Deel 1: Kwantitatief onderzoek kenmerken: randomisatie, randomised controlled trial
Probleemstelling:
Vraag over een onderwerp
↓
In de breedte verkennen
↓
Heldere en eenduidige doelstelling
(Waarom vindt het onderzoek plaats? Doelgroep?)
↓
Onderzoeksvragen
(specifieke vraag, populatie en variabelen)
Oorzaak –gevolg, causale verbanden, objectief, meten,
tellen, meer in de breedte, veel gegevens en materiaal
Probleemstelling is het begin, wat gaan we doen?
Kwantitatief of kwalitatief
Onderzoek in breedte!
Mate waarin het verschijnsel voorkomt (bv hoeveel mensen doen de brug)
Mate van onderlinge samenhang (oorzaak-gevolg, in welke mate hangen variabelen samen)
Meten, tellen en verbanden zoeken
Getallen en statistische bewerkingen
Vb. Scoren studenten uit de eerste opleidingsfase die naar de les komen, beter dan studenten uit de eerste
opleidingsfase die niet naar de les komen?
Onderzoeksontwerp
= Design, wat heb ik nodig, welk materiaal, wie?
Patroon, recept of plan voor onderzoek
Afhankelijk van soort gegevens en middelen (afhankelijk van hoeveelheid kennis over variabelen)
Onderzoekshypothesen toetsen of onderzoeksvragen beantwoorden
1
,Verkennend onderzoek= exploratory research
Weinig bekend over onderwerp
Flexibele methode om data te verzamelen
Aandacht voor verschillende aspecten van data
Resultaten kunnen gegeneraliseerd worden
Niet geschikt om hypothesen te formuleren
Correlatie (R): er is een
Beschrijvend onderzoek = descriptive research verband
Beschrijven van verschijnselen
Verbanden tussen variabelen onderzoeken (+hypothesen stellen): correlatie
Verklarend onderzoek = explanatory research
Causale verklaringen
Vaak experimenteel onderzoek
Veel strakker onderzoek dan verkennend of beschrijvend
Genoeg kennis variabelen controle op onderzoek en meer variabelen manipuleren
Buiten de 2 variabelen is er mss een 3e die ook een effect kan hebben, waardoor je afhankelijke variabele
veranderd , het uitsluiten hiervan = verklarend. Dus enkel die 2 en geen 3e heeft effect
Correlatie (R)
Sterkte -1 / +1
Pearson r
Positief
Richting
Negatief
= R= altijd een cijfer
Correlatie (bv in artikel) zie je pearson R of deze grafiek
Sterkte hoe sterker naar + 1 of -1 hoe sterker je verband is
Richting Positief: als je ene variabele stijgt dan stijgt ook de anderen en
Negatief is als ene variabele stijgt dan daalt de andere
Causaliteit
Bij verklarend onderzoek
Oorzakelijke verbanden tussen 2 verschijnselen (effect)
Oorzaak gevolg
Tijd (eerst moet ene variabele gebeuren en dan pas je andere variabele)
Een is een correlatie tussen opleidingsniveau en inkomen, hoe hoger opleiding hoe hoger inkomen
Er is een verband maar niet per se causaal, er zijn ook andere variabelen die je inkomen bepalen zoals anciënniteit
Ander bv: correlatie tussen aantal ijsjes verkocht en aantal verdrinkingen, er is een correlatie maar niet causaal.
Er is een 3e variabele (compounder): het mooie weer en dus meer kans op verdrinking
2
,Experimentele onderwerpen
1. Zuiver experimenteel (RCT)
Onderzoeker heeft veel controle, er zijn causale verbanden
Je gaat zoveel mogelijk 3e variabelen proberen uitsluiten (compounders)
bv 1 groep neemt placebo’s en andere groep niet
Controlegroep= mensen waarbij er niets veranderd in dagelijks leven
Experimentele groep= krijgt interventie, aan experiment onderworpen
bv dus medicatie nemen
Blindering= mensen weten niet in welke groep ze zitten of de
onderzoeker weet het niet
Single blind= 1 van de 2 weet het niet (de groep of juist de onderzoeker)
Dubble blind= beiden weten het niet (groep en onderzoeker)
EXAMEN: zijn de elementen van dit RCT in dit artikel voldaan? Waar zoeken: in je methode van de imrad
Zie ik dit terug: random, controlled trial en blinderen
2. Quasi-experimenteel
Er is experimentele manipulatie (T) (er veranderd iets)
Er is geen randomisatie (R) en/of geen controlegroep (C) (bv bij ethische kwesties)
1 (Voor- en) nameting, met controlegroep, geen randomisatie wat is dit?
3
, 2 Tijdreeksonderzoek/ meerdere metingen (experimentele behandeling wordt tussen 2 observaties toegediend)
Bv: lage rugpijn -> 3 weken pijnbeoordelingen, dan nieuwe oefeningen leren voor rus en dan openieuw 3 weken
beoordelingen
Op lange termijn
Meerdere observaties/ metingen van AV
Hoge validiteit
3. Pre-experimenteel onderzoek
Dit is een zwak onderzoek, resultaten kan je niet als waar nemen, weinig controle van onderzoeker
Niet experimentele onderwerpen
Cross-sectioneel onderzoek= transversaal/dwarsdoosnede onderzoek = eenmalige meting op 1 bepaald
moment in tijd bij 1 bepaalde populatie (bv hoeveel mensen besmet met corona)
weinig experiment, 1 variabele meten
Longidutinaal onderzoek = verschillende meetmomenten gedurende langere tijd
--> 2 vormen:
o Retrospectief (gegevens uit verleden, terugkijken gegevens vroerger)
o Prospectief (gericht op verschijnselen die zich in toekomst zullen voordoen)
Cohortstudie duidelijke inclusie- en exclusieve criteria (welke groep betrekken in onderzoek, enkel die
groep resultaten generaliseren) en 1 follow up meting
Case control studie 2 intacte groepen (2 reeds bestaande groepen) waarbij de onafhankelijke variabele
niet wordt gemanipuleerd. Ethiek!
(Bv groep met en zonder epilepsie, je kan dit niet beïnvloeden)
! Alle begrippen kan je combineren dus bv longidutinaal retrospectief cohortstudie
Examen: bewijs dat het hier
gaat om prospectief
onderzoek, een cohort
onderzoek en een case
control onderzoek
-> prospectief: gaat over
Betrouwbaarheid en validiteit
invloed van toekomst van Betrouwbaar: zelfde onderzoek opnieuw doen en in zelfde situatie zelfde
dat kind resultaat
-> Corhort: dus 2 intacte
groepen , valt niet te
manipuleren 4
-> Longidtuinaal:
verschillende momenten