1. Anatomie en fysiologie
Anatomie = studie v/d inwendige en uitwendige structuren en de fysieke relatie tss
lichaamsdelen
Fysiologie = studie van levensfuncties van levende organismen
Functie / werking van anatomie
1.1 De mens als biologisch organisme
1. Nucleolus (celkernlichaampje)
2. Nucleus (celkern)
3. Ribosomen
9. Mitochondriën
11. Cytoplasma
13. Centriolen
Celmembraan en kernmembraan: houden delen in cel samen + stofwisseling
Cytoplasma: vloeistof (water, eiwitten, suikers, vetten & mineralen)
organellen drijven hierin
Mitochondriën: energiecentrales + mitochondriaal DNA (wordt ongewijzigd overgeërfd van
moeder op kind)
Ribosomen: belangrijke rol bij omzetten van DNA naar lichaamseigenschappen
Centriolen: belangrijk bij celdeling
Celkern: hierin zit kernkleurstof + chromatine (DNA)
1
,1.2 Jargon
Termen om richtingen aan te duiden:
ANTERIEUR De voorkant
VENTRAAL De buikzijde (synoniem anterieur)
POSTERIEUR De achterzijde
DORSAAL Aan de rug gelegen (synoniem posterieur)
SUPERIEUR Boven, hoger
INFERIEUR Onder, lager
MEDIAAL Het midden v/h lichaam
LATERAAL Zijkant v/h lichaam
Termen waarmee vlakken van doorsnede worden benoemd:
2
,2. Het zenuwstelsel
2.1 Belang v/h zenuwstelsel
1) Bijdrage tot biologische basis v/h menselijk gedrag:
₋ Waarnemen
₋ Denken
₋ Emoties
₋ Beslissingen nemen
2) Motoriek:
₋ Zenuwstelsel stuurt bewegingsapparaat aan
₋ Spieren w geactiveerd door prikkel afkomstig v/h zenuwstelsel
₋ Motorische handicaps zijn gevolg van neurofysiologische problematiek (letsels aan
zenuwstelsel zijn gedeeltelijk of niet te herstellen)
3) Besturing van organen:
₋ Behoud van homeostase
Samen met endocriene stelsel (hormoonstelsel)
₋ Zenuwstelsel reageert snel d.m.v. zenuwimpulsen
₋ Endocrien stelsel reageert trager d.m.v. vrijstelling van hormonen
2.2 Overzicht zenuwstelsel
3
, 2.3 Functies v/h zenuwstelsel
1) Sensoriële functie
a. Detecteren van info via de receptoren
b. Prikkels naar ruggenmerg of hersenen sturen
2) Integratieve functie
a. Verwerken & bewaren van info
(analyseren, combineren met andere sensoriële info)
b. Beslissingen nemen
3) Motorische functie
a. Beslissing uit integratieve functie w uitgeoefend via het sturen van prikkels naar de
effectoren (= spieren & klieren)
Secretie of spiercontractie
2.4 Informatieoverdracht
Neuronen = cellen die kunnen geprikkeld worden en die gespecialiseerd zijn in het opwekken &
geleiden van zenuwimpulsen
ze voeren meest specifieke functies v/h zenuwstelsel uit (waarnemen, denken…)
neuronen k communiceren met andere neuronen
Sensorische neuronen Prikkelaanvoerend
(= afferent) Prikkels van perifeer centraal
zenuwstelsel
(ontvangt info van zintuigen en stuurt deze
door naar ruggenmerg/hersenen)
Interneuronen Liggen in centraal zenuwstelsel tussen
sensorische en motorische neuronen
! integreren en verwerken info +
beslissingen nemen
Motorische neuronen Prikkelafvoerend
(= efferent) Prikkels van centraal perifeer
zenuwstelsel
(geleiden impulsen van hersenen &
ruggenmerg naar effectoren)
4
Anatomie = studie v/d inwendige en uitwendige structuren en de fysieke relatie tss
lichaamsdelen
Fysiologie = studie van levensfuncties van levende organismen
Functie / werking van anatomie
1.1 De mens als biologisch organisme
1. Nucleolus (celkernlichaampje)
2. Nucleus (celkern)
3. Ribosomen
9. Mitochondriën
11. Cytoplasma
13. Centriolen
Celmembraan en kernmembraan: houden delen in cel samen + stofwisseling
Cytoplasma: vloeistof (water, eiwitten, suikers, vetten & mineralen)
organellen drijven hierin
Mitochondriën: energiecentrales + mitochondriaal DNA (wordt ongewijzigd overgeërfd van
moeder op kind)
Ribosomen: belangrijke rol bij omzetten van DNA naar lichaamseigenschappen
Centriolen: belangrijk bij celdeling
Celkern: hierin zit kernkleurstof + chromatine (DNA)
1
,1.2 Jargon
Termen om richtingen aan te duiden:
ANTERIEUR De voorkant
VENTRAAL De buikzijde (synoniem anterieur)
POSTERIEUR De achterzijde
DORSAAL Aan de rug gelegen (synoniem posterieur)
SUPERIEUR Boven, hoger
INFERIEUR Onder, lager
MEDIAAL Het midden v/h lichaam
LATERAAL Zijkant v/h lichaam
Termen waarmee vlakken van doorsnede worden benoemd:
2
,2. Het zenuwstelsel
2.1 Belang v/h zenuwstelsel
1) Bijdrage tot biologische basis v/h menselijk gedrag:
₋ Waarnemen
₋ Denken
₋ Emoties
₋ Beslissingen nemen
2) Motoriek:
₋ Zenuwstelsel stuurt bewegingsapparaat aan
₋ Spieren w geactiveerd door prikkel afkomstig v/h zenuwstelsel
₋ Motorische handicaps zijn gevolg van neurofysiologische problematiek (letsels aan
zenuwstelsel zijn gedeeltelijk of niet te herstellen)
3) Besturing van organen:
₋ Behoud van homeostase
Samen met endocriene stelsel (hormoonstelsel)
₋ Zenuwstelsel reageert snel d.m.v. zenuwimpulsen
₋ Endocrien stelsel reageert trager d.m.v. vrijstelling van hormonen
2.2 Overzicht zenuwstelsel
3
, 2.3 Functies v/h zenuwstelsel
1) Sensoriële functie
a. Detecteren van info via de receptoren
b. Prikkels naar ruggenmerg of hersenen sturen
2) Integratieve functie
a. Verwerken & bewaren van info
(analyseren, combineren met andere sensoriële info)
b. Beslissingen nemen
3) Motorische functie
a. Beslissing uit integratieve functie w uitgeoefend via het sturen van prikkels naar de
effectoren (= spieren & klieren)
Secretie of spiercontractie
2.4 Informatieoverdracht
Neuronen = cellen die kunnen geprikkeld worden en die gespecialiseerd zijn in het opwekken &
geleiden van zenuwimpulsen
ze voeren meest specifieke functies v/h zenuwstelsel uit (waarnemen, denken…)
neuronen k communiceren met andere neuronen
Sensorische neuronen Prikkelaanvoerend
(= afferent) Prikkels van perifeer centraal
zenuwstelsel
(ontvangt info van zintuigen en stuurt deze
door naar ruggenmerg/hersenen)
Interneuronen Liggen in centraal zenuwstelsel tussen
sensorische en motorische neuronen
! integreren en verwerken info +
beslissingen nemen
Motorische neuronen Prikkelafvoerend
(= efferent) Prikkels van centraal perifeer
zenuwstelsel
(geleiden impulsen van hersenen &
ruggenmerg naar effectoren)
4