4.1 Psychopathology in middle childhood & adolescence
Project 1 - Autism Spectrum Disorder
(V1) Literatuur 1 - Cognitive Development in Early Childhood (DeHart et al., 2004)
Introduction
Als baby’s begrijpen kinderen de wereld door deze waar te nemen en erop te handelen (door te zien, horen,
voelen, proeven en doen)
● In de peutertijd ontstaat mentale representatie, waardoor kinderen kunnen nadenken over dingen die
niet fysiek aanwezig zijn
● Peuters kunnen zich de gevolgen van een handeling voorstellen zonder deze daadwerkelijk uit te
voeren, en ze ontwikkelen het vermogen om symbolen te combineren om meer complexe ideeën uit te
drukken
● Kleuters proberen de wereld op een nog geavanceerder niveau te begrijpen, door te onderzoeken hoe
dingen werken en waarom gebeurtenissen plaatsvinden
● Nieuwe vaardigheden verschijnen niet uit het niets, maar bouwen voort op mogelijkheden die het kind al
heeft
Enkele belangrijke thema’s
1) Tijdens de kleuterjaren blijven kinderen actieve deelnemers in hun eigen ontwikkeling
● Ze verkennen de wereld actief, maar construeren ook een begrip ervan
● Vooruitgang van het observeren en beschrijven van gebeurtenissen naar het proberen
verklaren ervan
● Voortdurende zoektocht naar algemene patronen en regels
2) De voortdurende wisselwerking tussen de zich ontwikkelende capaciteiten van kinderen en de
omgeving
● Hierdoor kunnen zij op nieuwe manieren met de omgeving omgaan en nieuwe vormen van
sociale interactie aangaan
● Zowel volwassenen als leeftijdsgenoten geven kinderen voortdurend feedback
3) Specificiteit versus generaliteit
● Domeinspecificiteit en culturele specificiteit zijn belangrijke thema’s
4) Cognitieve beperkingen
● Moeite met het integreren van meerdere stukjes informatie
○ Centration: de neiging om slechts één stukje informatie in overweging te nemen
wanneer meerdere relevant zijn
● Moeite met het onderscheiden van schijn en werkelijkheid
○ Appearance-reality problem: de neiging om de werkelijkheid te definiëren adhv
uiterlijke kenmerken
● Moeite met het beheersen van aandachts- en geheugenprocessen
Piaget stelde dat het denken van kleuters wordt gekenmerkt door egocentrisme → een onvermogen om het
perspectief van een ander in te nemen
● Tegenwoordig weten we dat egocentrisme bij jonge kinderen niet absoluut is
● Of jonge kinderen bepaalde vaardigheden laten zien, hangt deels af van de moeilijkheidsgraad van de
taak
1
,Preschoolers’ reasoning abilities
Piaget
Preoperational period (2-7 jaar): kinderen kunnen nog geen logische operaties gebruiken in hun redeneringen →
hun vermogen tot mentale representatie heeft hen voorbij de sensomotorische wereld van de babyfase gebracht,
maar hun denken is nog niet logisch consistent of systematisch
Reasoning about causation
1) Causal reasoning level 1: kinderen gebruiken observaties om een begrip van de wereld op te bouwen,
maar de werkelijkheid wordt gedefinieerd door oppervlakkige schijn
2) Causal reasoning level 2: kinderen verwijzen vaak naar een almachtige kracht die objecten en
gebeurtenissen bestuurt
3) Causal reasoning level 3: kinderen beginnen oorzaken in de natuur te gebruiken om natuurlijke
fenomenen te verklaren, maar die oorzaken zijn vaak onwaarschijnlijk
4) Causal reasoning level 4: kinderen naderen een volwassen verklaring, ook al is hun uitleg nog
onvolledig
Kleuters hebben de vaardigheden om goede verklaringen te geven als het gaat om eenvoudige en vertrouwde
dingen. Ze missen echter een abstract begrip van wat een plausibele oorzaak is
Tussen de 3 en 4 jaar beginnen kinderen sommige schijnbaar onmogelijke gebeurtenissen te verklaren door te
verwijzen naar bovennatuurlijke krachten. Zodra kinderen naar school gaan, neemt het gebruik van dit soort
“magisch” redeneren snel af, doordat hun causaal begrip en kennis van de wereld toenemen, en de steun voor
magisch denken van ouders, leerkrachten en leeftijdsgenoten afneemt
Reasoning about living and nonliving things
Piaget stelde dat het denken van jonge kinderen wordt gekenmerkt door animisme → de neiging om leven toe te
schrijven aan niet-levende dingen
● Later onderzoek heeft echter aangetoond dat kleuters wel degelijk duidelijke onderscheidingen maken
in hun redeneringen over levende en niet-levende dingen
