Probleem 1
Partijen
- Koen
- Firas
Probleemstelling
Wanneer is er sprake van mishandeling?
Wanneer ben je strafbaar?
Is Koen een verdachte?
Leerdoelen
Wie kan wanneer als verdachte worden aangemerkt?
Bij een strafrechtelijk onderzoek zal moeten worden vastgesteld of er inderdaad een strafbaar feit is
begaan en wie voor dat strafbare feit aansprakelijk is. Er moet dus sprake zijn van een verdenking en
een verdachte (de vermoedelijke dader). Tot op het moment van de veroordeling wordt uitgegaan
van de onschuld van de verdachte, de onschuldpresumptie.
Als verdachte wordt aangemerkt (art. 27 lid 1 Sv):
Degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld
aan een strafbaar feit toekomt;
Daarna wordt als verdachte aangemerkt degene tegen wie de vervolging is gericht.
Het eerste lid is een materieel criterium: op grond van inhoudelijke overwegingen moet worden
beoordeeld of een persoon als verdachte kan worden aangemerkt. Het tweede lid is een formeel
criterium.
Er moet sprake zijn van een redelijk vermoeden, geen zekerheid. Wel moet het redelijk vermoeden
gebaseerd zijn op feiten en niet op een voorgevoel. Soms valt het moment van verdenking en het
moment dat iemand verdacht wordt samen. Soms ook niet.
Hoe is een strafbepaling opgebouwd?
De strafbepaling in de meest volledige vorm bestaat uit:
- Een delictsomschrijving
De delictsomschrijving geeft aan welke ongewenste gedraging de wet strafbaar wilt stellen. Niet alle
strafbepalingen kennen een dergelijke duidelijke omschrijving van het strafbare gedrag.
- Een kwalificatie-aanduiding
De kwalificatie-aanduiding maakt duidelijk hoe het gedrag in juridisch opzicht moet worden
benoemd. Niet alle strafbepalingen kennen een kwalificatie-aanduiding of wordt deze geacht
besloten te liggen in de delictsomschrijving. Een voorbeeld is art. 300 lid 1 Sr:
Mishandeling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of gelboete van de
vierde categorie.
, - Strafbedreiging
De strafbedreiging bepaalt welke soort straf mag worden opgelegd en wat het maximum daarbij is.
Een voorbeeld is art. 225 lid 1 Sr.
In bijzondere wetten zijn strafbepalingen anders opgebouwd. De delictsomschrijving en de
strafbedreiging zijn vaak uit elkaar getrokken. Daarbij is de delictsomschrijving vaak beschreven als
een verbod in plaats van een gedraging. Een voorbeeld is de art. 2 a Opiumwet en art. 10 lid 5
Opiumwet.
Wanneer is een gedraging een strafbaar feit?
Een gedraging is een strafbaar feit als er is voldaan aan vier componenten, vierlagenmodel
(cumulatieve voorwaarden):
- Menselijke gedraging
De gedraging moet verricht zijn door een mens. Alleen personen kunnen vervolgd en gestraft worden
voor het plegen van strafbare feiten. Dit kunnen zowel natuurlijke personen als rechtspersonen zijn.
Verder moet het gaan om een gedraging. Niemand kan vervolgd of gestraft worden voor het hebben
van bepaalde gedachten. Dit is namelijk een persoonlijke aangelegenheid en moet altijd gevrijwaard
zijn van overheidsinmenging. Pas wanneer iemand door middel van een gedraging geheel of
gedeeltelijk uitvoering geeft aan dergelijke voornemens, is voldaan aan deze voorwaarde. Niet alleen
actief optreden kan als gedraging worden aangemerkt. In sommige gevallen kan ook het nalaten om
actief op te treden een strafbare gedraging opleveren.
De menselijke gedraging zal uiteindelijk tot uitdrukking moeten komen in de tenlastelegging. De
tenlastelegging is een processtuk waarin staat beschreven welke gedraging de verdachte, volgens de
officier van justitie zou hebben verricht. De feiten in de tenlastelegging zijn de feiten die aan de
verdachte verweten worden en waarvoor hij terecht moet staan.
Het is aan de rechter om te onderzoeken of de verdachte hetgeen in de tenlastelegging staat ook
daadwerkelijk heeft gedaan, art. 350 Sv. Als dit niet bewezen kan worden, dan zal de rechter hem
moeten vrijspreken, art. 352 lid 1 Sv.
- Wettelijke delictsomschrijving
Gedragingen zijn pas strafbaar als zij in de strafwet terug te vinden zijn, legaliteitsbeginsel. Niet alle
strafbepalingen zijn precies terug te vinden in de wet. Het is voor de wetgever onmogelijk om alle
denkbare strafbare gedragingen expliciet in de wet op te nemen. Als de menselijke gedraging niet
beantwoordt aan de (algemene) bewoordingen van een delictsomschrijving, is een strafbaar feit
uitgesloten.
In iedere individuele strafzaak zal de rechter de bewezen verklaarde feitelijke gedraging uit de
tenlastelegging juridisch moeten benoemen, kwalificatie, art. 350 Sv. De rechter moet na de
vaststelling dat de verdachte het feit heeft begaan (bewezenverklaring) bepalen welke wettelijke
delictsomschrijving precies van toepassing is op het bewezenverklaarde. Als de rechter het
bewezenverklaarde niet kan kwalificeren, zal hij de verdachte moeten ontslaan van alle
rechtsvervolging.
- Wederrechtelijkheid