Tutorial rechtspersoonlijkheid,
vertegenwoordiging en aansprakelijkheid
personenvennootschappen
Wetgeving en voorontwerp
Boek 7A BW (met name art. 7A:1655, 1676, 1679, 1680, 1681 en 1682
BW).
WvK (met name art. 15, 16, 17, 18 WvK).
Tweede Ambtelijk voorontwerp (met name art. 800, 803, 804, 810, 813,
814)
Rechtspraak
HR 2013 (Biek Holding)
HR 2015 (Carlande)
HR 2019 (UWV/Bewindvoerder X)
Vragen
1. Wat speelt er in deze rechtspraak?
2. Wanneer is een vennoot van een maatschap of een vof gebonden aan of
aansprakelijk voor vennootschapsverbintenissen?
3. Wat zijn knelpunten in het huidige systeem van vertegenwoordiging en
aansprakelijkheid van vennoten in een maatschap of een vof?
4. Wat verandert er aan het antwoord op vraag 2 met het Tweede
Ambtelijk
Voorontwerp?
5. Zijn er nog verbeteringen mogelijk ten aanzien van het Tweede
Ambtelijk
Voorontwerp, en zo ja, welke?
,Biek Holding (NJ 2013 290)
In het arrest Biek Holding/A c.s. stond de aansprakelijkheid van de
vennoten van een advocatenmaatschap voor een door een van de
vennoten gemaakte beroepsfout centraal.
De feiten
Biek had een aantal opdrachten tot het uitvoeren van werkzaamheden
verstrekt aan deze maatschap
A was via zijn BV als vennoot (en advocaat) aan de maatschap
verbonden. Daarnaast werkten er nog vier advocaten (B, C, D en E) in
de maatschap, allen via een praktijkvennootschap aan de maatschap
verbonden.
o De advocaten waren dus niet persoonlijk maat, maar hun BV’s.
A had vervolgens uitvoering gegeven aan de overeenkomst van
opdracht en in zijn hoedanigheid van advocaat werkzaamheden
verricht voor Biek.
Toen A hierbij bepaalde termijnen overschreed en daarmee volgens
Biek beroepsfouten beging, stelde Biek de maatschap en al haar
vennoten aansprakelijk voor de door hem geleden schade.
Ten tijde van de dagvaarding in eerste instantie stonden de namen van
A c.s. op het briefpapier van de maatschap. In feite bestond de
maatschap ten tijde van de dagvaarding echter uit hun BV’s.
Beoordeling van het gerechtshof
Het Gerechtshof Amsterdam wees de vorderingen van Biek af.
Volgens het hof had Biek namelijk niet de individuele vennoten, maar
de maatschap moeten dagvaarden omdat laatstgenoemde de
contractuele wederpartij van Biek was.
Daartoe had Biek volgens het hof de dagvaarding hetzij aan de
maatschap kunnen uitbrengen, hetzij aan vennoten van de maatschap:
de praktijkvennootschappen. Het dagvaarden van de natuurlijke
personen was volgens het hof echter niet toereikend
In cassatie
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Gerechtshof Amsterdam bijna
op alle punten.
In het arrest van de Hoge Raad liepen twee grondslagen voor
aansprakelijkheid naast elkaar:
1. De aansprakelijkheid van de maten die volgt uit de specifieke
bepalingen over de maatschap in boek 7A BW (art. 7A:1679-1681
BW).
2. De aansprakelijkheid voortvloeiende uit de (specifieke)
overeenkomst van opdracht.
Uit dit arrest blijkt dus dat deze twee gronden naast elkaar kunnen
bestaan.
,De Hoge Raad overwoog het volgende t.a.v. de aansprakelijkheid van de
vennoten van een maatschap:
‘De maatschap heeft geen rechtspersoonlijkheid. Indien een
overeenkomst wordt gesloten met een maatschap, zijn daarom de
individuele maten jegens de wederpartij persoonlijk aansprakelijk voor de
nakoming van de daaruit voortvloeiende verplichtingen van de
maatschap.’
