Naam: Lanslots
Voornaam: Cara
Docent(e): Sandra
Begrippenlijst
Doelstelling: door het aanleggen van een begrippenlijst vergroot de student zijn professioneel
taalgebruik en worden de verbanden tussen de verschillende hoofdstukken zichtbaar. Een goede
voorbereiding zorgt ervoor dat de student tijdens het schriftelijk openboekexamen gemakkelijk de
begrippen kan terugvinden over de hoofdstukken heen!
Tip: vermeld bij elk begrip het paginanummer.
Begrip Omschrijving Paginanummer
Accommodatie Aanpassen van bestaande kennis waardoor een
nieuw beeld van de werkelijkheid wordt gevormd.
Vb. Kindje grijpt ei iets te stevig vast
Affectief aspect Affectieve betrokkenheid (cfr. Emotionele
betrokkenheid) bij de situatie waarin men zich
bevindt.
Factoren die emoties of gevoelens meebepalen:
– Kwaliteit van de gevoelens
– De intensiteit van de gevoelens
– De stabiliteit van de gevoelens
– De aard van de gevoelens
– De gerichtheid van de gevoelens
– De gestemdheid van de gevoelens
Afweer of ontkennen De observator neemt bepaalde zaken van gedrag
niet waar. Voor anderen zijn ze soms zo duidelijk.
De observator wil bepaald gedrag niet zien uit
angst voor de gevolgen van het eventueel
waarnemen. Gevolgen kunnen zijn:
veranderingen, in het gevaar brengen van eigen
positie/eigenwaarde, machtsverlies,… Maar
ontkenning van het probleem belemmert de
mogelijkheid er op lange termijn mee om te
kunnen gaan.
Analyse/AS moet je observeren en rapporteren,
diagnosticeren
,Assimilatie Nieuwe informatie inpassen in bestaande
patronen. De nieuwe informatie versmelt met de
oude, zodat de oude informatie slechts een kleine
verandering ondergaat.
Vb. kindje speelt met een ei.
Attributie Je voegt automatisch iets toe aan dat wat je
waarneemt en daarmee denk je dat je het echt
hebt waargenomen. Je gaat gedrag toeschrijven
aan iets.
Vb. Je wil de straat oversteken en bemerkt plots
dat er een auto komt aangereden. Maar geen
nood: de chauffeur remt af en stopt om je
voorrang te verlenen. Hoe beoordeel je het gedrag
van de chauffeur? (hoffelijk) Stel dat je op
hetzelfde moment ziet dat er aan de overkant van
de weg een politieagent staat toe te kijken. Hoe
beoordeel je nu het gedrag van de chauffeur?
Availability – effect Beschikbaarheid van informatie, dingen zitten
beter in je hoofd dan andere zaken omdat je dat al
eens geleerd/gezien hebt, wat je al weet in je
hoofd zit, valkuil is dat je dat meeneemt in je
waarnemingen (wat je al kent is voor de hand
liggend)
Barrièresignalen signalen die de ander op een afstand houden,
afweren, contact vermijdend
Beeldvorming Het beeld dat we vormen over anderen zal invloed
hebben op onze analyse van de situatie. Belangrijk
voor de hulpverlener is fouten tot een minimum te
herleiden door objectief te gaan observeren.
Beoordelen Mening vormen over iets of iemand (proces),
Functioneringsgesprek (= objectief vaststellen hoe
medewerkers functioneren)
Beroepsmatig Professioneel observeren; objectief waarnemen,
handelen bewust zijn van alles wat subjectief je oordeel
beïnvleodt, met gezond verstand en met je gevoel,
vanuit medemenselijke intuïtie, opgebouwd uit 3
elementen; praxis, emotie en kennis
Bruikbare info Teruggrijpen naar kennis die je al hebt
Codering Wat als logisch geheel kan worden gezet, wordt als
bruikbare info gekozen dan wat met elkaar in
tegenspraak is, wat logisch is, wordt als eerst
bruikbare info gekozen
Collectieve intuïtie Waarden en normen die je hebt meegekregen
vanuit je opvoeding, culturele omgeving, …
waarden en normen spelen mee in het
interpreteren van gedrag dat wordt waargenomen
Communicatief aspect Elkaar begrijpen; elke vorm van menselijk gedrag is
een vorm van communicatie. Je kan niet niet
communiceren (cfr. Communicatie MDT1,
Watzlawick axioma 1)
, 4 aspecten,
- Non-verbale communicatie
- Verbale communicatie
- Het relationeel niveau:betrokkenheid op
elkaar en het onderwerp
het inhoudelijk niveau: manier waarop iemand in
staat is om verbaal of non-verbaal over te dragen
wat hij/zij wil aan de ander
Conatief aspect Behoefte aspect, behoefte stuurt gedrag;
Menselijk gedrag wordt aangedreven door
behoeften (=nood hebben aan). Vb; Maslow en
Schalock
3 grote behoeftedrijveren!!! Zie 3 begrippen
hieronder
Co-regulatie afstemming – aanpassing (actie reactie)
Gedrag tussen mensen wordt vaak beschreven als
een proces van actie en reactie. De werkelijkheid is
veel ingewikkelder. Het gaat om een voortdurend
inspelen op elkaar. Co-regulatief proces. De
andere roept iets bij mij op, ik roep iets bij de
ander op. We spreken over co-regulatieve
processen. Het goed invoelend kunnen
interpreteren van co-regulatieve processen
noemt men sociale vaardigheden. Voor
observatie en rapportage zijn goede sociaal-
emotionele vaardigheden onontbeerlijk.
Co-regulatie van met hulp van een ander regelen/handelen van je
emoties gevoel en emoties zodat je je weer comfortabel
voelt. (bv. op schoot zitten, samen met iemand
zijn, een knuffel vragen,…)
Culturele laag Wat je waarneemt, wordt geïnterpreteerd, wordt
in een een RF geplaatst.Wat bepaalt jouw RF?
Emotie Eigen betrokkenheid bij het gebeuren, afstand-
nabijheid
gedrag Slaat op elke vorm van handeling die in de
werkelijkheid wordt uitgevoerd. Gedrag is meer
dan een keten van oorzaak en gevolg en heeft met
processen te maken in een interactie tussen mens
en medemens én mens en omgeving.
Gedrag vindt bewust en onbewust plaats. Bewust:
gedrag met een bepaald doel, onbewust: werking
van de reflexen, automatische reacties.
Gedrag is aangeleerd maar bevat ook erfelijke
componenten
Gezond verstand Het vermogen om goed, helder te denken, om
over bepaalde zaken te oordelen en te beslissen
Half participerend Je bent zelf in de ruimte en in de situatie waarin
observeren geobserveerd wordt aanwezig maar je werkt met
de geobserveerde mensen heel weinig of niet
mee. Je zit aan de kant, kijk en registreert. Je
speelt een spel mee maar laat elk initiatief over