Inhoudsopgave
Hoofdstuk I.1: Wat is psychologie?................................................................................. 3
Wat is psychologie?..................................................................................................... 3
Voorlopers van de psychologie.................................................................................... 3
Toenemend belang van de wetenschap in de maatschappij....................................3
Ontwikkelingen in de filosofie................................................................................... 3
Darwin (1809-1882) en de evolutietheorie...............................................................3
De eerste scholen van de psychologie.......................................................................4
Wilhelm Wundt (1832-1920) en het structuralisme (Europa)...................................4
Binet en de toegepaste psychologie (Europa)..........................................................4
Sigmund Freud (1856-1939) en psychoanalyse (Europa) = ijsbergtheorie...............4
William James (1842-1910) en het functionalisme (Verenigde Staten).....................4
Behaviorisme (Verenigde Staten)............................................................................. 4
Cognitieve psychologie (Verenigde Staten)..............................................................4
Biopsychosociale aanpak in de psychologie -> invloeden op agressie........................4
Onderzoeksmethoden in de psychologie.....................................................................4
Beschrijvend onderzoek........................................................................................... 4
Correlationeel onderzoek......................................................................................... 5
Experimenteel onderzoek......................................................................................... 5
Hoofdstuk I.2: Ontwikkelingspsychologie.......................................................................5
Erikson’s model van levenslange psychosociale ontwikkeling.....................................5
Kindertijd..................................................................................................................... 5
Ontwikkeling van gehechtheid.................................................................................5
Cognitieve ontwikkeling volgens Jean Piaget (1896 – 1980)....................................6
Adolescentie................................................................................................................ 7
Volwassenheid............................................................................................................. 8
Oudere leeftijd............................................................................................................. 8
Inleiding: definitie en dimensies van emoties.............................................................8
Waarom hebben we emoties nodig?............................................................................8
Theorieën.................................................................................................................... 9
James-Lange theorie (1884) -> voor beide hypothesen onvoldoende evidentie......9
Onderzoek naar de universele (basis) emoties........................................................9
Onderzoek naar de fysiologische component van emoties......................................9
Theoretisch pluralisme............................................................................................. 9
Inleiding: het geheugen............................................................................................... 9
Geheugenmodel van Atkinson en Shiffrin (1968)......................................................10
Zintuiglijk/sensorisch geheugen.............................................................................10
1
, Kortetermijngeheugen (enkele minuten – 7 stukken).............................................10
Langetermijngeheugen (permanent – onbeperkt)..................................................10
Werkgeheugen (Baddeley en Hitch)..........................................................................11
Modernere visie......................................................................................................... 11
Het feilbare LTG......................................................................................................... 12
Distinctieve oproepingsaanwijzingen.....................................................................12
Herinnering als reconstructie.................................................................................12
Amnesie................................................................................................................. 12
Emotionele herinneringen...................................................................................... 12
Klassieke conditionering KC = Pavloviaans leren.......................................................13
Ivan Pavlov (1849-1936), principes, terminologie..................................................13
Verwachtings- versus evaluatief leren....................................................................13
Generalisatie.......................................................................................................... 13
Extinctieleren......................................................................................................... 13
Relevante medische setting................................................................................... 14
Interoceptieve angst.............................................................................................. 14
Operante conditionering OC = instrumenteel leren..................................................14
Historiek, principes, terminologie...........................................................................14
Belangrijke fenomenen mbt OC..............................................................................15
Observationeel leren (Obs)........................................................................................ 15
Psychologie: van het labo naar de praktijk................................................................16
Psychoanalyse en psychodynamische therapie - Sigmund Freud (1856 – 1939).......16
Humanistische en cliëntgerichte therapie – Carl Rogers (1902 – 1987)....................16
Cognitieve gedragstherapie CBT...............................................................................16
Acceptance- en mindfulness-benaderingen...............................................................16
Andere therapeutische technieken............................................................................17
2
, Hoofdstuk I.1: Wat is psychologie?
Wat is psychologie?
