Inleiding
1: Conceptueel kader
= wat is het basisidee erachter? Hoe kunnen we het gieten in een kader die helpen om
onze hersenen beter te bestuderen?
Onderverdeling
Blokken
1. Endogeen= omgeving invloed op hoe brein werkt
2. Exogeen= binnenin
3. Tijd hersenen nu zijn anders dan t.o.v. paar seconde geleden
Lagen
1. Neuron/ zenuwcel: alles begint hiermee
• Bouw/structuur gaan bekijken = cellulaire neuroanatomie
• Hoe werkt de structuur van 1 zenuwcel? = cellulaire neurofysiologie
• Hoe meten: adhv microscoop
2. Hersenen, zenuwstelsel, neurale circuits
• Zenuwcellen allemaal geschakelt aan elkaar complex netwerk
• Zenuwstelsel:
Functies:
1 Reageren op de wereld
2 Vormen neuraal communicatienetwerk
3 Controleren vitale functies voorbeeld: hartslag, ademhaling
4 Veranderingen in lichaam teweeggebracht
Maakt deel uit van ecosystemen hiërarchische ordening waarbij
complexere eenheden samengevoegd uit minder complexere
eenheden
In ecosysteem: organismen in interactie met elkaar
Voor soort + zelfbehoud
• Hoe meten: adhv hersenscanner
3. Gedragsfuncties + viscerale functies
• Gedrag door werking van zenuwstelsel hoe komt het dat je nu doet wat je
doet?
• Viscerale functies= waar je niet bewust over moet nadenken voorbeeld:
ademhalen
Ook gedrag: gedragingen die reageren op iets voorbeeld: bij
gevaar snel ademen
• Gedragsfuncties:
1 Beweging voorbeeld: spreken, articuleren
2 Cognitie voorbeeld: taal, aandacht, geheugen
3 Emotie
• Hoe meten: observeren, gedragstechnieken
Voorbeeld: eyetracker zien waar kind naar kijkt kan kind alle objecten
zien? Kan ze oogcontact maken? Gevolg van vele hersencircuits die het
kunnen doen
Dus: als er een probleem is, moet je gaan kijken naar gedragsfuncties ook/geen
probleem? Niveau lager gaan bij hersenen ook/geen probleem? Niveau lager gaan bij
neuronen
2: Hersenen
= bundeling v zenuwcellen, besturen alles, alles onder controle, door fylogenese
- Ontstaan: door evolutie
1
,- Noodzaak bestaan: Elk organisme (eencellig-meercellig): iets in zich dat in staat
stelt om te zorgen v hunzelf (vb: eten) + soortgenoten
Voorbeeld: gaan op zoek n eten in omgeving adhv prikkels zintuigen scannen
omgeving hersenen groeien
Functie
1. Informatie verwerken
2. Reactie zoeken ifv overleven
- Informatie gelimiteerd door filter
- Kunnen niet alles verwerkt krijgen MAAR hersenen: techniek om ermee om te gaan
nieuwe info hersenen veranderen anders n situaties kijken
2
,H1: Conceptueel neurowetenschappelijk
kader
1: Zenuwstelsel
= deel van ecosystemen; bevat hiërarchische lagen met complexere grotere eenheden
uit minder complexere eenheden
- Hersenen – zenuwstelsel – cellen – neuronen – atomen – …
- Complexiteit onderzoeken!!
- Alles binnenin kubus (pp) = processen binnenin onderdelen v lichaam (hersenen) +
bouwstenen v hoe lichaam moet werken
- Zowel endogeen (binnenin) als exogeen (omgeving) onderzoeken interactie met
elkaar MAAR tijd!! Hersenen veranderen door tijd (zojuist – nu – zo)
- Doel: cellulaire neurofysiologie= weten hoe cellen werken
- Neurale circuits: bestaan uit neuronen, vormen gedragsfuncties + emoties
- Viscerale functies: feit dat je kan ademhalen
2: Evolutie
Oorzaak
Natuurlijke selectie gevolg: complexere fenomenen
Voorbeeld: ontstaan complex gedrag (= vermogen om flexibel te reageren op omgeving)
Gevolg: toenemende complexiteit van neurale structuren
Evolutionaire trends
- Informatieverwerking bij hogere diersoorten steeds meer gecentraliseerd in hersenen
- Toename complexiteit van ventrale zenuwstelsel
- Toename complexiteit van zenuwcellen
- Toename neuroplasticiteit
Gevolg toename van flexibiliteit
1. Fylogenetische veranderingen over generaties heen
• Veranderingen op populatieniveau
• Succesvolle mutaties doorgegeven via natuurlijke selectie van generatie op
generatie in genotype opgeslagen
• Noodzaak: omgeving lang genoeg stabiel zodat succesvolle aanpassingen zich
in genotype voordoen
2. Ontogenetische veranderingen binnen de levensloop
• Veranderingen in neurale verbindingen = leren
• Leren is zinvol in dynamische, snel veranderde omgeving
Mogelijkheid dat organisme zich snel kan aanpassen aan
omgevingsschommelingen
• Bij mens: via cultuur doorgegeven op volgende generatie
3. Veranderingen van moment tot moment = neuroplasticiteit
• Gedrag afstellen op onverwachte omgevingsveranderingen
• Synaptische plasticiteit
3: Conceptueel biopsychosociaal kader
Genetica
- Visie: ‘je kan niet over je grenzen’ omgeving zoekt deze op MAAR kan er niet over
Voorbeeld: sporters hard werken om goed te lopen
• Genetica zegt dat ze vermogen hebben om sporter te zijn
• MAAR omgeving bepaald dat hij hardloper is
- Genetica & omgeving: voortdurend in interactie
3
, Schema
- Door gedragsfuncties:
1. Weten wat je moet doen adhv functies dagelijkse gebeurtenissen uitvoeren
• Mensen met hersenletsel: niet meer zomaar verplaatsen want storing
2. Rol kunnen spelen in maatschappij
- Alle elementen bep. wie je bent, zowel genetisch – ervaringen:
• Door ervaringen: bep. hoe reageren op versch. dingen, ied gaat anders om
met info + ied ander karakter
• Hersenen afhv omgeving
• Ouders voeden kind op om zo te doen ontwikkelen => brein gevoed
• DUS alle kabeltjes in hersenen vervolledigen => brein na 25j echt volledig
(volledig zelfstandig leven id maatsch.)
