Lotte Claessens
,INLEIDING
ONDERWIJSKUNDE
‘Wat is onderwijskunde?’
- breed begrip -> niet enkel binnen schoolse context, ook bedrijfsopleidingen
- leeromgeving ontwerpen voor complexe leerdoelen (simulaties)
- manier van leren en lesgeven is afhankelijk van omgeving
- dingen aanleren op maat van publiek
- gebruik maken van technologie
- afhankelijk van beroep
Definitie: wetenschapsgebied dat zich op leren en instructie richt, dit binnen een grote variatie aan
formele en informele contexten. Het is toepasbaar op alle leeftijdsgroepen die leren in traditionele en
alternatieve contexten
Gelijkenissen -> leren en instructie centraal (het is niet zo dat als je instructie geeft, dat er wordt geleerd)
Verschillen -> (in)formeel en doelgroepen
Formele context: leren en instructie geregeld via wetten, decreten of interne regelgeving (bv: onderwijs)
Informele context: geen verplicht, systematisch of gereguleerd karakter (bv: opleiding tot animator)
Hoofddoel opleiding:
- onderwijskundig referentiekader toepassen (met welke bril kijk je naar een situatie)
- theorie toepassen in concrete situaties en casussen
THEMA 1: REFERENTIEKADER
LEREN EN INSTRUCTIE VANDAAG
Veel aandacht in pers
Veel controverses en mythes
Iedereen mening o.b.v. eigen ervaring
Te weinig aandacht voor bewijslast
Te vaak simplistische visie (reductionisme)
ADVANCE ORGANIZER
Onderwijskunde combineert invloed van actoren, processen en variabelen
Elke onderwijskundige setting zullen actoren, processen en variabelen op unieke manier elkaar inspelen
1
,Actoren: concrete personen, organisaties die ze vertegenwoordigen of organisatie zelf
Processen: zaken die overheen de tijd lopen, instructie- of leerprocessen
Variabelen: kenmerken die verschillende waarden kunnen hebben
AGGREGATIENIVEAUS BINNEN ONDERWIJS
Micro: betrekking op concrete leer- en instructiesituatie (bv: klas)
Meso: betrekking op school, organisatie of bedrijf
Macro: omvat alles wat compleet systeem beïnvloedt en dus invloed heeft op meso- en microniveau
Elke actor neemt bepaalde plaats in en standpunten van actoren beïnvloed door die plaats
Lesgevers zullen in discussie dus anders reageren dan ouders, leerlingen of politici
Dit is de reden dat actoren ook stakeholders (belanggroepen) worden genoemd
ANDERE ORGANISATIEDIMENSIES
Actoren:
- concrete personen of organisaties (bv: ouders, schoolbestuur, vakbonden)
- stakeholders die bepaalde rollen op zich nemen (bv: IV, lerende, wetgever, onderzoeker ...)
- kenmerken: niet neutraal (brengen kenmerken mee die standpunt, rol, … beïnvloeden)
- begeleiding: voorzieningen ondersteunen hen in rol bij leer- en instructieproces
Organisatie:
- beïnvloed impact van actoren, variabelen en processen bij leren en instructie
- bv: tijd, ruimte, budget
Didactisch handelen:
- activiteiten die actoren opzetten om leeractiviteiten uit te lokken
- actoren hebben verschillende visie op opzetten van instructie
- componenten: doelstellingen, leerstof, instructieactiviteiten, media en toetsing
Leeractiviteiten:
- men verwacht dat lln. gewenste leeractiviteiten vertonen die aansluiten bij didactisch handelen
- bv: vakantiekamp vs ingangsexamen geneeskunde
Context:
- alle invloeden die buiten instructiesetting staan
- (on)rechtstreeks invloed op onderwijskundige thema’s
REFERENTIEKADER
Onderwijskundig referentiekader ligt niet vast (eerder voorstel actoren, processen en variabelen ordenen)
Wordt gebruikt bij maken van beslissingen binnen onderwijskunde
Helpt om keuzes te maken voor invulling concrete processen en variabelen bij actoren
2
, EVIDENCE-BASED ONDERWIJSKUNDIG REFERENTIEKADER
Evidence-based: gebaseerd op gegevens uit wetenschappelijk onderzoek
In onderzoek worden meta-analyses gebruikt (studies die resultaten van andere studie samenvatten)
Verschillende meta-analyses:
- focus op specifieke actoren, processen en variabelen
- eerder overkoepelende kijk (kijken hoe ze samenhangen met leerprestaties)
EFFECT SIZES ALS ONDERZOEKSINDICATOREN
Effect size = effectgrootte = d
‘d’ verwijst naar aantal standaarddeviaties dat leerprestaties opschuiven
Kijken of bepaalde uitkomsten van onderzoeken niet aan toeval wijten zijn a.d.h.v. significantiewaarde p
Berekening van effect sizes houdt rekening met verschillen in spreiding
Vuistregel volgens Hattie: d = .40
Hij beschouwt onderzoek als zinnig wanneer effect size van onderzoek boven .40 ligt
ONDERWIJSKUNDIG REFERENTIEKADER OP MICRONIVEAU
Leren en instructie: concrete, direct observeerbare activiteit
Directe interactie tussen IV en lerenden
Actoren:
- leerkracht, trainer, …
- verantwoordelijk voor proces
- bepaalde kenmerken (bv: leeftijd, interesse, …)
3