Het portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw
gezien in een rechtshistorische spiegel
Rechtsgeschiedenis (RB0402) — 2026
, 1 Inleiding
Brugge is in het begin van de vijftiende eeuw een internationaal handels- en kunstcentrum:
kooplieden uit Duitsland, Frankrijk, Spanje en Italië — waaronder handelaren uit het Noord-
Italiaanse Lucca — drijven er handel. Jan van Eycks Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw
(1434) brengt handel, kunst en dit internationale karakter van Brugge samen, en geldt
kunsthistorisch als baanbrekend (Gombrich: de kunstenaar wordt voor het eerst 'ooggetuige' van de
werkelijkheid). Belangrijk voor de rechtsgeschiedenis is niet de kunsthistorische discussie zelf, maar
het feit dat kunsthistorici (Crowe/Cavalcaselle, 1857; Weale) hebben geprobeerd de
geportretteerden te identificeren als Arnolfini en diens echtgenote — een identificatie die
vervolgens weer werd tegengesproken toen bleek dat het Arnolfini-Cenami-huwelijk pas in 1447
plaatsvond, acht jaar ná Van Eycks dood. Dit hoofdstuk gebruikt het schilderij daarom niet om een
kunsthistorisch dispuut te beslechten, maar als ingang: een huwelijk tussen twee burgers uit Lucca,
woonachtig in Brugge en actief in de driehoek Parijs-Londen-Brussel, heeft kenmerken die we nu
'internationaal privaatrechtelijk' zouden noemen. Het IPR geeft regels over (1) welke rechter
bevoegd is in een internationale zaak, (2) welk nationaal recht hij moet toepassen, en (3) hoe
buitenlandse vonnissen erkend en ten uitvoer gelegd worden. Het hoofdstuk onderzoekt notariële
akten en historische gegevens over de Arnolfini-familie om de vroege ontwikkeling van het IPR in de
Nederlanden te reconstrueren.
2 Het internationaal privaatrecht in de vijftiende eeuw
De bakermat van het IPR is niet de vijftiende eeuw zelf, maar het veertiende-eeuwse Noord-Italië.
De oorzaak is structureel: intensief handelsverkeer én nauwe familierelaties tussen personen uit
verschillende stadsstaten, elk met een eigen recht, maakten regels noodzakelijk voor wie een
overeenkomst sloot met een partij uit een ándere stadsstaat. Politiek-historisch is er een concreet
keerpunt: na de overwinning in 1176 van de in de Lombardische bond verenigde stadsstaten op
keizer Frederik Barbarossa erkende de keizer de soevereiniteit van deze Italiaanse steden — pas als
soevereine, zelfstandige rechtskringen kon de vraag 'welk recht geldt hier' urgent worden (vergelijk
de investituurstrijd-achtergrond van het juridisch onderwijs in hoofdstuk 9: politieke machtsstrijd
creëert telkens weer concrete juridische vraagstukken). Met het vastleggen van het eigen recht van
de stadsstaten in de twaalfde eeuw, in de Statuten, werd het ius commune (het Romeins-canonieke
geleerde recht van hoofdstuk 9) subsidiair recht: het gold pas wanneer de eigen Statuten geen
antwoord gaven. Deze Statuten bevatten zowel bestuursrecht (functies/ambten in de stadsstaat) als
privaat- en strafrecht. Veelzeggend is de inhoudelijke spanning die dit opleverde: het erfrecht in de
Statuten was vaak gericht op het behoud van het familiekapitaal binnen één familie of clan, wat op
gespannen voet stond met het meer egalitaire erfrecht van het Romeinsrechtelijke ius commune —
een goed voorbeeld van hoe lokaal, praktisch recht kan botsen met het 'geleerde', universele recht
uit hoofdstuk 9.
De commentatoren Bartolus de Saxoferrato (1313/14–1357) en Baldus de Ubaldis (1327–1400) —
dezelfde Bartholisten die in hoofdstuk 9 voorkwamen als grondleggers van de praktijkgerichte mos
italicus — pakken dit botsingsprobleem juridisch-technisch aan. Bartolus maakt een drie-deling
(geen tweedeling!) in toepasselijke regelingen: (1) statuta realia — regels over zaken; hierop is de
wet van de plaats van ligging van toepassing; (2) statuta personalia — regels die op personen
betrekking hebben; hierop is de wet van de woonplaats van de persoon van toepassing; (3) een
gemengde vorm (statutum mixtum), waarbij het recht van het forum (de plaats van het gerecht)
toepasselijk is. De methode om te bepalen welke categorie van toepassing is, is opvallend
taalkundig: door een rechtsregel grammaticaal te ontleden — is het onderwerp van de zin een
persoon of een zaak? — bepaalt men of de regel ook buiten het eigen rechtsgebied
(extraterritoriaal) werkt. Bij een erfenis is het dilemma bij uitstek zichtbaar: geldt het recht van de