College 1
Sociologie > welke verwachtingen zijn er om ons heen en hoe verhouden
we ons t.o.v. die verwachtingen.
Mensen groepswezens. Eigen gedachten, maar in relatie met anderen.
Iedereen ingebed in een groter geheel (samenleving, familie, buurt etc).
Systeem waarin je je bevindt (land bijv) > mogelijkheden & beperkingen.
Sociologie definities:
Sociologie is een wetenschap die zich richt op hoe mensen
vormgeven aan het samenleven.
De wetenschappelijke studie van de maatschappij en haar interne
verhoudingen (verschillende ideeën en belangen van
mensen/groepen mensen en die verhouden zich tot elkaar),
processen en structuren.
Met vragen over hoe wij met elkaar samenleven, welke invloed we
op elkaar hebben en hoe de omgeving waarin we leven met de
instituties die we hebben gemaakt, ons mogelijkheden biedt en
beperkingen geeft.
Structuur samenleving, alleen al plek waar je geboren wordt, invloed op
kansen in je leven (arm-rijk, ideeën over vrijheid etc).
Sociologie richt zich op de interactie en ontwikkeling van
maatschappelijke structuren en hoe deze macro structuren de
organisatie van ons sociale leven vormgeven.
Dillen (definitie boek): Sociologie richt zich op individuen en hun
interacties (microdynamics) en hoe die beïnvloed worden door de
context waarin zij zich begeven (hoe deze context de keuzes en
mogelijkheden van individuen beïnvloeden en beperken). En de
keuzevrijheid (agency) die individuen daarbinnen gebruiken.
Begrip sociologie komt van Comte(1798-1857)
2 begrippen: Socius (medemens) & Logos (leer)
Ontstaan tijdens de verlichting. Verlichting werd gezien als een keerpunt.
Hier stond het vooruitgangsdenken voorop. We kunnen als mens de
samenleving maken. Idee van tabula rasa (= ongeschreven blad): het idee
dat mensen worden geboren als onbeschreven blad – zonder kennis,
vaardigheid en persoonlijkheid – en volledig afhankelijk zijn van
waarneming en ervaring om de geest te vormen.
, Mogelijkheid om cognitie te gebruiken om samenleving vorm te
geven. Ratio steeds meer op de voorgrond.
Wetenschappelijk denken werd het uitgangspunt. Wetenschappelijk
denken = hetgeen wat meetbaar is, is het uitgangspunt. Zelf iets
onderzoeken om te weten of iets klopt of niet.
Voordat ‘sociologie’ als zodanig bestond werd het denken over de
samenleving vooral beschreven door filosofen.
Het positivisme van Comte
Uitgangspunt moet zijn datgene wat waarneembaar is (empirisme).
Regels van de natuurwetenschap toepassen (bepaalde
regelmatigheden of wetten die begrip geven).
Wetenschap is objectie (maakt niet uit wie het onderzoekt, iedereen
komt tot dezelfde conclusie)
Bestaan wetmatigheden om iets wat we zien te kunnen verklaren. Iets
verklaren > bepaalde wetmatigheden (ideeën) waarom iets vaker
voorkomt dan iets anders bijvoorbeeld).
Voorbeeld:
W: Naarmate er meer in de publieke gezondheidszorg wordt
geïnvesteerd, is de levensverwachting van mensen hoger
C: In rijke landen wordt er meer in de publieke gezondheidszorg
geïnvesteerd dan in arme landen
E: In rijke landen is de levensverwachting hoger dan in arme landen
Interpretatieve benadering (andere benadering dan Comte):
Het onderwerp van de sociale wetenschappen betreft de mens en
haar gedrag, wat niet te vangen is in wetten.
Een sociaalwetenschapper verhoudt zich anders tot zijn
onderzoeksobject dan een natuurwetenschapper
(sociaalwetenschapper > object = mens, dus kans op reactiviteit).
Twee dominante (elkaar aanvullende) benaderingen
1. Positivistisch: de werkelijkheid kunnen we waarnemen en meten met
indicatoren. Met statistiek kunnen we de relaties tussen kenmerken
vaststellen.
,2. Interpretatief: het verklaren van sociale fenomenen door het begrijpen
van de alledaagse gecontextualiseerde werkelijkheid.
Theorie – wat is het?
Sociologische theorie is een verzameling van concepten en
uitspraken over relaties daartussen, waarmee de patronen en
processen in de samenleving worden begrepen.