Is sprake van een deelbare prestatie, dan zijn de maten aansprakelijk
voor gelijke delen (7A:1679-1681 BW).
- Deelbare prestatie = wat makkelijk te splitsen is, zoals een
geldbedrag.
Ingeval evenwel, zoals hier, sprake is van een door de maatschap
aanvaarde opdracht, dan is op grond van art. 7:407 lid 2 BW iedere maat
jegens de opdrachtgever aansprakelijk voor het geheel.
Dus schuldeiser mag dus één of meerdere maten aanspreken voor het
geheel (privévermogen).
Daarnaast kun je ook de maatschap in zijn geheel aanspreken (dus het
vermogen van de maatschap).
Aangezien een maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, dienen
dergelijke vorderingen te worden ingesteld tegen de gezamenlijke
(rechts)personen die ten tijde van de dagvaarding maat zijn.
‘De mogelijkheid om aldus de maatschap in rechte te betrekken doet niet
af aan de daarnaast bestaande (en eventueel daarmee te combineren)
mogelijkheid om de individuele (rechts)personen die ten tijde van het
sluiten van de overeenkomst maat waren, in rechte te betrekken ter zake
van hun hiervoor genoemde persoonlijke aansprakelijkheid. De
schuldeisers van de maatschap hebben dus zowel de mogelijkheid van het
aanspreken van de gezamenlijke maten (met de mogelijkheid van het
verhaal op het maatschapsvermogen) als van het aanspreken van de
individuele (rechts)personen die ten tijde van het aangaan van de
overeenkomst partij waren (met de mogelijkheid van verhaal op hun
privévermogens).’
De Hoge Raad gaat vervolgens in op de vraag of Biek BV de advocaat
persoonlijk mocht aanspreken, het korte antwoord is ja dat mag.
, Het Nederlandse
personenvennootschapsrecht
Paragraaf 1.5 Geen rechtspersoon
De personenvennootschap is geen rechtspersoon. Zij is dus niet
zelfstandig draagster van rechten en verplichtingen en staat wat het
vermogensrecht betreft niet, zoals art. 2:5 BW het uitdrukt, gelijk aan een
natuurlijk persoon.
Toch is zij méér dan de optelsom van de individuele vennoten alleen;
rechtens komt haar een zekere zelfstandigheid toe. Een vennootschap
onder firma komt een afgescheiden vermogen toe, waardoor
vennootschapscrediteuren een verhaalsexclusiviteit hebben op het
vermogen van ‘de vennootschap’.
Ook het feit dat een personenvennootschap op eigen naam failliet kan
worden verklaard en dat zij op eigen naam in rechte kan optreden, en dus
zelf kan dagvaarden en gedagvaard kan worden, wijst in deze richting. Dat
zelfde geldt voor de omstandigheid dat een veroordelend vonnis tegen de
vennootschap niet tegen de vennoten in privé ten uitvoer gelegd kan
worden,
De personenvennootschap is daarmee, hoewel geen rechtspersoon,
gepersonifieerd en losgemaakt van de aan haar ten grondslag liggende
overeenkomst.
Het ontbreken van rechtspersoonlijkheid brengt mee dat een VOF niet
zelfstnadig draagster is van subjectieve rechten en verplichtingen.
Wanneer een vennoot handelt in de naam van een VOF dan handelt hij
namens de gezamenlijke vennoten en bindt hij de gezamenlijke vennoten.
Een overeenkomst met de VOF moet dan ook volgens de HR worden
aangemerkt als een overeenkomst met de gezamenlijke vennoten in hun
hoedanigheid van vennoten en daarmee met iedere vennoot afzonderlijk.
De – niet heel bevredigende – conclusie moet zijn dat de v.o.f., en
hetzelfde geldt voor de maatschap en de c.v., naar huidig recht niet als
een zelfstandige rechtsdrager, of afzonderlijk rechtssubject, is aan te
merken, maar wel meer is dan de optelsom van de individuele vennoten.
vertegenwoordiging en aansprakelijkheid
personenvennootschappen
Wetgeving en voorontwerp
Boek 7A BW (met name art. 7A:1655, 1676, 1679, 1680, 1681 en 1682
BW).
