2.1 De Zuid-Amerikaanse politiek
Onafhankelijk
Aan het begin van de negentiende eeuw werden de meeste Zuid-Amerikaanse landen in
korte tijd onafhankelijk van Spanje en Portugal, sommige landen volgden later, behalve
Frans-Guyana.
● Voor de ontwikkeling van Zuid-Amerika, streefden politieke leiders na de
onafhankelijkheid naar een snelle economische ontwikkeling.
→ Door gebruik te maken van het potentieel aan landbouwgrond, mijnbouwproducten en
arbeid, kwamen grote ondernemingen op om aan de buitenlandse behoeften van bepaalde
producten te doen.
→ daardoor el progreso (vooruitgang) behaald en een comparatief voordeel (winst door
producten goedkoper verkopen dan andere landen) op andere landen.
● Het zware en goedkope werk werd gedaan door de oorsponkelijke bewoners en tot
slaaf gemaakte, na de slavernij veranderde er nog steeds weinig aan hun
arbeidsomstandigheden. De voormalige tot slaaf gemaakte werden op achterstand
gehouden, zoals geen scholing, zodat ze zich niet zouden ontwikkelen en vereniging.
● Er vormde een oligarchie, doordat de grootgrondbezitters konden profiteren van de
grote vraag naar landbouwproducten die goedkoop geleverd konden worden. Zij
vormden een machtige elite (economisch en politiek).
● Elite maakte na de slavernij gebruik van de cliëntelisme, om te zorgen dat ze zelf
rijk en invloedrijk blijven en de arme masse afhankelijk van hen.
- Nog steeds zichtbaar, wordt ook gebruikt door drugscriminelen.
Elite versus de rest
De economische groei van Zuid-Amerika is ook te danken aan de industrialisatie, in
moderne steden, die opkwamen rond 1930.
● Kloof tussen arm en rijk ook in de steden: de elite van rijke ondernemers die de
economische en politieke macht hadden, tegenover de arbeiders van het platteland
die hard moeten werken voor een minimaal inkomen.
● Grootgrondbezit bleef aantrekkelijk, goede belegging en statussymbool. Eigenaren in
steden en bedrijfsvoering aan opzichters, de grond bewerkt door goedkope
arbeiders.
→ Het land werd extensief/ veel nodig voor een beetje, de opbrengst per hectare
was laag. Maar vanwege de hoeveelheid alsnog genoeg aan te verdienen.
→De Grondbezitverhouding nog steeds extreem, grote en kleine traditionele
boerenbedrijven naast elkaar.
, ● Ongelijkheid op platteland en in de stad speelt nog steeds een grote rol in politiek,
economie en maatschappij. → De rijke en machtige elite proberen te zorgen dat ze
rijk en machtig blijven ten koste van de arme massa.
Populisme
In 1930 tot 1960 kwam populisme op, een regeringsvorm waarbij een charismatische
nieuwe leider zegt op te komen voor het arme volk, het volk probeert in opstand te krijgen
tegen de elite.
- Met overheids beloftes: over betere arbeidsomstandigheden, lonen en een
verbeterde politieke positie.
Eerste nationalistische leiders voerden een nationalistisch beleid:
- Winsten uit export bij het volk
- Importsubstitutie: producten die werden geïmporteerd worden nu ook in eigen land
geproduceerd → bespaard de overheid geld en leverde meer werkgelegenheid.
- (zo’n populistische leider) gebruikt een groot deel van overheidsgeld voor sociaal
beleid bv. armoedebestrijding. → Voor steun van de arme massa.
● Bv. Juan Perón en Evita Perón, Argentijns koppel geliefd bij het volk:
- Industrialisatie en nationalisatie van de industrie en zette flink in op het sociale
beleid.
- Gebruik van cliëntelisme, door banen en gunsten onder de eigen aanhang te
verdelen.
● In Zuid-Amerika zijn nog steeds weer populistische leiders aan de macht als andere
stromingen niet blijken te werken. → Deze populisten lukt het zelf meestal ook niet
om de armoede en ongelijkheid te beëindigen.
Militaire dictaturen
1960-1990 Veel Zuid-Amerikaanse leiders trokken te veel macht naar zich toe, daardoor
nam in verschillende landen het leger de leiding over. → Militaire dictatoriale regimes,
Junta’s:
- Politieke tegenstanders, kritische journalisten en het gewone volk geterroriseerd. →
Leidde soms tot volksopstand als de positie van het volk verslechterde
→ De zittende dictator gaf soms toe om de eigen machtspositie te beschermen.
→ Andere eindigden in de rechtbank en werden vervolgd voor hun regimes.
● Sommige bloederige dictators konden aan de macht komen door inmenging van de
VS, omdat die bang waren voor het groeiende communisme in Zuid-Amerika.
Democratisering
1980 Zuid-Amerika raakte in een economische crisis, bedrijven failliet, staatsschuld die
opliep, veel werklozen en oplopende inflatie → verzwakte de macht van de militaire dictators
en die maakte plaats voor een democratischer bestuur.
● De rol van het volk in de democratisering: bottom to up
- massale protesten ( voor betere arbeids- en leefomstandigheden)
- Discussiëren in commissies over maatschappelijke problemen