● Rond 6 jaar wordt hun begrip van de verschillen tussen levend en niet-levend specifieker, consistenter en
coherenter
Concepts of conservation
Omvatten het algemene idee dat de hoeveelheid van iets hetzelfde blijft, of wordt behouden, ondanks
veranderingen in vorm, gedaante of uiterlijk
● Conservation of liquid volume: het idee dat de totale hoeveelheid vloeistof hetzelfde blijft, ook al
verandert de vorm wanneer het in verschillende vaten wordt gegoten
● Conservation of number: het idee dat het aantal objecten in een groep hetzelfde blijft, ook al worden die
objecten verplaatst
● Conservation of mass: het idee dat de hoeveelheid materie hetzelfde blijft, ondanks veranderingen in de
vorm
● Conservation of length: het idee dat de lengte van iets hetzelfde blijft, ongeacht of het recht, gebogen of
gedraaid is
Het experiment illustreert twee beperkingen van het denken van kleuters
1) Kinderen worden misleid door de uiterlijke verschijning van de vloeistof in de glazen → door
oppervlakkige schijn te verwarren met de werkelijkheid, laten ze het appearance-reality problem zien
2) Door zich uitsluitend te richten op de hoogte van het water, tonen ze hun neiging tot centration
Een volwassen begrip van de concepten van conservatie ontstaat meestal pas in de middenkindertijd.
Bovendien begrijpen kinderen deze concepten niet allemaal tegelijk
2
,Kinderen doorlopen verschillende stadia in de conservation of liquid volume
1) 3-4 jaar: nonconservers → kinderen oordelen consistent over de hoeveelheid vloeistof obv de hoogte
(hoger = meer)
2) 5-6 jaar: transitional period → kinderen zijn minder stellig over welk glas
meer water bevat. Hun onzekerheid komt voort uit het vermogen om
nieuwe informatie in hun redenering te betrekken. Centratie beperkt hun
focus niet langer enkel tot hoogte of breedte; ze kunnen nu opeenvolgend
meer dan één dimensie overwegen
3) 7 jaar: mature conservation → kinderen beantwoorden de vragen van de
onderzoeker snel, zelfverzekerd en correct. Ze onderbouwen hun
antwoorden met een van de volgende verklaringen
● Compensation: dit glas is hoger maar smaller; het andere is lager maar breder; dus het is
hetzelfde
● Reversibility: als je het terug giet, is het weer hetzelfde
● Identity: het is nog steeds hetzelfde water
● The nothing added or subtracted criterion: je hebt het alleen in een ander glas gegoten
Piaget geloofde dat het begrip van conservatie afhing van zowel physical maturation als ervaring in de wereld →
pogingen om conservatie actief aan te leren zouden niet succesvol zijn
● Onderzoek bevestigde dit: het uitleggen van conservatiebegrippen aan jonge kinderen werkte niet
● Echter, wanneer kinderen in leersituaties werden geplaatst die specifiek waren ontworpen om hun
cognitieve beperkingen te helpen overwinnen, konden ze soms eerder dan normaal leren om
conservatieconcepten te begrijpen
⇒ Cognitieve ontwikkelingen zijn onderling afhankelijk
Concepts of number
Een besef van hoeveel objecten er zijn en hoe optellen, aftrekken en herschikken dit aantal beïnvloeden
● Kleuters antwoorden meestal dat de langere rij meer munten heeft → ze lijken te worden beïnvloed door
het uiterlijk van de langere rij
● De prestaties van kleuters verbeteren aanzienlijk wanneer het aantal objecten klein is
Understanding the effects of addition and subtraction
Kleuters hebben enig begrip van de effecten van optellen en aftrekken bij kleine aantallen. De regels die kinderen
van verschillende leeftijden gebruiken, verschillen in sophistication en effectiviteit
● 2-3 jaar: primitive rule → negeert het beginaantal objecten in elke groep en zegt altijd dat een groep
waaraan iets is toegevoegd nu meer heeft, en een groep waarvan iets is afgenomen nu minder
○ Geen begrip van getalsconservatie
● 4-5 jaar: qualitative rule → houdt rekening met het initiële verschil tussen de twee groepen, maar niet
met de omvang van dat verschil. Encodeert de groepen in puur kwalitatieve termen (minder dan, gelijk
aan, of meer dan). Leidt tot fouten wanneer het verschil tussen de beginreeksen groter is dan één
○ Wordt gezien als een overgangsstadium
● 6-7 jaar: quantitative rule → houdt rekening met de grootte van het verschil tussen de begingroepen.
