Midterm oefenen: 50 flashcards en 200 meerkeuzevragen
Tilburg University
1
,Flashcards
Flashcards
Flashcard 1
Leg het fundamentele verschil uit tussen objectief recht en subjectief recht in het
vermogensrecht en geef van elk een kort voorbeeld.
Antwoord
Objectief recht omvat het geheel van geldende regels binnen een rechtsgebied, zoals "het
Nederlandse vermogensrecht". Een subjectief recht is een aan een specifieke persoon
toekomende bevoegdheid, zoals het eigendomsrecht op een fiets.
Uitleg:
Objectief recht (law) is de abstracte verzameling van normen, terwijl subjectief recht (right) de
concrete aanspraak is die een individu aan die normen ontleent. Het subjectieve recht is een
uitvloeisel van het objectieve recht.
Flashcard 2
Onderscheid absolute rechten van relatieve rechten binnen het kader van subjectieve rechten
en geef van elk een voorbeeld uit het vermogensrecht.
Antwoord
Absolute rechten zijn rechten die tegenover iedereen kunnen worden ingeroepen, zoals
eigendom (art. 5:1 BW). Relatieve rechten gelden slechts tegenover een specifieke persoon,
zoals een vorderingsrecht uit een koopovereenkomst.
Uitleg:
Het verschil zit in de reikwijdte van de handhaafbaarheid. Een absoluut recht heeft
'derdenwerking' en kan tegen de hele buitenwereld worden gehandhaafd, terwijl een relatief
recht alleen inroepbaar is tegen de wederpartij in een verbintenis.
Flashcard 3
Welke twee hoofdcategorieën van goederen onderscheidt het Burgerlijk Wetboek en geef van
elk een algemeen voorbeeld?
Antwoord
Het Burgerlijk Wetboek onderscheidt zaken en vermogensrechten als goederen (art. 3:1 BW).
Zaken zijn stoffelijke objecten, zoals een huis (art. 3:2 BW), en vermogensrechten zijn
overdraagbare rechten die stoffelijk voordeel verschaffen, zoals een vorderingsrecht (art. 3:6
BW).
Uitleg:
Deze indeling is fundamenteel voor het vermogensrecht. Zaken zijn tastbaar, terwijl
vermogensrechten ontastbaar zijn maar wel een economische waarde vertegenwoordigen.
2
,Flashcard 4
Wat is het juridische onderscheid tussen registergoederen en niet-registergoederen en noem
een voorbeeld van elk type?
Antwoord
Registergoederen zijn goederen waarvoor inschrijving in openbare registers noodzakelijk is
voor overdracht of vestiging van een beperkt recht (art. 3:10 BW). Een voorbeeld is een
onroerende zaak zoals een huis (art. 3:89 BW). Niet-registergoederen zijn alle goederen die
niet aan deze eis voldoen, zoals een fiets.
Uitleg:
De eis van inschrijving in openbare registers bij registergoederen dient de rechtszekerheid en
transparantie in het rechtsverkeer, wat bij niet-registergoederen niet geldt
Flashcard 5
Het Burgerlijk Wetboek kent een "gelaagde structuur". Leg uit wat dit beginsel inhoudt en geef
een voorbeeld van de toepassing daarvan in het vermogensrecht.
Antwoord
De gelaagde structuur betekent dat regels van algemeen naar bijzonder gaan, waarbij Boek 3
BW algemene vermogensrechtelijke bepalingen bevat en latere boeken specifiekere regels.
Bijvoorbeeld, algemene bepalingen over rechtshandelingen staan in Boek 3, terwijl specifieke
regels over overeenkomsten (een type rechtshandeling) in Boek 6 staan.
Uitleg:
Boek 3 BW ("Vermogensrecht in het algemeen") dient als 'begin' en bevat algemene
bepalingen die van toepassing zijn op alle vermogensrechten, zoals de rechtshandeling.
