important.“ (Mead, 1949, p. 157-8)
4) Voorlopers psychiatrie
Robert Stoller – Sex and Gender. The Development of Masculinity and Femininity (1968)
Onderscheid gender (= gevoel m/v te zijn) en sekse (EERSTE DIE DIT DEED!!)
transseksualiteit
Gender ontstaat hoofdzakelijk onder invloed van opvoeding en omgeving
geslacht is niet bepalend voor gender
2.2 Sociaal constructivisme: materialistische en poststructuralistische benaderingen
Wat is het??, waar ligt de focus op ? = sociale gecreerdheid ? – we worden niet geboren als vrouw, we
worden een vrouw dus belang van socialisatie
Simone de Beauvoir, Le Deuxième Sexe (1949): grote invloed jaren ’70 – feminisme, tweede golf
De vrouw’ (als idee, ideaal, mythe) doorheen geschiedenis gedefinieerd als ‘Ander’ in relatie
tot autonoom mannelijke subject
Vrouw-zijn is proces/een worden = leren, socialisering en interioriseren5 om ander (tweede,
mindere, ondergeschikte, dienstbare) te zijn
“We worden niet geboren als vrouw, we worden een vrouw”
Gender = sociaal gegeven – sociologische verklaring, geen biologische
Existentialisme: geen vrouwelijke essentie, natuur, aard
Ongelijkheid heeft sociale oorsprong, basis in organisatie van samenleving (bv opdeling
tussen private en publieke sfeer)
Kritiek op biologisering/naturalisatie van rolpatronen en gendernormen
Sekse versus gender
Tweede golf feminisme: “biology” is geen “destiny”
Ann Oakley, Britse sociologe – Stollers’ (zie hierboven) terminologie maar andere invulling:
Sekse = verwijst naar biologische verschillen tussen man en vrouw, zichtbare verschil in
geslachtsorganen + daarmee samenhangende verschil in voortplantingsfunctie
Vastgesteld aan de hand van biologisch bewijs (constant, vast)
5 het zich innerlijk eigen maken van externe normen, waarden, kennis of gedragingen, waardoor ze deel worden van
iemands eigen persoonlijkheid.
5
, Gender = kwestie van cultuur – verwijst naar sociale classificatie in ‘mannelijk’, ‘vrouwelijk’
Criteria die cultureel bepaald zijn + versch. per tijd en plaats (variabel)
Theoretische kaders binnen sociaal constructivisme:
Gender = socio-cultureel en historisch variabel verschillende invullingen mogelijk:
= Social learning theorieën: gender is aangeleerd, gendersocialisatie gebeurt via gezin, school, peers,
media… verandering via roldoorbrekend opvoeden (speelgoed), alternatieve rolmodellen…
MAAR wat is nu de oorsprong, waar komt gender vandaan?
Socio-economische basis: organisatie van de samenleving (materialistische verklaringen)
Culturele basis: symboliek, taal, discours (poststructuralistische verklaringen)
2.2.1 Seks/gender system (materialistisch)
Gayle Rubin (1975): iedere samenleving heeft een ‘sex/gender’ system’ = “a set of arrangements by
which the biological raw material of human sex and procreation is shaped by human social
intervention”
hoe dit precies gebeurt varieert echter van samenleving tot samenleving + niet los te zien van
economische en politieke machtsverhoudingen, zoals kapitalisme en kolonisatie
Verschillende verwantschaps- en afstammingssystemen mogelijk:
Voorbeelden: Mosuo (China), Minangkabau (Indonesië): matrilineaire afstamming/overerving
gelijkere rolverdeling
Gender = “a socially imposed division of the sexes” - “a product of the social relations of sexuality”
2.2.2 Gender = macht
Conflict theory: organisatie van de samenleving is gericht op streven/instandhouding van macht
Patriarchy = structureel systeem
Reproduceert ongelijke verdeling van macht en privileges (bv inkomen, onbetaald werk) op
verschillende niveaus en domeinen (gezin, arbeidsmarkt, politiek, cultureel, religieus…)
Voorbeeld: deelname van vrouwen aan arbeidsmarkt betekent nog geen gelijkheid (vb
loonkloof) wel verschuivingen, maar bestaande machtsverhoudingen blijven voortbestaan
Joan Scott – “Gender: a useful category of historical analysis” (1986)
Gender = ‘A constitutive element of relationships based on perceived differences between
the sexes’ – focus op macht?
Gender als structurerend/ordenend principe -> verdeling van rechten, status, posities,
kansen, middelen…
Inherent verweven met andere categorieën (bv klasse, migratieachtergrond, leeftijd…)!!