Geeft consequent correcte antwoorden
○ Toont getalsconservatie en heeft Piagets stadium 3 bereikt
Veel onderzoeken tonen aan dat de verwerving van getalsconcepten eerder begint dan Piaget suggereerde en
zich ook langer uitstrekt
3
, Learning to count
Aan het einde van de vroege kindertijd kunnen de meeste kinderen consequent vijf à zes objecten correct tellen.
Gelman en Gallistel identificeerden vijf principes die kinderen beheersen bij het leren tellen
1) One-to-one principle: het idee dat elk object in een verzameling wordt gekoppeld aan precies één
telwoord
● 2- en 3-jarigen hebben moeite met dit principe: ze tellen sommige objecten meerdere keren of
slaan objecten over
2) Stable-order principle: het idee dat telwoorden in een vaste volgorde voorkomen wanneer ze aan
objecten worden gekoppeld
● Jonge kinderen gebruiken een stabiele volgorde voor kleinere getallen (één tot drie) en breiden
dit bereik uit in de loop van de kleuterjaren
3) Cardinal principle: het laatste telwoord in de telreeks geeft het totale aantal objecten in de verzameling
aan
● Kinderen gebruiken dit principe vanaf ongeveer 3 ½ jaar
4) Abstraction principle: het idee dat elke verzameling objecten telbaar is
5) Order-irrelevant principle: het idee dat het niet uitmaakt in welke volgorde dingen geteld worden
● Rond 5 jaar kunnen veel kinderen expliciet aangeven dat de telvolgorde er niet toe doet
⇒ Tegen het einde van de kleuterperiode begrijpen kinderen de vijf telprincipes en passen ze deze op een juiste
manier toe
Concepts of measurement
Kleuters hebben een intuïtief begrip van meten nog voordat ze conservatieproblemen correct oplossen
● Jonge kinderen maken meetfouten wanneer twee gelijke hoeveelheden er ongelijk uitzien
● Als misleidende perceptuele informatie ontbreekt, doen kleuters het vaak redelijk goed op eenvoudige
meettaken
● Toch is hun begrip van meten vooral kwalitatief: in de juiste omstandigheden kunnen ze correcte
oordelen vellen over relatieve grootte en aantal, maar ze kunnen dit nog niet combineren met hun
telvaardigheden om tot nauwkeurige, echt kwantitatieve metingen te komen. Ze hebben ook nog geen
goed begrip van abstracte maateenheden, zoals centimeters of meters
Summary
● Kleuters tonen meestal nog geen begrip van conservatie van hoeveelheden bij veranderingen in uiterlijk,
mede doordat ze geneigd zijn zich op slechts één aspect van een stimulus te richten
● Onderwijs kan leiden tot een stabiele verwerving van een nieuwe cognitieve vaardigheid, maar
waarschijnlijk pas nadat het kind een cognitief kader voor die vaardigheid heeft ontwikkeld
● Kleuters tonen al veel sofisticatie in hun redeneren over kleine aantallen
● Hun kwantitatieve redeneren is nog onvolwassen maar niet willekeurig: ze volgen bepaalde regels bij
het oplossen van kwantitatieve problemen, en de aard van deze regels verandert naarmate ze zich
ontwikkelen
Reasoning about classes and logical relations
Piaget’s onderzoek naar het opkomende logische redeneren bij kleuters richtte zich op drie vaardigheden
1) Classification: het vermogen om dingen te groeperen op basis van gedeelde kenmerken, zoals grootte
of vorm
2) Seriation: het vermogen om dingen in een logische volgorde te rangschikken, bijvoorbeeld van klein
naar groot of van oud naar nieuw
3) Transitive inference: het vermogen om de relatie tussen twee objecten af te leiden door hun respectieve
relatie tot een derde object te kennen
Piaget onderschatte de classificatie-, seriatie- en transitieve inferentievaardigheden van kleuters.
