Bart van den Krommenacker
Inhoudsopgave
Leereenheid 1 – Inleiding en het juridische landschap
Leereenheid 2 – Publiekrecht en privaatrecht
Leereenheid 3 – Nationaal, internationaal en transnationaal recht
Leereenheid 4 – Hiërarchie en heterarchie
Leereenheid 5 – Rechterlijke rechtsvorming
Leereenheid 6 – Democratie
Leereenheid 7 – De rechtsstaat
Leereenheid 8 – Fundamentele rechten
Leereenheid 9 – De rol van de rechter in de democratische rechtsstaat
Overzicht van de belangrijkste begrippen per leereenheid
Leereenheid 1 – Inleiding en het juridische landschap
Bron: Ronald Janse, De democratische rechtsstaat in de gelaagde rechtsorde, hoofdstuk 1, en
hoorcollege 1.
Rechtsnormen en rechtsbronnen
Een jurist werkt met rechtsnormen. Een rechtsnorm is een norm, dus een regel die aangeeft wat
mensen en organisaties behoren te doen, en het is een norm in het recht, dus geen zuiver
morele norm. Rechtsnormen worden meestal van elkaar onderscheiden naar de wijze van hun
totstandkoming. De bron waaruit een norm voortkomt is de rechtsbron: de feiten, procedures of
gebeurtenissen waaruit rechtsnormen voortvloeien. De leereenheid onderscheidt zeven
rechtsbronnen:
- de wet;
- jurisprudentie;
- gewoonterecht;
- verdragen;
- algemene rechtsbeginselen;
- besluiten van internationale organisaties;
- soft law.
Wet
De bekendste rechtsbron is de wet. Een wet is een regel met twee kenmerken: ze is algemeen,
dus van toepassing op een onbepaald aantal burgers, organisaties en situaties, en ze komt van
een instantie die bevoegd is wetten te maken. De belangrijkste wetgever is de formele wetgever,
de Staten-Generaal en de regering gezamenlijk (art. 81 Gw). Daarnaast regelen de regering
(algemene maatregelen van bestuur) en de ministers (ministeriële regelingen) op rijksniveau en
de provincie en de gemeente (verordeningen, art. 127 Gw) op decentraal niveau veel recht.
Ook de Europese Unie maakt wetgeving. Art. 288 VWEU kent drie vormen:
- Verordening: heeft een algemene strekking, is verbindend in al haar onderdelen en is
rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
- Richtlijn: is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar laat de nationale
instanties de keuze van vorm en middelen. Ze moet daarom door de nationale wetgever
worden omgezet.
- Besluit: is, net als een verordening, verbindend in al haar onderdelen, maar bevat vaak een
specifiekere regeling, bijvoorbeeld ter concretisering van een verordening.
Jurisprudentie en rechtersrecht
Wanneer de wet onvoldoende houvast biedt, vormt de rechter nieuw recht: rechtersrecht.
Daarvoor zijn twee redenen:
1
, - Interpretatie is nodig als de betekenis van een of meer woorden in de wet onduidelijk is.
- Belangenafweging is nodig als de wet ruimte laat om belangen te wegen of open normen in
te vullen.
Precedentwerking is in Nederland geen verplichting. Een rechter hoeft de regel die een andere
rechter heeft geformuleerd niet als uitgangspunt te nemen, maar in de praktijk volgt hij die
doorgaans wel. Daarom spreekt men van een mild precedentstelsel. Jurisprudentie is dus een
rechtsbron omdat rechtsautoriteiten haar in de praktijk als zodanig gebruiken.
Gewoonterecht
Gewoonterecht bestaat uit regels die aan twee cumulatieve voorwaarden voldoen:
- Praktijk (usus): de regel wordt gevolgd door een bepaalde groep, als bestendige gedragslijn
of uniforme praktijk.
- Rechtsovertuiging (opinio juris sive necessitatis): de regel wordt als juridisch bindend
beschouwd.
In het nationale recht speelt gewoonterecht nauwelijks een rol; een voorbeeld is de
vertrouwensregel voor bewindspersonen. In het internationale recht is het van groot belang.
Verdragen en besluiten van internationale organisaties
Verdragen zijn overeenkomsten tussen staten, tussen staten en internationale organisaties of
tussen internationale organisaties onderling. Verdragen tussen twee partijen heten bilateraal,
verdragen tussen meer partijen multilateraal. Naar hun functie worden drie soorten
onderscheiden:
- Traité-contrat: regelt een specifieke transactie met prestatie en tegenprestatie.
- Traité-loi: bevat algemene regels over een bepaald onderwerp, zoals het Weens
Verdragenverdrag.
- Traité-constitution: richt een internationale organisatie op, zoals het EEG-verdrag of het VN-
Handvest.
Verordeningen van de Unie zijn dus geen verdragen, maar secundair recht dat op een
oprichtingsverdrag berust.
Algemene rechtsbeginselen
Rechtsbeginselen zijn de principiële hoekstenen van de rechtsorde, zoals redelijkheid, billijkheid
en eerlijkheid. Ze hebben drie kenmerken:
- Ze zijn evaluatief-moreel van karakter.
- Ze zijn open: ze moeten eerst worden geïnterpreteerd en geconcretiseerd.
- Ze hebben een zeker gewicht in de afweging met andere normen.
Soft law
Soft law bestaat uit regels die op zichzelf niet juridisch bindend zijn, maar die wel kunnen worden
gebruikt om juridische begrippen in te kleuren. Ze berusten niet op een wetgevende bevoegdheid
en kunnen door private en publieke actoren worden gemaakt. Het hoorcollege geeft het
voorbeeld van een skiongeluk tussen twee broers, waarbij de gedragsregels van de skifederatie
dienen om te beoordelen of de uitwijkmanoeuvre zorgvuldig was.
Leereenheid 2 – Publiekrecht en privaatrecht
Bron: Janse, hoofdstuk 2, en hoorcollege 2.
Vier argumenten voor het onderscheid
Het onderscheid tussen publiekrecht en privaatrecht is klassiek, maar ideaaltypisch: het beschrijft
uitersten waartussen veel rechtsregels in de buurt komen. Het steunt op vier argumenten:
- Beschermd belang: in het publiekrecht staat het algemeen belang centraal, het privaatrecht
faciliteert de behartiging van particuliere belangen.
2