loonkloof man/vrouw + witte en gekleurde vrouwen…
EXTRA TEKSTEN:
R.W. Connell: We zien gender als iets “natuurlijks” afwijkingen (bv homoseksualiteit) als
onnatuurlijk, verkeerd beschouwd
6
, MAAR: als iets écht tegen de natuur ingaat, heb je er geen wetten of straffen voor nodig
Dat er toch wetten en geweld zijn, toont dat genderregels geen natuurwetten zijn, maar
maatschappelijke regels die actief worden afgedwongen
Complexe gelaagdheid
Verschillende niveaus, opereren samen inzicht genderstudies:
Symbolische systemen: betekenissen van mannelijkheid/vrouwelijkheid, georganiseerd in
dichotomieën (mannelijkheid is wat vrouwelijkheid niet is)
Normatieve concepten: impliciete, expliciete verwachtingen/normen van hoe m/v horen te
zijn
Organisaties en instellingen (bv: leger, politiek, wetenschap, recht, onderwijs, gezin…) zijn
gegenderd omdat ze:
Een bepaalde genderidentiteit hebben (bv: het leger)
Georganiseerd zijn op basis van tweedeling (bv: het gezin)
Op een verschillende manier ingrijpen in het leven van m/v (bv: sociale zekerheid)
Subjectieve identiteit (v/m, cis/trans, non-binair…): zelfidentificatie + identificatie d. anderen
Hegemonische idealen (R.W Connell):
Hegemonische mannelijkheid: dominant ideaal waarnaar mannen dienen te streven
machtspositie + impact op welzijn/gezondheid
“The man box”: stoer, sterk, succesvol, leider, rationeel, ambitieus, competitief, seksueel
actief, risicogedrag…
Hegemonische vrouwelijkheid: kwetsbaar, gevoelig, zorgzaam, emotioneel, dienstbaar, altruïstisch6…
Meerdere invullingen/idealen contextuele, geografische en historische varianties en diversiteit aan
expressies + naast hegemonische mannelijkheid (wit, middenklasse, heteroseksueel, able body7…)
1) Gemarginaliseerd door intersectionele factoren (etniciteit, klasse…)
2) Ondergeschikt lager op de gender hiërarchie (gay, queer…)
3) Medeplichtig ambiëren hegemonische mannelijkheid en profiteren ervan
4) Contesterende mannelijkheid: daagt de gendernormen uit
Voorbeeld – Covid-19:
Verschillende kwetsbaarheden, bv impact van socio-economische status op mogelijkheden tot
preventie en toegang tot gezondheidszorg wat met gender?
Hogere mortaliteit bij mannen door meer risico-gedrag (minder handen wassen, geen mondmasker…)
Hogere impact op economische situatie en welzijn van vrouwen: verlies van inkomen,
huiselijk geweld, minder toegang tot info + vertegenwoordiging in politieke besluitvorming…
Verhoogde kwetsbaarheid door interactie met andere ongelijkheid (bv migratieachtergrond)
DUS: mannen hogere sterftecijfers bij COVID-19 achtergrondinfo:
Verschillen in immuunrespons (hormonen, X-chromosoom), verschillen in ACE2-receptoren; alsook leefstijl (meer
roken/drinken bij mannen), minder naleving van preventiemaatregelen
6
onbaatzuchtig handelen in het belang van anderen, zonder eigenbelang na te streven.
7
personen die gezond zijn + geen fysieke/mentale beperkingen hebben die dagelijkse activiteiten bemoeilijken.
7
, Vrouwen oververtegenwoordigd in zorg- en dienstensectoren (= hogere blootstelling aan besmetting; 84%
werkende vrouwen in sectoren die sterk door COVID werden getroffen economische onzekerheid
Nog info over genderkloof + stijgend huiselijk geweld tijdens covid (meer isolatie, minder toegang tot hulp)
Conclusie: vrouwen theoretisch meer slachtoffer (bv doordat veel in sector werkte) maar
uiteindelijk toch meer mannen als slachtoffer
2.2.3 Gender = performance doing gender (VANAF HIER BELANGRIJKSTE DEEL: BUTLER!!)
Sociaal interactionisme: gender geproduceerd, bekrachtigd in alledaagse interacties Cf. West &
Zimmerman, 1987: “gender is an organized social performance”
Judith Butler – Gender trouble: gender is niet wat je bent, maar wat je doet: geen onderliggende
identiteit die ons aanstuurt identiteit is resultaat van performance in plaats van oorzaak
“Identity is performatively constituted by the very expressions that are said to be its results”
Gender verwijst niet naar een substantiële identiteit theorieën over identiteitsvorming
Phenomenological theory of ‘acts’:
Bouwt verder op feminisme: ‘het persoonlijke is politiek’ + De Beauvoir: men is niet geboren
als vrouw, men wordt een vrouw
Het zelf wordt verondersteld vooraf te bestaan aan het handelen Butler zegt juist dat het
handelen zelf het zelf tot stand brengt
“the body becomes its gender through a series of acts which are renewed, revised, and
consolidated through time” – Butler
Sekse, gender en (verplichte) heteroseksualiteit
Feministische culturele antropologen, ‘kinship’ studies8
Lichamen opgedeeld in ‘natuurlijke’ m/v categorieën + gezien als ‘natuurlijk’ heteroseksueel
deze theorieën zijn ontoereikend om te begrijpen hoe seksualiteit/gender constructen concreet
tot stand komen
+ “De formulering van het lichaam als een manier om mogelijkheden te dramatiseren of uit te beelden, biedt een manier
om te begrijpen hoe een culturele conventie wordt belichaamd en uitgebeeld.” = Genderuitbeelding en -performance
GEVOLG: realiteit van gender bestaat enkel bij gratie van de performance er is geen onderliggende
essentie van ‘sekse’ of ‘gender’
Performativiteit is ‘citational’ herhaling van scripts, conventies en normen
Voorbeeld – drag performance: laat zien dat gender niet noodzakelijk overeenstemt met
toegeschreven sekse-identiteit gender kenmerken zijn performance (≠uitdrukking)
Er zijn dus geen juiste, valse ‘acts of gender’ idee van binaire sekse (m/v) is een construct
dat volgt uit het gender construct
Kritieken:
Reduceert gender tot agency – geen verklaring voor structurele ongelijkheden, verhoogde
kwetsbaarheid voor geweld…
8Verwantschapsstudies zijn een fundamenteel onderdeel van de antropologie en sociologie, gericht op het analyseren van
de manieren waarop samenlevingen relaties organiseren via bloedverwantschap, huwelijk en sociale banden.
8