Toch zijn deze vaardigheden in de vroege kindertijd nog maar net in ontwikkeling, en het gebruik ervan wordt bij
kleuters belemmerd door: centration, appearance-reality problem en beperkingen in het geheugen
4
Project 1 - Autism Spectrum Disorder
(V1) Literatuur 1 - Cognitive Development in Early Childhood (DeHart et al., 2004)
Introduction
Als baby’s begrijpen kinderen de wereld door deze waar te nemen en erop te handelen (door te zien, horen,
voelen, proeven en doen)
● In de peutertijd ontstaat mentale representatie, waardoor kinderen kunnen nadenken over dingen die
niet fysiek aanwezig zijn
● Peuters kunnen zich de gevolgen van een handeling voorstellen zonder deze daadwerkelijk uit te
voeren, en ze ontwikkelen het vermogen om symbolen te combineren om meer complexe ideeën uit te
drukken
● Kleuters proberen de wereld op een nog geavanceerder niveau te begrijpen, door te onderzoeken hoe
dingen werken en waarom gebeurtenissen plaatsvinden
● Nieuwe vaardigheden verschijnen niet uit het niets, maar bouwen voort op mogelijkheden die het kind al
heeft
Enkele belangrijke thema’s
1) Tijdens de kleuterjaren blijven kinderen actieve deelnemers in hun eigen ontwikkeling
● Ze verkennen de wereld actief, maar construeren ook een begrip ervan
● Vooruitgang van het observeren en beschrijven van gebeurtenissen naar het proberen
verklaren ervan
● Voortdurende zoektocht naar algemene patronen en regels
2) De voortdurende wisselwerking tussen de zich ontwikkelende capaciteiten van kinderen en de
omgeving
● Hierdoor kunnen zij op nieuwe manieren met de omgeving omgaan en nieuwe vormen van
sociale interactie aangaan
● Zowel volwassenen als leeftijdsgenoten geven kinderen voortdurend feedback
3) Specificiteit versus generaliteit
● Domeinspecificiteit en culturele specificiteit zijn belangrijke thema’s
4) Cognitieve beperkingen
● Moeite met het integreren van meerdere stukjes informatie
○ Centration: de neiging om slechts één stukje informatie in overweging te nemen
wanneer meerdere relevant zijn
● Moeite met het onderscheiden van schijn en werkelijkheid
○ Appearance-reality problem: de neiging om de werkelijkheid te definiëren adhv
uiterlijke kenmerken
● Moeite met het beheersen van aandachts- en geheugenprocessen
Piaget stelde dat het denken van kleuters wordt gekenmerkt door egocentrisme → een onvermogen om het
perspectief van een ander in te nemen
● Tegenwoordig weten we dat egocentrisme bij jonge kinderen niet absoluut is
● Of jonge kinderen bepaalde vaardigheden laten zien, hangt deels af van de moeilijkheidsgraad van de
taak
1
,Preschoolers’ reasoning abilities
Piaget
Preoperational period (2-7 jaar): kinderen kunnen nog geen logische operaties gebruiken in hun redeneringen →
hun vermogen tot mentale representatie heeft hen voorbij de sensomotorische wereld van de babyfase gebracht,
maar hun denken is nog niet logisch consistent of systematisch
Reasoning about causation
1) Causal reasoning level 1: kinderen gebruiken observaties om een begrip van de wereld op te bouwen,
maar de werkelijkheid wordt gedefinieerd door oppervlakkige schijn
2) Causal reasoning level 2: kinderen verwijzen vaak naar een almachtige kracht die objecten en
gebeurtenissen bestuurt
3) Causal reasoning level 3: kinderen beginnen oorzaken in de natuur te gebruiken om natuurlijke
fenomenen te verklaren, maar die oorzaken zijn vaak onwaarschijnlijk
4) Causal reasoning level 4: kinderen naderen een volwassen verklaring, ook al is hun uitleg nog
onvolledig
Kleuters hebben de vaardigheden om goede verklaringen te geven als het gaat om eenvoudige en vertrouwde
dingen. Ze missen echter een abstract begrip van wat een plausibele oorzaak is
Tussen de 3 en 4 jaar beginnen kinderen sommige schijnbaar onmogelijke gebeurtenissen te verklaren door te
verwijzen naar bovennatuurlijke krachten. Zodra kinderen naar school gaan, neemt het gebruik van dit soort
“magisch” redeneren snel af, doordat hun causaal begrip en kennis van de wereld toenemen, en de steun voor
magisch denken van ouders, leerkrachten en leeftijdsgenoten afneemt
Reasoning about living and nonliving things
Piaget stelde dat het denken van jonge kinderen wordt gekenmerkt door animisme → de neiging om leven toe te
schrijven aan niet-levende dingen
● Later onderzoek heeft echter aangetoond dat kleuters wel degelijk duidelijke onderscheidingen maken