• = neuroplasticiteit (hersenen gekneed, gevoed)
Tijdsafhankelijke veranderingen resultaat van
1. Fylogenese= verandering over generaties heen
2. Ontogenese= verandering individuele levensloop
3. Plasticiteit= verandering van moment tot moment
Kenmerken
1. Interactie genetica – omgeving
2. Toenemende complexiteit
3. Gelaagde niveaus
4. Hiërarchie: hoe hoger, hoe meer te zeggen over lager niveau
5. Emergente eigenschap
6. Bouw VS-structuur: v elk blokje afvragen bouw (anat.) + hoe het werkt af (fys.)
7. Biopsychosociaal model
Beschrijvingsniveaus
1. Zenuwcel of neuron
2. Neurale circuits: onderdeel orgaansysteem
3. Gedragsfuncties: activiteiten uitvoeren + participeren maatschappij
- Mens zoekt altijd n nieuwe dingen technologie + maatsch veranderd mee
hersenen ook grens opzoeken v mens problemen door verandering; meer
beperkingen MAAR maatsch zoekt nieuwe functies voorbeeld: verlamde mensen
nieuwe soort fietsen
4
1: Conceptueel kader
= wat is het basisidee erachter? Hoe kunnen we het gieten in een kader die helpen om
onze hersenen beter te bestuderen?
Onderverdeling
Blokken
1. Endogeen= omgeving invloed op hoe brein werkt
2. Exogeen= binnenin
3. Tijd hersenen nu zijn anders dan t.o.v. paar seconde geleden
Lagen
1. Neuron/ zenuwcel: alles begint hiermee
• Bouw/structuur gaan bekijken = cellulaire neuroanatomie
• Hoe werkt de structuur van 1 zenuwcel? = cellulaire neurofysiologie
• Hoe meten: adhv microscoop
2. Hersenen, zenuwstelsel, neurale circuits
• Zenuwcellen allemaal geschakelt aan elkaar complex netwerk
• Zenuwstelsel:
Functies:
1 Reageren op de wereld
2 Vormen neuraal communicatienetwerk
3 Controleren vitale functies voorbeeld: hartslag, ademhaling
4 Veranderingen in lichaam teweeggebracht
Maakt deel uit van ecosystemen hiërarchische ordening waarbij
complexere eenheden samengevoegd uit minder complexere
eenheden
In ecosysteem: organismen in interactie met elkaar
Voor soort + zelfbehoud
• Hoe meten: adhv hersenscanner
3. Gedragsfuncties + viscerale functies
• Gedrag door werking van zenuwstelsel hoe komt het dat je nu doet wat je
doet?
• Viscerale functies= waar je niet bewust over moet nadenken voorbeeld:
ademhalen
Ook gedrag: gedragingen die reageren op iets voorbeeld: bij
gevaar snel ademen
• Gedragsfuncties:
1 Beweging voorbeeld: spreken, articuleren
2 Cognitie voorbeeld: taal, aandacht, geheugen
3 Emotie
• Hoe meten: observeren, gedragstechnieken
Voorbeeld: eyetracker zien waar kind naar kijkt kan kind alle objecten
zien? Kan ze oogcontact maken? Gevolg van vele hersencircuits die het
kunnen doen
Dus: als er een probleem is, moet je gaan kijken naar gedragsfuncties ook/geen
probleem? Niveau lager gaan bij hersenen ook/geen probleem? Niveau lager gaan bij
neuronen
2: Hersenen
= bundeling v zenuwcellen, besturen alles, alles onder controle, door fylogenese
- Ontstaan: door evolutie
1
,- Noodzaak bestaan: Elk organisme (eencellig-meercellig): iets in zich dat in staat
stelt om te zorgen v hunzelf (vb: eten) + soortgenoten
Voorbeeld: gaan op zoek n eten in omgeving adhv prikkels zintuigen scannen
omgeving hersenen groeien
Functie
1. Informatie verwerken
2. Reactie zoeken ifv overleven
- Informatie gelimiteerd door filter
- Kunnen niet alles verwerkt krijgen MAAR hersenen: techniek om ermee om te gaan
nieuwe info hersenen veranderen anders n situaties kijken
2
,H1: Conceptueel neurowetenschappelijk
kader
1: Zenuwstelsel
= deel van ecosystemen; bevat hiërarchische lagen met complexere grotere eenheden
uit minder complexere eenheden
- Hersenen – zenuwstelsel – cellen – neuronen – atomen – …
- Complexiteit onderzoeken!!