Theorie om antwoord te geven op wetenschappelijke vragen over
empirische sociale fenomenen
Een theorie is altijd in ontwikkeling (hetgeen dat we observeren kan
veranderen, daarmee kan theorie veranderen), waarmee het een
verzameling van kennis is (theorie steeds aangevuld door andere
wetenschappers).
Wanneer besloten dat een theorie moet worden aangevuld > wanneer
herhaaldelijk gevonden wordt dat er iets niet klopt binnen de theorie. Dit
gaat leiden tot nieuwe vragen en dan wordt er op een gegeven moment
een aanpassing gemaakt.
Door het stellen van nieuwe vragen is de wetenschap in ontwikkeling.
Gebruik van theorie
Vraag – theoretisch antwoord – onderzoek naar het theoretische antwoord
– nieuwe vraag.
Eventueel aanpassing van het theoretisch antwoord. Theorie stimuleert
ons om nieuwe vragen te stellen en om een ander perspectief te nemen
dan we gewoon zijn te doen.
In deze cursus: veel theorieën – veel perspectieven!
Sommige theorie beter toepasbaar op sommige onderwerpen, sommige
meer op ongelijkheid in de samenleving, sommige meer op relaties,
netwerken en het samen leven, sommige meer op veranderingsprocessen
in een samenleving.
Sociologische theorie stimuleert te gaan van vragen over het individu naar
vragen over de samenleving.
College 2 - Karl Marx
Systeem Karl Marx opkomst kapitalistische systeem van nu.
Denkers voorafgaand aan Marx:
Hobbes (1588-1679): mensen zijn hebzuchtig en de een bezit meer
dan de ander. Keuze > liever iets wel hebben dan iets niet hebben.
, Mensen altijd op zoek naar zo veel mogelijk krijgen. Dit zorgt voor
verschillen tussen mensen > ongelijkheid.
Locke (1632-1704): positiever mensbeeld; rationeel eigenbelang zal
een positieve uitwerking hebben op het individueel welzijn en op de
samenleving als geheel. Mensen streven naar ‘meer krijgen’ > komt
ten goede aan individu maar ook aan de samenleving.
Economen als Smith (1723-1790) ging het om de welvaart in een
land. Volgens de econoom Smith nam bij vrije markten de welvaart
toe! Markten moeten vrij zijn. Hoe vrijer markten zijn, hoe meer
welvaart dat zou genereren. Belangrijk onderdeel daarvan is het idee
van de arbeidsdeling = opsplitsen productieproces in delen. Meer
mensen > meer opdelen > meer welvaart. Belangrijke vraag: Wie
maakt welk deel van consumptieve goederen?
Marx legt de nadruk op ongelijkheid: De welvaart neemt wellicht toe, maar
niet in gelijke mate voor iedereen toe. Sterker nog: het daalt voor de
arbeidersklasse. Welvaart neemt toe, maar kan zorgen voor ook afname in
welvaart tussen mensen.
De theorie: Het historisch materialisme: Veranderingen in de wijze waarop
in het bestaan wordt voorzien, verklaren de loop van de geschiedenis.
Waarop we in het bestaan voorzien > materialistisch, verandering &
verklaren loop gs > historisch. Is systeem waarin we leven. Systeem
verandert > invloed op geschiedenis.
Groeiende ongelijkheid door het systeem van kapitalisme:
Kapitaalbezitters (de bourgeoisie) bezitten de productiemiddelen.
Hun doel is het maken van winsten
De arbeidskrachten produceren goederen (en diensten) maar krijgen
slecht betaald. Zij vormen het proletariaat en worden uitgebuit (want
kosten zo laag mogelijk houden (loon valt hieronder))
>> Hierdoor ontstaat er een alsmaar grotere ongelijkheid.
Wet van de kapitalistische accumulatie: De rijken worden rijker, de armen
worden armer.
Waarom betalen kapitaalbezitters zo weinig?
Het systeem maakt dat ze uit zijn op zo hoog mogelijke winsten. Dat
kan door de productiekosten zo laag mogelijk te houden. Ze kunnen
dwang uitoefenen door arbeidskrachten te vervangen voor arbeiders
die zelfs minder accepteren. Of door machines (of robots)
Verwachting van marx en engels was een revolutie > zou zorgen voor
ontstaan van een communistisch systeem.