in hun redeneringen over levende en niet-levende dingen
● Rond 6 jaar wordt hun begrip van de verschillen tussen levend en niet-levend specifieker, consistenter en
coherenter
Concepts of conservation
Omvatten het algemene idee dat de hoeveelheid van iets hetzelfde blijft, of wordt behouden, ondanks
veranderingen in vorm, gedaante of uiterlijk
● Conservation of liquid volume: het idee dat de totale hoeveelheid vloeistof hetzelfde blijft, ook al
verandert de vorm wanneer het in verschillende vaten wordt gegoten
● Conservation of number: het idee dat het aantal objecten in een groep hetzelfde blijft, ook al worden die
objecten verplaatst
● Conservation of mass: het idee dat de hoeveelheid materie hetzelfde blijft, ondanks veranderingen in de
vorm
● Conservation of length: het idee dat de lengte van iets hetzelfde blijft, ongeacht of het recht, gebogen of
gedraaid is
Het experiment illustreert twee beperkingen van het denken van kleuters
1) Kinderen worden misleid door de uiterlijke verschijning van de vloeistof in de glazen → door
oppervlakkige schijn te verwarren met de werkelijkheid, laten ze het appearance-reality problem zien
2) Door zich uitsluitend te richten op de hoogte van het water, tonen ze hun neiging tot centration
Een volwassen begrip van de concepten van conservatie ontstaat meestal pas in de middenkindertijd.
Bovendien begrijpen kinderen deze concepten niet allemaal tegelijk
2
,Kinderen doorlopen verschillende stadia in de conservation of liquid volume
1) 3-4 jaar: nonconservers → kinderen oordelen consistent over de hoeveelheid vloeistof obv de hoogte
(hoger = meer)
2) 5-6 jaar: transitional period → kinderen zijn minder stellig over welk glas
meer water bevat. Hun onzekerheid komt voort uit het vermogen om
nieuwe informatie in hun redenering te betrekken. Centratie beperkt hun
focus niet langer enkel tot hoogte of breedte; ze kunnen nu opeenvolgend
meer dan één dimensie overwegen
3) 7 jaar: mature conservation → kinderen beantwoorden de vragen van de
onderzoeker snel, zelfverzekerd en correct. Ze onderbouwen hun
antwoorden met een van de volgende verklaringen
● Compensation: dit glas is hoger maar smaller; het andere is lager maar breder; dus het is
hetzelfde
● Reversibility: als je het terug giet, is het weer hetzelfde
● Identity: het is nog steeds hetzelfde water
● The nothing added or subtracted criterion: je hebt het alleen in een ander glas gegoten
Piaget geloofde dat het begrip van conservatie afhing van zowel physical maturation als ervaring in de wereld →
pogingen om conservatie actief aan te leren zouden niet succesvol zijn
● Onderzoek bevestigde dit: het uitleggen van conservatiebegrippen aan jonge kinderen werkte niet
● Echter, wanneer kinderen in leersituaties werden geplaatst die specifiek waren ontworpen om hun
cognitieve beperkingen te helpen overwinnen, konden ze soms eerder dan normaal leren om
conservatieconcepten te begrijpen
⇒ Cognitieve ontwikkelingen zijn onderling afhankelijk
Concepts of number
Een besef van hoeveel objecten er zijn en hoe optellen, aftrekken en herschikken dit aantal beïnvloeden
● Kleuters antwoorden meestal dat de langere rij meer munten heeft → ze lijken te worden beïnvloed door
het uiterlijk van de langere rij
● De prestaties van kleuters verbeteren aanzienlijk wanneer het aantal objecten klein is
Understanding the effects of addition and subtraction
Kleuters hebben enig begrip van de effecten van optellen en aftrekken bij kleine aantallen. De regels die kinderen
van verschillende leeftijden gebruiken, verschillen in sophistication en effectiviteit
● 2-3 jaar: primitive rule → negeert het beginaantal objecten in elke groep en zegt altijd dat een groep
waaraan iets is toegevoegd nu meer heeft, en een groep waarvan iets is afgenomen nu minder
○ Geen begrip van getalsconservatie
● 4-5 jaar: qualitative rule → houdt rekening met het initiële verschil tussen de twee groepen, maar niet
met de omvang van dat verschil. Encodeert de groepen in puur kwalitatieve termen (minder dan, gelijk
aan, of meer dan). Leidt tot fouten wanneer het verschil tussen de beginreeksen groter is dan één
○ Wordt gezien als een overgangsstadium
● 6-7 jaar: quantitative rule → houdt rekening met de grootte van het verschil tussen de begingroepen.
