2.1 Verlichte denkbeelden (1650-1789)
17e eeuw: Wetenschappelijke Revolutie.
Periode van groot aantal uitvindingen en ontdekkingen als gevolg van
systematische beoefening van onderzoek.
à 3 belangrijke componenten:
1. Observeren; niet meer in de boeken kijken wat er is geschreven, maar zelf
ernaar kijken/onderzoeken.
2. Experimenteren;
3. (logisch) redeneren;
Oorzaken van de wetenschappelijke revolutie:
Ontdekkingsreizen à die zorgden voor een toename van kennis van de
wereld.
Ambachtelijke technieken à mensen kregen meer controle over de natuur
en behoefte aan precieze metingen.
Humanistische tekstanalyse à filosofen gingen verder op Griekse en
Romeinse kennis (hier gingen ze bij opbouwen).
RATIONALISME van Descartes:
à kennis vergaar je door het gebruiken van de rede(het verstand).
Gevolg: het logisch redeneren nam toe.
EMIPIRISME van Locke:
à kennis vergaar je door waarneming en ervaring.
Gevolg: het observeren en experimenteren nam toe.
Wetenschappelijke Revolutie leidt tot nieuwe inzichten en ontdekkingen.
Voorbeelden: Natuurwetten van Newton.
De nieuwe inzichten en ontdekkingen zijn in strijd met de ideeën en het
wereldbeeld van de kerk.
GEVOLG: discussies over de positie van de kerk in de maatschappij.
GEVOLG: het geloof wordt steeds een individuele zaak.
Mensen moeten zelf kunnen kiezen wat ze willen geloven. De overheid mag het
geloof niet afdwingen en ketters vervolgen.
VERLICHTING [ OPTIMISTISCHE TIJD ]
= stroming van geleerden die menen dat alles met behulp van het verstand kan
worden verklaard. Dat zal bijdragen aan de vooruitgang van de samenleving.
Of te wel: de rede en empirisme wordt uitgebreid naar alle aspecten van het
menselijk leven.
Zij hebben een groot vertrouwen in rationeel denken.
Zij vinden dat de wetenschappelijke manier van onderzoeken kan worden
gebruikt voor ALLE terreinen van de samenleving.
Door de verlichting is grote maatschappelijke vooruitgang mogelijk.
De verlichting zorgt voor grote veranderingen in het denken over de
samenleving.
De samenleving was gebaseerd op erfelijke rechten en plichten of religieuze
ideeën. Die vonden dit niks en wilden juist een samenleving die gebaseerd is op
de rede.
Verlichte denker ROUSSEAU:
1
,à Ideale opvoeding voor kinderen is in harmonie met de natuur en zonder
straffen.
à onderwijs moet er zijn voor alle kinderen. Zij moeten vrij zijn om zelf te
oordelen.
Verlichte ideeën worden verspreid via:
Brieven ; verlichte denkers stuurden elkaar brieven.
Salon-bijeenkomsten.
Boeken ; encyclopedie (1772) à belangrijk voor de verlichting/ideeën.
Nieuwe ideeën en maatschappijkritiek leiden tot optimisme en geloof in
maatschappelijke vooruitgang.
WAAR LIGT DE SOEVEREINITEIT?
Traditionele idee: de soevereiniteit ligt bij de vorst.
à Er was een droit divin : Goddelijk recht om als (absoluut) vorst te regeren.
Een opstand tegen de vorst is dus een opstand tegen god.
Locke en Rousseau gaan uit van natuurrechten en het idee van een sociaal
contract.
Sociaal contract = een contract tussen vorsten en burgers of tussen burgers
onderling.
DOEL: voorkomen van oorlogen tussen vorst en burgers of tussen burgers
onderling.
Burgers dragen bepaalde taken over aan de overheid.
o O.a. rechtspraken en bescherming.
Overheid beschermt de rechten van de burgers via wetgeving.