WvK (met name art. 15, 16, 17, 18 WvK).
Tweede Ambtelijk voorontwerp (met name art. 800, 803, 804, 810, 813,
814)
Rechtspraak
HR 2013 (Biek Holding)
HR 2015 (Carlande)
HR 2019 (UWV/Bewindvoerder X)
Vragen
1. Wat speelt er in deze rechtspraak?
2. Wanneer is een vennoot van een maatschap of een vof gebonden aan of
aansprakelijk voor vennootschapsverbintenissen?
3. Wat zijn knelpunten in het huidige systeem van vertegenwoordiging en
aansprakelijkheid van vennoten in een maatschap of een vof?
4. Wat verandert er aan het antwoord op vraag 2 met het Tweede
Ambtelijk
Voorontwerp?
5. Zijn er nog verbeteringen mogelijk ten aanzien van het Tweede
Ambtelijk
Voorontwerp, en zo ja, welke?
,Biek Holding (NJ 2013 290)
In het arrest Biek Holding/A c.s. stond de aansprakelijkheid van de
vennoten van een advocatenmaatschap voor een door een van de
vennoten gemaakte beroepsfout centraal.
De feiten
Biek had een aantal opdrachten tot het uitvoeren van werkzaamheden
verstrekt aan deze maatschap
A was via zijn BV als vennoot (en advocaat) aan de maatschap
verbonden. Daarnaast werkten er nog vier advocaten (B, C, D en E) in
de maatschap, allen via een praktijkvennootschap aan de maatschap
verbonden.
o De advocaten waren dus niet persoonlijk maat, maar hun BV’s.
A had vervolgens uitvoering gegeven aan de overeenkomst van
opdracht en in zijn hoedanigheid van advocaat werkzaamheden
verricht voor Biek.
Toen A hierbij bepaalde termijnen overschreed en daarmee volgens
Biek beroepsfouten beging, stelde Biek de maatschap en al haar
vennoten aansprakelijk voor de door hem geleden schade.
Ten tijde van de dagvaarding in eerste instantie stonden de namen van
A c.s. op het briefpapier van de maatschap. In feite bestond de
maatschap ten tijde van de dagvaarding echter uit hun BV’s.
Beoordeling van het gerechtshof
Het Gerechtshof Amsterdam wees de vorderingen van Biek af.
Volgens het hof had Biek namelijk niet de individuele vennoten, maar
de maatschap moeten dagvaarden omdat laatstgenoemde de
contractuele wederpartij van Biek was.
Daartoe had Biek volgens het hof de dagvaarding hetzij aan de
maatschap kunnen uitbrengen, hetzij aan vennoten van de maatschap:
de praktijkvennootschappen. Het dagvaarden van de natuurlijke
personen was volgens het hof echter niet toereikend
In cassatie
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Gerechtshof Amsterdam bijna
op alle punten.
In het arrest van de Hoge Raad liepen twee grondslagen voor
aansprakelijkheid naast elkaar:
1. De aansprakelijkheid van de maten die volgt uit de specifieke
bepalingen over de maatschap in boek 7A BW (art. 7A:1679-1681
BW).
2. De aansprakelijkheid voortvloeiende uit de (specifieke)
overeenkomst van opdracht.
Uit dit arrest blijkt dus dat deze twee gronden naast elkaar kunnen
bestaan.
,De Hoge Raad overwoog het volgende t.a.v. de aansprakelijkheid van de
vennoten van een maatschap:
‘De maatschap heeft geen rechtspersoonlijkheid. Indien een
overeenkomst wordt gesloten met een maatschap, zijn daarom de
individuele maten jegens de wederpartij persoonlijk aansprakelijk voor de
nakoming van de daaruit voortvloeiende verplichtingen van de
maatschap.’