Geeft consequent correcte antwoorden
○ Toont getalsconservatie en heeft Piagets stadium 3 bereikt
Veel onderzoeken tonen aan dat de verwerving van getalsconcepten eerder begint dan Piaget suggereerde en
zich ook langer uitstrekt
3
, Learning to count
Aan het einde van de vroege kindertijd kunnen de meeste kinderen consequent vijf à zes objecten correct tellen.
Gelman en Gallistel identificeerden vijf principes die kinderen beheersen bij het leren tellen
1) One-to-one principle: het idee dat elk object in een verzameling wordt gekoppeld aan precies één
telwoord
● 2- en 3-jarigen hebben moeite met dit principe: ze tellen sommige objecten meerdere keren of
slaan objecten over
2) Stable-order principle: het idee dat telwoorden in een vaste volgorde voorkomen wanneer ze aan
objecten worden gekoppeld
● Jonge kinderen gebruiken een stabiele volgorde voor kleinere getallen (één tot drie) en breiden
dit bereik uit in de loop van de kleuterjaren
3) Cardinal principle: het laatste telwoord in de telreeks geeft het totale aantal objecten in de verzameling
aan
● Kinderen gebruiken dit principe vanaf ongeveer 3 ½ jaar
4) Abstraction principle: het idee dat elke verzameling objecten telbaar is
5) Order-irrelevant principle: het idee dat het niet uitmaakt in welke volgorde dingen geteld worden
● Rond 5 jaar kunnen veel kinderen expliciet aangeven dat de telvolgorde er niet toe doet
⇒ Tegen het einde van de kleuterperiode begrijpen kinderen de vijf telprincipes en passen ze deze op een juiste
manier toe
Concepts of measurement
Kleuters hebben een intuïtief begrip van meten nog voordat ze conservatieproblemen correct oplossen
● Jonge kinderen maken meetfouten wanneer twee gelijke hoeveelheden er ongelijk uitzien
● Als misleidende perceptuele informatie ontbreekt, doen kleuters het vaak redelijk goed op eenvoudige
meettaken
● Toch is hun begrip van meten vooral kwalitatief: in de juiste omstandigheden kunnen ze correcte
oordelen vellen over relatieve grootte en aantal, maar ze kunnen dit nog niet combineren met hun
telvaardigheden om tot nauwkeurige, echt kwantitatieve metingen te komen. Ze hebben ook nog geen
goed begrip van abstracte maateenheden, zoals centimeters of meters
Summary
● Kleuters tonen meestal nog geen begrip van conservatie van hoeveelheden bij veranderingen in uiterlijk,
mede doordat ze geneigd zijn zich op slechts één aspect van een stimulus te richten
● Onderwijs kan leiden tot een stabiele verwerving van een nieuwe cognitieve vaardigheid, maar
waarschijnlijk pas nadat het kind een cognitief kader voor die vaardigheid heeft ontwikkeld
● Kleuters tonen al veel sofisticatie in hun redeneren over kleine aantallen
● Hun kwantitatieve redeneren is nog onvolwassen maar niet willekeurig: ze volgen bepaalde regels bij
het oplossen van kwantitatieve problemen, en de aard van deze regels verandert naarmate ze zich
ontwikkelen
Reasoning about classes and logical relations
Piaget’s onderzoek naar het opkomende logische redeneren bij kleuters richtte zich op drie vaardigheden
1) Classification: het vermogen om dingen te groeperen op basis van gedeelde kenmerken, zoals grootte
of vorm
2) Seriation: het vermogen om dingen in een logische volgorde te rangschikken, bijvoorbeeld van klein
naar groot of van oud naar nieuw
3) Transitive inference: het vermogen om de relatie tussen twee objecten af te leiden door hun respectieve
relatie tot een derde object te kennen
Piaget onderschatte de classificatie-, seriatie- en transitieve inferentievaardigheden van kleuters.
Toch zijn deze vaardigheden in de vroege kindertijd nog maar net in ontwikkeling, en het gebruik ervan wordt bij
kleuters belemmerd door: centration, appearance-reality problem en beperkingen in het geheugen
4