VOORTPLANTING
1. Kernbegrippen
Seksuele voortplanting
Productie van haploïde gameten (n) via meiose.
Versmelting van gameten → diploïde zygote (2n).
Zygote ontwikkelt via mitose tot nieuw organisme.
Zorgt voor genetische variatie.
Aseksuele voortplanting
Geen versmelting van gameten.
Nakomelingen genetisch identiek aan ouder.
Mechanismen:
o Fragmentatie
o Splijting
o Knopvorming
o Regeneratie
2. Speciale voortplantingsstrategieën
Parthenogenese
Nakomelingen uit onbevruchte eieren.
Vooral arthropoden.
Bij sommige soorten afwisseling seksuele ↔ aseksuele voortplanting.
Hermafroditisme
Individu bezit zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen.
Zelfbevruchting mogelijk.
Meestal kruisbevruchting.
Sequentieel hermafroditisme
Term Betekenis
Protogynie vrouw → man
Protandrie man → vrouw
3. Geslachtsdeterminatie
Omgevingsafhankelijk
Sommige vissen
Sommige reptielen
, Temperatuur kan geslacht bepalen.
Zoogdieren
XX
→ ovaria
XY
→ testes
SRY-gen
Sex Determining Region of Y
Belangrijk:
Embryonale gonaden eerst ongedifferentieerd.
Na ±40 dagen differentiëren gonaden.
Aanwezigheid van SRY → testisontwikkeling.
Afwezigheid van SRY → ovariumontwikkeling.
Het sperma bepaalt het geslacht van het embryo.
4. Bevruchting bij vertebraten
Externe bevruchting
Buiten het lichaam.
Vooral beenvissen.
Eicellen + sperma worden vrijgezet in water.
Interne bevruchting
Sperma in vrouwelijk voortplantingskanaal.
Adaptatie aan leven op land.
5. Ontwikkelingsstrategieën
Strategie Kenmerk
Ovipariteit Ei ontwikkelt buiten moeder
Ovovivipariteit Ei ontwikkelt binnen moeder, voeding uit dooier
Vivipariteit Ontwikkeling binnen moeder + voedseluitwisseling
Ezelsbrug
Ovi = ei
Vivi = levend
6. Overzicht gewervelden
Groep Bevruchting Ontwikkeling
Beenvissen Extern meestal ovipaar
Kraakbeenvissen Intern vaak vivipaar
Amfibieën Extern eieren in water