Is sprake van een deelbare prestatie, dan zijn de maten aansprakelijk
voor gelijke delen (7A:1679-1681 BW).
- Deelbare prestatie = wat makkelijk te splitsen is, zoals een
geldbedrag.
Ingeval evenwel, zoals hier, sprake is van een door de maatschap
aanvaarde opdracht, dan is op grond van art. 7:407 lid 2 BW iedere maat
jegens de opdrachtgever aansprakelijk voor het geheel.
Dus schuldeiser mag dus één of meerdere maten aanspreken voor het
geheel (privévermogen).
Daarnaast kun je ook de maatschap in zijn geheel aanspreken (dus het
vermogen van de maatschap).
Aangezien een maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, dienen
dergelijke vorderingen te worden ingesteld tegen de gezamenlijke
(rechts)personen die ten tijde van de dagvaarding maat zijn.
‘De mogelijkheid om aldus de maatschap in rechte te betrekken doet niet
af aan de daarnaast bestaande (en eventueel daarmee te combineren)
mogelijkheid om de individuele (rechts)personen die ten tijde van het
sluiten van de overeenkomst maat waren, in rechte te betrekken ter zake
van hun hiervoor genoemde persoonlijke aansprakelijkheid. De
schuldeisers van de maatschap hebben dus zowel de mogelijkheid van het
aanspreken van de gezamenlijke maten (met de mogelijkheid van het
verhaal op het maatschapsvermogen) als van het aanspreken van de
individuele (rechts)personen die ten tijde van het aangaan van de
overeenkomst partij waren (met de mogelijkheid van verhaal op hun
privévermogens).’
De Hoge Raad gaat vervolgens in op de vraag of Biek BV de advocaat
persoonlijk mocht aanspreken, het korte antwoord is ja dat mag.
, Het Nederlandse
personenvennootschapsrecht
Paragraaf 1.5 Geen rechtspersoon
De personenvennootschap is geen rechtspersoon. Zij is dus niet
zelfstandig draagster van rechten en verplichtingen en staat wat het
vermogensrecht betreft niet, zoals art. 2:5 BW het uitdrukt, gelijk aan een
natuurlijk persoon.
Toch is zij méér dan de optelsom van de individuele vennoten alleen;
rechtens komt haar een zekere zelfstandigheid toe. Een vennootschap
onder firma komt een afgescheiden vermogen toe, waardoor
vennootschapscrediteuren een verhaalsexclusiviteit hebben op het
vermogen van ‘de vennootschap’.
Ook het feit dat een personenvennootschap op eigen naam failliet kan
worden verklaard en dat zij op eigen naam in rechte kan optreden, en dus
zelf kan dagvaarden en gedagvaard kan worden, wijst in deze richting. Dat
zelfde geldt voor de omstandigheid dat een veroordelend vonnis tegen de
vennootschap niet tegen de vennoten in privé ten uitvoer gelegd kan
worden,
De personenvennootschap is daarmee, hoewel geen rechtspersoon,
gepersonifieerd en losgemaakt van de aan haar ten grondslag liggende
overeenkomst.
Het ontbreken van rechtspersoonlijkheid brengt mee dat een VOF niet
zelfstnadig draagster is van subjectieve rechten en verplichtingen.
Wanneer een vennoot handelt in de naam van een VOF dan handelt hij
namens de gezamenlijke vennoten en bindt hij de gezamenlijke vennoten.
Een overeenkomst met de VOF moet dan ook volgens de HR worden
aangemerkt als een overeenkomst met de gezamenlijke vennoten in hun
hoedanigheid van vennoten en daarmee met iedere vennoot afzonderlijk.
De – niet heel bevredigende – conclusie moet zijn dat de v.o.f., en
hetzelfde geldt voor de maatschap en de c.v., naar huidig recht niet als
een zelfstandige rechtsdrager, of afzonderlijk rechtssubject, is aan te
merken, maar wel meer is dan de optelsom van de individuele vennoten.