John Locke over het sociaal contract:
Het volk heeft in alle vrijheid besloten een samenleving te vormen.
Er is geen contract waarin staat dat de vorst over het volk mag heersen.
De soevereiniteit ligt bij het volk.
Burgers waren elkaars gelijken en behielden hun vrijheid.
Vorst moet het volk beschermen en zorgen voor bescherming van hun
natuurrechten: vrijheid, leven en bezit (mensenrechten).
Een slechte vorst mag afgezet worden door het volk.
=> sociaal contract: afspraken die gelden voor de hele bevolking dus niet alleen
voor de burgers, maar ook voor de overheid.
Locke => VOLK: adel + rijke burgers.
Rousseau => VOLK: alle burgers.
Rousseau over het sociaal contract:
Alle mensen zijn elkaars gelijken, ook armen en slaven.
De soevereiniteit ligt bij het volk.
Direct democratie, zodat de algemene wil uitgevoerd wordt door een
aangestelde regering.
Een slechte vorst mag afgezet worden door het volk.
MONTESQUIEU (rationalist en optimist)
Kwam met het idee scheiding van de machten (Trias politica).
DOEL: machtsmisbruik, corruptie en onderdrukking binnen het bestuur van een
staat voorkomen.
2
, De trias politica bestaat uit:
Wetgevende macht: stelt nieuwe wetten op.
Uitvoerende macht: voert wetten uit
Rechtelijke macht: die kijken of iedereen zich aan de wetten
houdt(controleert).
SMITH
Keek anders naar de rol van de overheid in de economie.
Smith ging uit van het rationeel eigenbelang
= Mensen streven altijd hun eigen voordeel naar.
Tegen mercantilisme (= rijkdom van het eigen land vergroten door de import
te verkleinen en de export te vergroten).
Volgens Smith: overheid beïnvloedt de economie met importtarieven en
exportsubsidies.
Hij wil zoveel mogelijk vrijheid in de economie; vrijhandel en weinig
bemoeienis van de overheid.
o Anders wordt het mechanisme van vraag en aanbod verstoord.
Hierdoor zal de economie en welvaart groeien voor iedereen.
VERANDERDE POLITIEKE CULTUUR
Verlichte ideeën raken breed verspreid. Ze worden privé en in het openbaar
uitvoerig besproken.
In o.a. brieven, boeken, tijdschriften en bibliotheken. Salons en
koffiehuizen. Toneelstukken en opera’s.
Dit zorgt ervoor dat vorsten voortaan rekening moeten houden met de publieke
opinie in alle lagen van de bevolking. Dit is onder alle lagen van de bevolking!
Omdat het voor alle lagen van de bevolking geldt, proberen machtshebbers:
De publicatie van verlichtingsideeën angstvallig in de gaten te houden en
soms te verbieden (censuur toe te passen).
Dit doen zij omdat zij graag hun macht willen behouden.
Vanaf de 15e eeuw: uitbreiding en centralisatie van de macht van de vorsten.
LEIDT TOT: absolutisme.
= staatsvorm waarbij de koning alle macht heeft en alleen aan god
verantwoording hoeft af te leggen. De wil van de koning = wet. VB = Lodewijk
XIV.
Legitimatie via het droit divin (goddelijk recht).
Locke en Rousseau gingen uit van natuurrechten; alle mensen zijn vrij en gelijk
geboren.
Staat is volgens hen gebaseerd op een sociaal contract.
18e eeuw: verlichting en absolutisme botsen à verlicht absolutisme.
= regeringsvorm waarbij de vorst probeert om met verlichte ideeën zijn bestuur
te verbeteren, maar wel alle macht blijft houden.
GOED VOORBEELD: Frederik de Grote (Pruisen); ‘’Ik doe alles voor het volk, en
niet door het volk.’’
FREDERIK DE GROTE
Maatregelen:
- Godsdienstige verdraagzaamheid.
- Zorgde voor genoeg voedsel; introductie aardappel als volksvoedsel.
3