Paragraaf 2:
1. De levensbeschouwelijke betekenis van het woordje zin:
De betekenis en de waarde die de mens toekent aan bepaalde
gebeurtenissen en ervaringen.
2. Noem 3 voorbeelden van alledaagse zin:
1. Ik heb zin om te sporten
2. Ik heb geen zin om naar school te gaan
3. Ik heb zin om naar de stad te gaan
3. Noem 2 voorbeelden van existentiële zin:
1. Wat is de zin van het leven
2. Waarom ben ik op aarde
4. Noem 3 kenmerken van zinbeleving en noem van elk een
voorbeeld:
1. Zinbeleving is een situatie als waardevol ervaren: je kunt er een
of meer belangrijke waarde in nastreven. Bv: je vind sporten zinvol
omdat je de waarde gezondheid nastreeft.
2. Zinbeleving is herkenning en vertrouwen: je hebt een gevoel van
vertrouwdheid bij iets of iemand. Bv: je bent slachtoffer van geweld, het
tast het basisvertrouwen aan dat je hebt in de mens en de wereld.
3. Zinbeleving heeft te maken met fundamentele gevoelens van
willen en lust: bepaald gevoel van genot. Bv: je hebt ergens heel erg
veel zin in of wilt iets heel graag zoals een wedstrijd of gitarist worden.
5. Definitie van zinbeleving: is het gevoel dat het leven uiteindelijk de
moeite waard is.
6. Definitie van zingeving: een mens geeft een betekenis aan ervaringen
in zijn leven of aan zijn gehele bestaan.
7. 4 kenmerken van zingeving:
1. Zingeving is een actief proces
2. Transcendent (buiten deze wereld)
3. Immanent (op deze wereld)
4. Geen vanzelfsprekendheid
Paragraaf 3:
8. Wat heeft zinbeleving te maken met geluk? Als je leven de moeite
waard is of als je zinvol bezig bent volgens jou ben je gelukkig
9. Definitie van geluk: een gevoel van een geestelijk welzijn van een mens
als uitdrukking van een evenwicht met zichzelf en zijn omgeving.
10. Definitie van genot: een gevoel van plezier bij een bepaalde
ervaring.
11. Noem 5 voorbeelden van hoe een mens genotservaringen op
kan doen:
1. Ervaringen met eten en drinken
2. Seksualiteit
3. Relaties met medemensen
4. Sportbeoefening
5. Muziek