Leerdoelen rechtssociologie week 1
Sociologie = de studie die de samenleving bestudeert of groepen in de
samenleving.
Rechtssociologie = de studie die de verhouding/verband/relatie tussen
recht en samenleving bestudeert.
Sociale genese = de invloed van de samenleving op het recht. Recht
ontstaat door veranderingen in de samenleving, zoals verschuivingen in
normen, waarden en sociale verhoudingen. Voorbeelden hiervan zijn de
emancipatie van vrouwen, wat leidde tot wetgeving over gelijke rechten,
de toenemende acceptatie van homoseksualiteit tot legalisering van het
homohuwelijk, en secularisering zorgde ervoor dat winkels vaker open zijn
op zondag.
Juridisering = is het maatschappelijke en politieke verschijnsel waarbij
steeds meer zaken worden vastgelegd in wetten en formele regels.
Oorzaken zijn industrialisatie, opkomst verzorgingsstaat en emancipatie,
mensen komen eerder op voor rechten en een toename van het aantal
juristen.
Sociale werking = de invloed van het recht op de samenleving. Het recht
stuurt gedrag, lost conflicten op, zorgt voor sociale controle en kan
maatschappelijke veranderingen stimuleren. Een voorbeeld hiervan is de
studiefinanciering, waardoor meer mensen gaan studeren en het
opleidingsniveau van de bevolking stijgt. Ook de eenkindpolitiek in China
laat dit zien, omdat wetgeving direct gedrag van burgers beïnvloedde en
zo de bevolkingsgroei beperkte.
Law in Action = onderzoeken of de beoogde effecten van het recht in de
praktijk ook daadwerkelijk worden bereikt.
(On)bedoelde gevolgen en (in)directe effecten
Een wet heeft bedoelde gevolgen, die bestaan uit een direct en indirect
doel. Het directe doel is wat letterlijk in de wet staat. Het indirecte doel is
het achterliggende maatschappelijke doel. Bijvoorbeeld: art. 315 Sr heeft
als direct doel het verbieden van stroperij en als indirect doel het
beschermen van dieren en het voorkomen van dierenleed. Een ander
voorbeeld is art. 5 RVV 1990: het directe doel is dat fietsers op het
fietspad rijden en het indirecte doel is het bevorderen van
verkeersveiligheid.
Naast deze bedoelde effecten zijn er ook onbedoelde gevolgen. Dit zijn
effecten die niet door de wetgever zijn bedoeld, maar wel ontstaan in de
praktijk. Zo kan de tabakswet bijdragen aan minder roken, maar ook
leiden tot overlast of illegale handel. Een ander voorbeeld is de
,drooglegging van de V.S. (1920-1933), dit maakte alcohol illegaal, maar
zorgde onbedoeld voor illegale handel en alcoholvergiftigingen.
Wetgeving kan bijdragen aan sociale gelijkheid doordat de overheid
regels kan maken die gelijke behandeling en gelijke kansen bevorderen.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen formele en materiële
gelijkheid. Dit wordt ook de ins
Instrumentele functie van het recht = recht gebruiken om sociale doelen
te bereiken, bijvoorbeeld met de WW en de WIA. Voorbeelden van wetten
zonder instrumentele functie zijn de flora en fauna wet, boek 2 van BW en
de wet op lijkbezorging.
Formele gelijkheid = het juridische uitgangspunt dat de wet voor iedereen
op dezelfde manier geldt. In Nederland is dit vastgelegd in artikel 1 van de
Grondwet.
Materiële gelijkheid = het principe dat ongelijke gevallen ongelijk worden
behandeld naar de mate van hun ongelijkheid, om zo tot een gelijke
uitkomst of gelijke kansen te komen.
Onderzoek Aubert = onderzoek naar de Wet huishoudelijk personeel in
Noorwegen (1949). Deze wet moest de rechtspositie van werknemers
verbeteren met regels zoals minimumloon, maximum overwerk, schriftelijk
contract en opzegtermijn. Uit onderzoek van Aubert bleek echter dat
minder dan 10% van de contracten aan de wet voldeed. Oorzaken van niet
naleving zijn:
- Onduidelijke wetgeving, geen/weinig controle, onvoldoende sancties,
wetten die niet aansloten bij de werkelijkheid en het feit dat
werknemers weinig belang hebben bij naleving.
SASV (Sally Falk Moore)
Een Semi-Autonoom Sociaal Veld is is een sociale groep die eigen regels
en normen ontwikkelt en handhaaft, maar tegelijkertijd onder invloed blijft
staan van het officiële recht. Het begrip laat zien dat de werking van
wetgeving mede wordt bepaald door de groepen waarin mensen leven.
Een voorbeeld is het studentencorps, waar interne regels bestaan. Tegelijk
kan bij ernstige situaties, zoals mishandeling, het strafrecht ingrijpen.
Grenzen aan effectiviteit
In een complexe samenleving is het moeilijk voor de overheid om met
wetten gewenst gedrag af te dwingen. Het recht is dat niet succesvol.