- Alles binnenin kubus (pp) = processen binnenin onderdelen v lichaam (hersenen) +
bouwstenen v hoe lichaam moet werken
- Zowel endogeen (binnenin) als exogeen (omgeving) onderzoeken interactie met
elkaar MAAR tijd!! Hersenen veranderen door tijd (zojuist – nu – zo)
- Doel: cellulaire neurofysiologie= weten hoe cellen werken
- Neurale circuits: bestaan uit neuronen, vormen gedragsfuncties + emoties
- Viscerale functies: feit dat je kan ademhalen
2: Evolutie
Oorzaak
Natuurlijke selectie gevolg: complexere fenomenen
Voorbeeld: ontstaan complex gedrag (= vermogen om flexibel te reageren op omgeving)
Gevolg: toenemende complexiteit van neurale structuren
Evolutionaire trends
- Informatieverwerking bij hogere diersoorten steeds meer gecentraliseerd in hersenen
- Toename complexiteit van ventrale zenuwstelsel
- Toename complexiteit van zenuwcellen
- Toename neuroplasticiteit
Gevolg toename van flexibiliteit
1. Fylogenetische veranderingen over generaties heen
• Veranderingen op populatieniveau
• Succesvolle mutaties doorgegeven via natuurlijke selectie van generatie op
generatie in genotype opgeslagen
• Noodzaak: omgeving lang genoeg stabiel zodat succesvolle aanpassingen zich
in genotype voordoen
2. Ontogenetische veranderingen binnen de levensloop
• Veranderingen in neurale verbindingen = leren
• Leren is zinvol in dynamische, snel veranderde omgeving
Mogelijkheid dat organisme zich snel kan aanpassen aan
omgevingsschommelingen
• Bij mens: via cultuur doorgegeven op volgende generatie
3. Veranderingen van moment tot moment = neuroplasticiteit
• Gedrag afstellen op onverwachte omgevingsveranderingen
• Synaptische plasticiteit
3: Conceptueel biopsychosociaal kader
Genetica
- Visie: ‘je kan niet over je grenzen’ omgeving zoekt deze op MAAR kan er niet over
Voorbeeld: sporters hard werken om goed te lopen
• Genetica zegt dat ze vermogen hebben om sporter te zijn
• MAAR omgeving bepaald dat hij hardloper is
- Genetica & omgeving: voortdurend in interactie
3
, Schema
- Door gedragsfuncties:
1. Weten wat je moet doen adhv functies dagelijkse gebeurtenissen uitvoeren
• Mensen met hersenletsel: niet meer zomaar verplaatsen want storing
2. Rol kunnen spelen in maatschappij
- Alle elementen bep. wie je bent, zowel genetisch – ervaringen:
• Door ervaringen: bep. hoe reageren op versch. dingen, ied gaat anders om
met info + ied ander karakter
• Hersenen afhv omgeving
• Ouders voeden kind op om zo te doen ontwikkelen => brein gevoed
• DUS alle kabeltjes in hersenen vervolledigen => brein na 25j echt volledig
(volledig zelfstandig leven id maatsch.)
• = neuroplasticiteit (hersenen gekneed, gevoed)
Tijdsafhankelijke veranderingen resultaat van
1. Fylogenese= verandering over generaties heen
2. Ontogenese= verandering individuele levensloop
3. Plasticiteit= verandering van moment tot moment
Kenmerken
1. Interactie genetica – omgeving
2. Toenemende complexiteit
3. Gelaagde niveaus
4. Hiërarchie: hoe hoger, hoe meer te zeggen over lager niveau
5. Emergente eigenschap
6. Bouw VS-structuur: v elk blokje afvragen bouw (anat.) + hoe het werkt af (fys.)
7. Biopsychosociaal model
Beschrijvingsniveaus
1. Zenuwcel of neuron
2. Neurale circuits: onderdeel orgaansysteem
3. Gedragsfuncties: activiteiten uitvoeren + participeren maatschappij
- Mens zoekt altijd n nieuwe dingen technologie + maatsch veranderd mee
hersenen ook grens opzoeken v mens problemen door verandering; meer
beperkingen MAAR maatsch zoekt nieuwe functies voorbeeld: verlamde mensen
nieuwe soort fietsen
4