A. Leerpsychologie
H1: Basisconcepten en definities
1. Fundamentele kenmerken van leren
Leren Hét middel waardoor dieren hun gedrag
duurzaam wijzigen, met als doel een betere
afstemming op (veranderingen in) de leefwereld
Gedragsmatige/ neuronale plasticiteit
Leren is een relatief duurzame verandering in
het potentieel om een bepaald gedrag te
stellen, die toe te schrijven is aan ervaring met
gebeurtenissen in de omgeving die specifiek
gerelateerd zijn aan dat gedrag
Duurzame Gedrag dat verandert als gevolg van leren blijft zo
gedragsverandering
One-trial learning Een ervaring/oefening die maar één keer nodig is
voor leren
Performantie Dingen die het individu doet i.f.v. motivatie,
stimuluscondities & het geleerde
Behaviorally silent Geen onmiddellijk zichtbare gedragsverandering,
learning hoewel leren wel heeft plaatsgevonden
Gedragspotentieel De capaciteit/ het potentieel om ander gedrag te
tonen als resultaat van leren
[S] Ervaring met een stimulus/gebeurtenis op zich
[S1-S2] Ervaring met een relatie tussen twee
stimuli/gebeurtenissen
[R-S] Ervaring met een relatie tussen gedrag en
consequente gebeurtenis in de omgeving
2. Naturalistische VS experimentele observaties
Naturalistische Observeren en meten van gedrag zoals het
observatie voorkomt in een natuurlijke setting/conditie, zonder
manipulatie of interventie door de onderzoeker
Experimentele Meten van gedrag in condities, specifiek ontworpen
1
Axana Van Bouwel 2025 - 2026
, observatie door de onderzoeker om bepaalde variabelen die
leren of performantie van gedrag beïnvloeden
H2: Substraat voor leren: ongeconditioneerd
gedrag
1. Homogeen VS heterogeen substraat van gedrag
Homogeen substraat Ieder organisme is fundamenteel hetzelfde inzake
leerprocessen en deelsubstraten die hiervoor
verantwoordelijk zijn
Heterogeen substraat Ieder organisme kent een bepaalde structuur en
heeft aangeboren actie- en reactieprogramma’s die
verschillen van andere dieren
2. Ongeconditioneerd gedrag: de reflex
Reflex Verklaring/model voor onrijwillig, automatisch
gedrag
3. Complexe vormen van “ontlokt gedrag”
Modale ActiePatronen Aangeboren, soortspecifieke patronen van ontlokt
(MAP) gedrag (‘elicted behavior’)
Signaalprikkels/-stimuli De beperkte set van cruciale prikkelkenmerken van
de complexe ontlokkende prikkelconfiguratie, die
noodzakelijk en voldoende zijn om een modaal
actiepatroon (MAP) te ontlokken
Supernormale Na het artificieel “uitvergroten” (grootte, intensiteit)
prikkel/superstimulus van een signaalprikkel, wat leidt tot een sterkere
respons dan de originele signaalprikkel
4. De organisatie van ontlokt gedrag
Releasing stimulus Een signaalprikkel die een MAP activeert als en
slechts als het dier zich in een specifieke
motivationele staat bevindt
Hydraulisch model van Motivationele toestand brengt organisme “in
Lorenz gereedheid” voor een bepaald soort MAP en een
signaalstimulus (releasing stimulus) “triggert” dan
het MAP tegen deze achtergrond
Appetitief gedrag Gedrag om in contact te komen met de
signaalprikkel
Consummatorisch De werkelijke responssequentie (MAP)
gedrag voltooien/consummeren, stereotiep & gefocust
gedrag
Gedragssystemen Sequenties van MAP’s die georganiseerd zijn in
2
Axana Van Bouwel 2025 - 2026
, functionele systemen
H3: Habituatie en Sensitatie
1. Effecten van herhaalde aanbieding van een
ontlokkende stimulus
Habituatie Afname sterkte/probabiliteit van een
respons ten gevolge van herhaalde aanbieding van
de
ontlokkende stimulus
Sensitatie Toename sterkte/probabiliteit van een
respons ten gevolge van herhaalde aanbieding van
de
ontlokkende stimulus
Oriënteerrespons (OR)/ Respons waarbij de aandacht verschuift; bij een
what-is-it? reflex plotse nieuwe prikkel in de configuratie richt men
automatisch naar de bron van de prikkelverandering
Dishabituatie Herstel van de oorspronkelijke respons (voor
habituatie) door een nieuwe, vaak sterke of
opvallende prikkel
2. Dual Process theory (Groves & Thompson)
S-R-systeem Het kortste pad in het zenuwstelsel tussen
ontlokkende stimulus en ontlokte respons (
reflexboog) waar de habituatieprocessen
plaatsvinden
State System/ Toestand- Alle neuronale processen die niet zelf deel uitmaken
Systeem van het S-R systeem, maar die de responsiviteit van
het S-R systeem beïnvloeden/moduleren, waar de
sensitatieprocessen plaatsvinden
3. Opponente-procestheorie van emotie en motivatie
(Solomon)
Primaire De onmiddellijke emotionele respons op de
reactie/toestand aanwezigheid van de prikkel, die afneemt bij
herhaling (habituatie)
Secundaire De langzamere, tegengestelde emotie die
reactie/toestand ontstaat na het verdwijnen van de prikkel,
en toeneemt bij herhaling (sensitisatie)
a proces - Sterkte & duur in functie van insensiteit prikkel
- Eindigt snel na aanbieding
- Invariant over herhaalde aanbiedingen
3
Axana Van Bouwel 2025 - 2026