Problemen zijn onder andere:
- Groepen/individuen reageren niet hetzelfde/houden zich niet aan de
wet
, - Mobilisatie burgers, een wet werkt alleen als burgers zelf actie
ondernemen
- Uitvoeringsproblemen
- Onbedoelde gevolgen
- Minder belangrijk, maar wel relevant: economische kosten
(handhaving en uitvoering kosten geld), datering (de samenleving
verandert soms sneller dan de wetgeving) en integrale beheersing
overheid (de overheid kan niet alles volledig controleren)
Uitvoeringinstanties = organisaties en ambtenaren die verantwoordelijk
zijn voor het uitvoeren van wetten. Zij zorgen ervoor dat wetgeving ook
echt wordt toegepast in de samenleving.
Max Weber stelde dat bureaucratie de meest rationele en efficiënte manier
is om organisaties te laten werken. In een bureaucratie zijn er vaste
regels, een duidelijke hiërarchie, taakverdeling, scheiding tussen werk en
privé en worden beslissingen schriftelijk vastgelegd. Ambtenaren voeren
wetten idealiter neutraal en volgens de regels uit, zonder persoonlijke
voorkeuren. Dit zorgt voor gelijke behandeling, voorspelbaarheid en het
voorkomen van willekeur. Een nadeel is dat er weinig ruimte is voor
maatwerk en dat procedures traag kunnen zijn. Tegenover Max Weber
staat professionele besluitvorming, dit is besluiten maken gebaseerd op
deskundigheid en/of professioneel oordeel. Het doel is hier maatwerk.
Kafkäeske = uitvoeringsstijl waarbij niet het doel centraal staat, maar aan
de regels houden het belangrijkste doel is.
De invloed van ambtenaren (politie) op uitvoering van wetten en
regels
Street-level bureaucracy = uitvoerende ambtenaren die direct contact
hebben met burgers bepalen zelf hoe zij regels in de praktijk toepassen.
Daardoor wordt wetgeving niet altijd strak en hetzelfde uitgevoerd, maar
kan de uitvoering per situatie verschillen.
Discretionaire ruimte = ambtenaren mogen binnen de grenzen van de wet
eigen keuzes maken. Ze mogen zelf inschatten hoe streng of soepel ze
een regel toepassen, afhankelijk van de situatie.
Street-level bureaucracy = het systeem en discretionaire ruimte is de
beslissingsvrijheid binnen dat systeem.
Verklaringen voor het niet uitvoeren van wetten door ambtenaren zijn:
- Moraal
- Effectiviteit
- Eigen belang
- Wet onduidelijk
Sociologie = de studie die de samenleving bestudeert of groepen in de
samenleving.
Rechtssociologie = de studie die de verhouding/verband/relatie tussen
recht en samenleving bestudeert.
Sociale genese = de invloed van de samenleving op het recht. Recht
ontstaat door veranderingen in de samenleving, zoals verschuivingen in
normen, waarden en sociale verhoudingen. Voorbeelden hiervan zijn de
emancipatie van vrouwen, wat leidde tot wetgeving over gelijke rechten,
de toenemende acceptatie van homoseksualiteit tot legalisering van het
homohuwelijk, en secularisering zorgde ervoor dat winkels vaker open zijn
op zondag.
Juridisering = is het maatschappelijke en politieke verschijnsel waarbij
steeds meer zaken worden vastgelegd in wetten en formele regels.
Oorzaken zijn industrialisatie, opkomst verzorgingsstaat en emancipatie,
mensen komen eerder op voor rechten en een toename van het aantal
juristen.
Sociale werking = de invloed van het recht op de samenleving. Het recht
stuurt gedrag, lost conflicten op, zorgt voor sociale controle en kan
maatschappelijke veranderingen stimuleren. Een voorbeeld hiervan is de
studiefinanciering, waardoor meer mensen gaan studeren en het
opleidingsniveau van de bevolking stijgt. Ook de eenkindpolitiek in China
laat dit zien, omdat wetgeving direct gedrag van burgers beïnvloedde en
zo de bevolkingsgroei beperkte.
Law in Action = onderzoeken of de beoogde effecten van het recht in de
praktijk ook daadwerkelijk worden bereikt.
(On)bedoelde gevolgen en (in)directe effecten
Een wet heeft bedoelde gevolgen, die bestaan uit een direct en indirect
doel. Het directe doel is wat letterlijk in de wet staat. Het indirecte doel is
het achterliggende maatschappelijke doel. Bijvoorbeeld: art. 315 Sr heeft
als direct doel het verbieden van stroperij en als indirect doel het
beschermen van dieren en het voorkomen van dierenleed. Een ander
voorbeeld is art. 5 RVV 1990: het directe doel is dat fietsers op het
fietspad rijden en het indirecte doel is het bevorderen van
verkeersveiligheid.
Naast deze bedoelde effecten zijn er ook onbedoelde gevolgen. Dit zijn
effecten die niet door de wetgever zijn bedoeld, maar wel ontstaan in de
praktijk. Zo kan de tabakswet bijdragen aan minder roken, maar ook
leiden tot overlast of illegale handel. Een ander voorbeeld is de
,drooglegging van de V.S. (1920-1933), dit maakte alcohol illegaal, maar
zorgde onbedoeld voor illegale handel en alcoholvergiftigingen.