Boek 5 ("Zakelijke rechten") en Boek 6 ("Verbintenissenrecht in het algemeen") bevatten
specifiekere regels die voortbouwen op de algemene bepalingen van Boek 3.
Flashcard 6
Definieer een verbintenis en noem de twee hoofdkenmerken ervan.
Antwoord
Een verbintenis is de vermogensrechtelijke verhouding tussen twee partijen krachtens welke
de één (schuldeiser) gerechtigd is tot een gedraging, waartoe de ander (schuldenaar)
verplicht is. De twee hoofdkenmerken zijn: 1. een partij is verplicht tot een prestatie, en 2. de
onderlinge band is vermogensrechtelijk van aard.
Uitleg:
De verbintenis vormt de kern van het verbintenissenrecht. Het gaat om een juridisch
afdwingbare relatie die op geld waardeerbaar is, in tegenstelling tot louter morele
verplichtingen.
3
, Flashcard 7
Noem de drie belangrijkste elementen van een verbintenis vanuit zowel de actieve
(schuldeisers) als de passieve (schuldenaars) kant.
Antwoord
De drie elementen zijn: vorderingsrecht/schuld, rechtsvordering/aansprakelijkheid, en
executierecht/uitwinbaarheid.
Uitleg:
De kern is het vorderingsrecht (schuldeiser) en de schuld (schuldenaar). Als de schuldenaar
niet vrijwillig betaalt, kan de schuldeiser een rechtsvordering instellen (art. 3:296 lid 1 BW),
waartegenover aansprakelijkheid van de schuldenaar staat. Tot slot heeft de schuldeiser het
executierecht, wat voor de schuldenaar uitwinbaarheid betekent.
Flashcard 8
Art. 6:1 BW bepaalt dat "verbintenissen slechts kunnen ontstaan, indien dit uit de wet
voortvloeit". De Hoge Raad heeft echter in het arrest HR 30-01-1959, NJ 1959, 548 (Quint/Te
Poel) een ruime uitleg gegeven aan deze bepaling. Wat houdt deze ruime uitleg in en wat
waren de implicaties voor de zaak zelf?
Antwoord
De Hoge Raad oordeelde in HR 30-01-1959, NJ 1959, 548 (Quint/Te Poel) dat verbintenissen
niet per se rechtstreeks op een wetsartikel hoeven te steunen, maar ook kunnen ontstaan uit
bronnen die passen in het systeem van de wet en aansluiten bij de wel in de wet geregelde
gevallen. In de zaak zelf was er echter geen verbintenis ontstaan, omdat Quint de openbare
registers had kunnen raadplegen om te voorkomen dat hij op de grond van een ander zou
bouwen.
Uitleg:
Deze ruime opvatting, tot uitdrukking gebracht in het woord 'voortvloeit' in art. 6:1 BW, opent
de mogelijkheid voor verbintenissen die niet expliciet in de wet zijn genoemd. Echter, de
concrete omstandigheden en de eigen onderzoeksplicht (of het ontbreken daarvan) van een
partij kunnen alsnog verhinderen dat een verbintenis ontstaat, zelfs als de algemene bron
geaccepteerd wordt.
Flashcard 9
Wat is het onderscheid tussen een rechtshandeling en een onrechtmatige daad als
rechtsfeiten die rechtsgevolgen creëren?
Antwoord
Een rechtshandeling is een menselijke handeling die gericht is op het tot stand brengen van
een rechtsgevolg, zoals een koopovereenkomst. Een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) is
een ander rechtsfeit waarbij het rechtsgevolg (bijv. schadevergoeding) intreedt onafhankelijk
van de wil van de dader om dat specifieke rechtsgevolg te bewerkstelligen.
Uitleg:
De intentie van de handelende persoon is doorslaggevend voor het onderscheid. Bij een
rechtshandeling wil men het rechtsgevolg, bij een onrechtmatige daad ontstaat het
rechtsgevolg ondanks (of onafhankelijk van) de wil van de dader.
4