Semester 2
Spraakproductiemodellen
Kernbegrippen: code, decoderen en (en)coderen
Klinisch redeneren vertrekt vanuit het idee dat spraak- en taalproductie gebaseerd zijn op
codes. Dat zijn regelsystemen en representaties of templates die:
Ontdekt worden
Opgeslagen worden in het geheugen
Vastgehouden en geleerd worden
Toegepast worden in communicatie
Decoderen
Herkennen en uitpakken van input. Bv. klanken, woorden, structuren, …
(En)coderen
Opgeslagen codes selecteren en inzetten om output te produceren spraak.
Spraakproductie is dus geen simpele uitvoer, maar een actief coderingsproces dat
steunt op opgeslagen kennis, regels en representaties.
Psycholinguïstisch spraakproductiemodel
Het model van Willem Levelt
Het klassieke psycholinguïstische model beschrijft spraakproductie van intentie tot
articulatie als een interagerend systeem.
De kinderen die een spraakontwikkelingsstoornis hebben, hebben problemen met spraak,
articulatie en de verwerving van taal. Dit is een heterogene groep.
Hoofdcomponenten
1. Conceptualisatie
Ontstaan van idee en communicatieve intentie.
Leidt tot een preverbale boodschap.
2. Formulering
Preverbale boodschap wordt geformuleerd.
Grammaticale encodering: Gebruik maken van codes of representaties die
al opgeslagen zijn. Zinsbouw, woordvormen, volgorde.
Fonologische encodering: selectie en ordening van klanken.
o Fonologische representaties: Dit zijn de mentale klankopslagen
van woorden in ons brein. Ze bevatten informatie over hoe een
woord klinkt (de klanken en hun volgorde).
o Distinctieve kenmerken: Dit zijn de kleine klankeigenschappen
die klanken van elkaar onderscheiden. Elke spraakklank bestaat uit
een combinatie van zulke kenmerken. Distinctieve kenmerken
, helpen verklaren waarom sommige klankverwisselingen voorkomen
bij taalontwikkeling of stoornissen.
o Klinische implicatie: Dit betekent: wat betekent deze theorie voor
de praktijk (bijvoorbeeld logopedie)? Als een kind problemen heeft
met fonologische representaties of bepaalde kenmerken niet goed
onderscheidt, kan dat leiden tot: Klankverwisselingen,
vereenvoudigingen en moeilijk verstaanbare spraak.
3. Fonetisch plan
Motorisch bewegingsplan: vorm, timing en volgorde van articulatorische
bewegingen. Tijdens het uitvoeren wordt er waargenomen hoe de bewegingen
voelen. Hierop wordt er feedback gegeven om de bewegingen eventueel bij te
sturen. Programma, plan en commando.
4. Articulatie
Motorische uitvoering van het plan hoorbare spraak. Alle articulatoren en
spieren werken samen en we verkrijgen een akoestisch spraaksignaal.
5. Lexicon
Opslag van woorden, klankregels en grammaticale informatie (codes).
6. Monitor (feedback)
Zelfcontrole via auditieve en somatosensorische waarneming tijdens spreken.
Fouten kunnen worden opgemerkt en bijgestuurd.
Dit model stelt een ontwikkeld systeem voor, maar helpt om te begrijpen welke processen
ook in ontwikkeling moeten groeien.
Het model van Stackhouse, Wells & Fox
Dit model toont wat er precies wordt opgeslagen in het mentale lexicon.
Semantische representatie: Betekenis
Fonologische representatie: Klankstructuur. Fonologische codes. Distinctieve
kenmerken die betekenisverschil aanduiden. Je hebt sensomotorische en
akoestische externe informatie nodig om verschillen te kunnen aantonen.
Motorische representatie: Bewegingspatronen/ motorische programma’s
Auditieve en somatosensorische representaties: Hoe klanken klinken en aanvoelen
Bij ontwikkelende kinderen verlopen deze representaties niet gelijktijdig en niet perfect
geïntegreerd. Er is:
Perifeer auditief waarnemen
Fonologische herkenning
Fonetische discriminatie
Fonologische representatie
Ontwikkeling betekent hier geleidelijk sterker wordende associaties tussen deze
representaties.
