EHRM 10 januari 2017, Appl. No. 56134/08, Korzeniak/Poland.
Het arrest van het EHRM in de zaak Korzeniak tegen Polen op 10 jan 2017, betreft de rechten
van een verdachte in strafzaken. Belangrijkste rechtsregel --> is dat een verdachte het recht
heeft op een eerlijk proces, zoals in art. 6 EVRM
De Rechtsregel: "Een verdachte heeft het recht op een eerlijk proces, inclusief het recht om
binnen een redelijke termijn te worden berecht. Vertragingen in de rechtszaak die niet door de
verdachte zijn veroorzaakt, kunnen een schending van dit recht vormen."
Deze regel is gebaseerd op de interpretatie van art. 6 van EVRM door EHRM. Dit art. stelt dat
iedereen recht heeft op een eerlijk en openbaar proces binnen een redelijke termijn door een
onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.
Toepassing in de zaak Korzeniak/Poland:
In de zaak Korzeniak tegen Polen oordeelde het EHRM dat er sprake was van een schending van
art. 6 van het EVRM. De zaak van de heer Korzeniak had meer dan 8 jaar geduurd, wat het Hof
als een onredelijke vertraging beschouwde. Het Hof oordeelde dat de Poolse autoriteiten niet
voldoende hadden gedaan om de zaak binnen redelijke termijn af te handelen, en dat dit een
schending van het recht van de heer Korzeniak op een eerlijk proces vormde.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806, NJ 2019, 413 (Bevoegdheidsverdeling
burgerlijke rechter en strafrechter).
De nabestaanden van een man die na een politieaanhouding overleed, vorderden in kort geding
bij de burgerlijke rechter dat de Staat de namen van de betrokken politieagenten bekend zou
maken. De strafrechter had eerder beslist dat de agenten om veiligheidsredenen anoniem
mochten optreden in het strafproces. De burgerlijke rechter wees de vordering af. De Hoge Raad
bevestigt dat oordeel: de civiele rechter mag niet treden in beslissingen die uitsluitend zien op de
procesvoering in een lopende strafzaak. Eventuele schendingen van procesrechten (zoals art. 6
EVRM) moeten door de strafrechter zelf worden beoordeeld.
Rechtsregel: “De aanvullende rechtsbescherming van de burgerlijke rechter (art. 112 lid 1 Gw)
strekt niet tot het treffen van voorzieningen die uitsluitend betrekking hebben op de
procesvoering bij een andere rechter.
--> Als een vordering enkel strekt tot bescherming van processuele belangen in een andere
rechtsgang (zoals een strafprocedure), is de eiser niet-ontvankelijk bij de burgerlijke rechter; ook
wanneer een beroep wordt gedaan op art. 6 EVRM.
HR 14 maart 2003, NJ 2003, 313 Cremers/Gassler
Cremers BV wilde tussenkomen in een procedure tussen Cremers (privé) en Gassler, omdat zij
meende recht te hebben op de gevorderde advieskosten. Het hof wees dit af, maar de HR
vernietigt dat oordeel. Voor tussenkomst is voldoende belang nodig, bijvoorbeeld als de
schuldenaar van de tussenkomende partij door een derde wordt aangesproken voor dezelfde
vordering. Het hof had geen bijzondere omstandigheden gevonden om af te wijken, dus de
afwijzing was onvoldoende gemotiveerd.
Rechtsregel: “Het in art. 285 (oud) Rv (nu art. 217 Rv) vereiste belang voor tussenkomst is in
beginsel aanwezig wanneer de schuldenaar van de tussenkomende partij door een derde wordt
aangesproken tot voldoening van dezelfde vordering.
--> Alleen bij bijzondere omstandigheden kan dit belang ontbreken; die moeten dan wel
deugdelijk worden gemotiveerd.
, HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:927, NJ2018, 381
[eiser] c.s. stelden HB in, maar maakten fouten bij het aanbrengen van de appeldagvaarding:
eerst werd een foutieve roldatum genoemd, daarna werd een herstelexploot wel uitgebracht
maar niet tijdig ter griffie ingediend. Vervolgens brachten zij binnen 2 weken na de
oorspronkelijke (foutieve) roldatum een tweede herstelexploot uit, dat wél tijdig werd ingediend
en waarop de zaak ook daadwerkelijk is aangebracht en behandeld.
Het hof verklaarde [eiser] c.s. niet-ontvankelijk, omdat volgens het hof slechts één herstelpoging
mogelijk zou zijn. De HR vernietigt dit oordeel. Art. 125 lid 5 Rv staat toe dat een verzuim (zoals
een foutieve verschijndag) wordt hersteld door een geldig herstelexploot binnen 2 weken na de
oorspronkelijke roldatum. Dat eerder een herstelexploot is uitgebracht waaraan geen
rechtsgevolg toekomt (bijv. omdat het niet is ingediend), staat daaraan niet in de weg.
Rechtsregel: “Als een dagvaarding een foutieve verschijndag bevat, blijft de aanhangigheid van
het geding behouden wanneer binnen 2 weken na de oorspronkelijke roldatum een geldig
herstelexploot wordt uitgebracht en tijdig ter griffie wordt ingediend (art. 125 lid 5 Rv, jo. art.
353 lid 1 Rv).
--> Het feit dat een eerder herstelexploot zonder rechtsgevolg is gebleven (bijv. door niet-
indiening) neemt niet weg dat een later, wél geldig herstelexploot rechtsgeldig herstel kan
bewerkstelligen.
HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1088, NJ2020, 368 Corona-betekening
De HR oordeelt over de geldigheid van een zogeheten ‘corona-betekening’ in cassatie. Normaal
gesproken mag een exploot pas o.g.v. art. 47 lid 1 Rv in de brievenbus worden achtergelaten als
betekening volgens art. 46 lid 1 Rv (in persoon of aan een huisgenoot) feitelijk onmogelijk is.
Tijdens de COVID-19-pandemie gold o.b.v. richtlijnen van de Koninklijke Beroepsorganisatie van
Gerechtsdeurwaarders dat persoonlijke uitreiking vanwege besmettingsgevaar niet verantwoord
was. De inmiddels aangenomen Verzamelspoedwet COVID-19 bevestigt dat in die situatie
sprake is van een feitelijke onmogelijkheid in de zin van art. 47 lid 1 Rv. De deurwaarder mocht
daarom direct een afschrift in een gesloten envelop in de brievenbus achterlaten, mits in het
exploot wordt vermeld dat uitreiking volgens art. 46 lid 1 Rv vanwege COVID-19 feitelijk
onmogelijk was. Dit geldt ook bij kantoorbetekening (art. 63 Rv). De HR baseert hierop zijn
oordeel over de geldige betekening en de daaropvolgende verstekverlening.
Rechtsregel: “Zolang de RIVM-richtlijnen wegens COVID-19 voorschrijven dat afstand moet
worden gehouden, is sprake van een feitelijke onmogelijkheid om een exploot uit te reiken op de
wijze van art. 46 lid 1 Rv.”
--> In die periode is betekening door directe achterlating van het exploot in een gesloten envelop
in de brievenbus o.g.v. art. 47 lid 1 Rv rechtsgeldig, mits dit wegens het besmettingsgevaar in
het exploot wordt vermeld (Verzamelspoedwet COVID-19).