Wetgeving kan bijdragen aan sociale gelijkheid doordat de overheid
regels kan maken die gelijke behandeling en gelijke kansen bevorderen.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen formele en materiële
gelijkheid. Dit wordt ook de ins
Instrumentele functie van het recht = recht gebruiken om sociale doelen
te bereiken, bijvoorbeeld met de WW en de WIA. Voorbeelden van wetten
zonder instrumentele functie zijn de flora en fauna wet, boek 2 van BW en
de wet op lijkbezorging.
Formele gelijkheid = het juridische uitgangspunt dat de wet voor iedereen
op dezelfde manier geldt. In Nederland is dit vastgelegd in artikel 1 van de
Grondwet.
Materiële gelijkheid = het principe dat ongelijke gevallen ongelijk worden
behandeld naar de mate van hun ongelijkheid, om zo tot een gelijke
uitkomst of gelijke kansen te komen.
Onderzoek Aubert = onderzoek naar de Wet huishoudelijk personeel in
Noorwegen (1949). Deze wet moest de rechtspositie van werknemers
verbeteren met regels zoals minimumloon, maximum overwerk, schriftelijk
contract en opzegtermijn. Uit onderzoek van Aubert bleek echter dat
minder dan 10% van de contracten aan de wet voldeed. Oorzaken van niet
naleving zijn:
- Onduidelijke wetgeving, geen/weinig controle, onvoldoende sancties,
wetten die niet aansloten bij de werkelijkheid en het feit dat
werknemers weinig belang hebben bij naleving.
SASV (Sally Falk Moore)
Een Semi-Autonoom Sociaal Veld is is een sociale groep die eigen regels
en normen ontwikkelt en handhaaft, maar tegelijkertijd onder invloed blijft
staan van het officiële recht. Het begrip laat zien dat de werking van
wetgeving mede wordt bepaald door de groepen waarin mensen leven.
Een voorbeeld is het studentencorps, waar interne regels bestaan. Tegelijk
kan bij ernstige situaties, zoals mishandeling, het strafrecht ingrijpen.
Grenzen aan effectiviteit
In een complexe samenleving is het moeilijk voor de overheid om met
wetten gewenst gedrag af te dwingen. Het recht is dat niet succesvol.
Problemen zijn onder andere:
- Groepen/individuen reageren niet hetzelfde/houden zich niet aan de
wet
, - Mobilisatie burgers, een wet werkt alleen als burgers zelf actie
ondernemen
- Uitvoeringsproblemen
- Onbedoelde gevolgen
- Minder belangrijk, maar wel relevant: economische kosten
(handhaving en uitvoering kosten geld), datering (de samenleving
verandert soms sneller dan de wetgeving) en integrale beheersing
overheid (de overheid kan niet alles volledig controleren)
Uitvoeringinstanties = organisaties en ambtenaren die verantwoordelijk
zijn voor het uitvoeren van wetten. Zij zorgen ervoor dat wetgeving ook
echt wordt toegepast in de samenleving.
Max Weber stelde dat bureaucratie de meest rationele en efficiënte manier
is om organisaties te laten werken. In een bureaucratie zijn er vaste
regels, een duidelijke hiërarchie, taakverdeling, scheiding tussen werk en
privé en worden beslissingen schriftelijk vastgelegd. Ambtenaren voeren
wetten idealiter neutraal en volgens de regels uit, zonder persoonlijke
voorkeuren. Dit zorgt voor gelijke behandeling, voorspelbaarheid en het
voorkomen van willekeur. Een nadeel is dat er weinig ruimte is voor
maatwerk en dat procedures traag kunnen zijn. Tegenover Max Weber
staat professionele besluitvorming, dit is besluiten maken gebaseerd op
deskundigheid en/of professioneel oordeel. Het doel is hier maatwerk.
Kafkäeske = uitvoeringsstijl waarbij niet het doel centraal staat, maar aan
de regels houden het belangrijkste doel is.
De invloed van ambtenaren (politie) op uitvoering van wetten en
regels
Street-level bureaucracy = uitvoerende ambtenaren die direct contact
hebben met burgers bepalen zelf hoe zij regels in de praktijk toepassen.
Daardoor wordt wetgeving niet altijd strak en hetzelfde uitgevoerd, maar
kan de uitvoering per situatie verschillen.
Discretionaire ruimte = ambtenaren mogen binnen de grenzen van de wet
eigen keuzes maken. Ze mogen zelf inschatten hoe streng of soepel ze
een regel toepassen, afhankelijk van de situatie.
Street-level bureaucracy = het systeem en discretionaire ruimte is de
beslissingsvrijheid binnen dat systeem.
Verklaringen voor het niet uitvoeren van wetten door ambtenaren zijn:
- Moraal
- Effectiviteit
- Eigen belang
- Wet onduidelijk