Ontwikkelingsfasen in spraak
De spraakontwikkeling verloopt in verschillende fasen:
1. Pre-lexicale fase (rond 1 jaar)
, Brabbelen zonder stabiele woordbetekenis. Canoniek brabbelen.
2. Hele-woordfase/ éénwoordfase (rond 2 jaar)
Woorden als globale gehelen opgeslagen
3. Fase van systeemvereenvoudiging (2;6 – 4 jaar)
Kind gebruikt vereenvoudigde patronen
4. Assmemblagefase (rond 3 à 4 jaar)
Woorden worden opgebouwd uit kleinere fonologische eenheden.
5. Metafonologische fase (vanaf 5 jaar)
Bewustzijn van klanken en klankstructuren.
De ontwikkeling verloopt dus van globaal analytisch regelgebaseerd.
Neuraal netwerkmodel van spraakverwerving – computermodel
Het DIVA-model
Het DIVA-model beschrijft spraakverwerving als een feedforward–feedback systeem in
een neuraal netwerk:
Feedforward: vooraf geprogrammeerde motorische commando’s.
Feedback: auditieve & somatosensorische terugkoppeling om fouten te corrigeren.
Spraakklanken zijn gekoppeld aan:
Auditieve doelen (hoe moet het klinken?),
Somatosensorische doelen (hoe moet het voelen?),
Motorische plannen (hoe moet ik bewegen?).
Multifactoriële probleem bij kinderen met spraakontwikkelingsdyspraxie (Ozanne):
Fonologisch coderen en encoderen.
Assembleren van fonetisch plan (bewegingsplan)
Implementatie van dat bewegingsplan
Ontwikkelingsimplicaties
1/ Brabbelen
Bij de eerste vormen van brabbelen worden de articulatiebewegingen gebruikt om de
relaties te leren tussen de motorische commando’s, auditieve en somatosensorische
consequenties. De ouders gaan mee brabbelen waardoor de baby door imitatie de
akoestiek beter kan begrijpen en zelf toepassen
2/ Imitatie
Er is een auditief doel voor elke spraakklank. Er ontstaan motorische commando’s, die
feedforwardcommando’s worden genoemd, door verschillende pogingen om een klank
te produceren. We zijn in staat om via feedback ons auditief doel te bereiken. Als wat we
produceren niet overeenkomt met ons doel, dan kunnen we dit aanpassen, tot het
accuraat genoeg is.
, Uit onderzoek blijkt dat brabbelen wereldwijd met dezelfde klanken gebeurt. Vanaf de
leeftijd van 1 jaar vinden er brabbelmonologen plaats die afkomstig zijn van de thuistaal.
Het auditief vermogen is dus zeer belangrijk om een specifieke taal eigen te worden.
Als kinderen er niet in slagen om de feedforwardcommando’s op te slaan en bij te sturen,
dan zullen deze nooit goed functioneren.
Proto-syllabary en vroege representaties
De eerste stabiele associaties ontstaan tussen:
Betekenis
Motorische commando’s
Auditieve en somatosensorische representaties
Vaak in de vorm van één syllabe proto-syllabary. Pas daarna kunnen fonologische
codes en regels ontstaan en erop verder bouwen.
Het watervalmodel: geen modulair systeem
Het watervalmodel beschrijft spraakproductie als een continu interagerend proces,
niet als losse modules:
Fonologische regels
Fonologisch plan (template)
Motorische planning
Motorische programmering
Uitvoering
Feedback
Kernidee
Processen werken niet apart, maar beïnvloeden elkaar continu. Ontwikkeling = leren van
associaties tussen processen.
Symptomen kunnen overlappen.
Eenzelfde waarneembaar probleem kan verschillende onderliggende oorzaken
hebben.
Motorische planning en programmering
Motorische planning
Selectie van articulatorische bewegingsdoelen.
Opbouw van bewegingsconfiguraties (dynamisch).
Eerder telkens opnieuw opgebouwd.
Door herhaling ontstaan gegeneraliseerde motorische representaties (GMR).
Motorische programmering
Parametrisatie: afstemmen op context (lichaamspositie, achtergrondlawaai,
luisteraar, beginsituatie articulatoren, …).