= een wetenschappelijke discipline die mentale processen en gedrag bij zowel mensen
als dieren bestudeert:
- Gedrag = meten en bestuderen vb. reactietijd, antwoorden vragenlijst
- Mentale processen = afleiden uit een bepaald gedrag vb. redeneren, leren
Cognitieve psychologie = proeven doen op mensen en dieren en hieruit conclusies
trekken voor het menselijk gedrag
Comparatieve psychologie = dieren bestuderen en hieruit conclusies trekken over de
evolutie van dierlijk en menselijk gedrag
Wetenschappelijke psychologie: toetsbare en falsifieerbare theorieën, systematische
observaties en het openbaar maken van bevindingen, data, …
=> wetenschappelijke methode: stellen van een theorie met mogelijke hypotheses als
antwoord waarbij een conclusie getrokken wordt na specifiek onderzoek
Voorlopers van de psychologie
Ontwikkeling duurde zo lang door complexiteit van het onderwerp, het mensbeeld dat
door religie gevormd werd: de menselijke ziel is uniek, niet aards
Plato: “de mens is een tabula rasa” -> alles wordt geleerd door ervaring, opvoeding
Socrates: “elke ziel is een vogelkooi” -> iets herinneren = de juiste vogel nemen
Toenemend belang van de wetenschap in de maatschappij
Na val Romeinse Rijk heeft de Katholieke Kerk een centrale rol = ziel is niet aards
Reformatie en wetenschappelijke revolutie zorgen dat dit idee verdwijnt:
Copernicus: geocentrisme -> heliocentrisme: de zon, en niet de mens, is het centrum
Galilei en Newton zorgen voor de eerste wetenschappelijke wetmatigheden
Ontwikkelingen in de filosofie
Het beeld van Plato en de Katholieke Kerk geven het idee van dualisme = lichaam en
geest worden volledig gescheiden -> klopt niet: deze beïnvloeden elkaar
Descartes (1596-1650): rationalisme (waarheid, zonder observatie, afleiden via rede),
navitisme (sommige kennis is aangeboren), dualistisch interactionisme (geest en
lichaam interageren) en het menselijk lichaam is een machine die wetenschappelijk
bestudeerd kan worden
Hobbes en Locke: empirisme (Engeland) -> tegen rationalisme: observatie is
noodzakelijk, de geest komt via sensorische processen tot stand en kan bestudeerd
worden. Associationisme: hogere orde kennis komt tot stand door associaties van
eenvoudige ideeën = gelijktijdige gebeurtenissen worden mentaal geassocieerd
Darwin (1809-1882) en de evolutietheorie
The origin of species: de mens is afkomstig uit vroegere levensvormen: toevallige
omstandigheden, genetische variatie, natuurlijke selectie en survival of the fittest
De mens ontstaat uit dieren = dieren kunnen iets leren over de mens -> start
comparatieve psychologie
3
Hoofdstuk I.1: Wat is psychologie?................................................................................. 3
Wat is psychologie?..................................................................................................... 3
Voorlopers van de psychologie.................................................................................... 3
Toenemend belang van de wetenschap in de maatschappij....................................3
Ontwikkelingen in de filosofie................................................................................... 3
Darwin (1809-1882) en de evolutietheorie...............................................................3
De eerste scholen van de psychologie.......................................................................4
Wilhelm Wundt (1832-1920) en het structuralisme (Europa)...................................4
Binet en de toegepaste psychologie (Europa)..........................................................4
Sigmund Freud (1856-1939) en psychoanalyse (Europa) = ijsbergtheorie...............4
William James (1842-1910) en het functionalisme (Verenigde Staten).....................4
Behaviorisme (Verenigde Staten)............................................................................. 4
Cognitieve psychologie (Verenigde Staten)..............................................................4
Biopsychosociale aanpak in de psychologie -> invloeden op agressie........................4
Onderzoeksmethoden in de psychologie.....................................................................4
Beschrijvend onderzoek........................................................................................... 4
Correlationeel onderzoek......................................................................................... 5
Experimenteel onderzoek......................................................................................... 5
Hoofdstuk I.2: Ontwikkelingspsychologie.......................................................................5
Erikson’s model van levenslange psychosociale ontwikkeling.....................................5
Kindertijd..................................................................................................................... 5
Ontwikkeling van gehechtheid.................................................................................5
Cognitieve ontwikkeling volgens Jean Piaget (1896 – 1980)....................................6
Adolescentie................................................................................................................ 7
Volwassenheid............................................................................................................. 8
Oudere leeftijd............................................................................................................. 8
Inleiding: definitie en dimensies van emoties.............................................................8
Waarom hebben we emoties nodig?............................................................................8
Theorieën.................................................................................................................... 9
James-Lange theorie (1884) -> voor beide hypothesen onvoldoende evidentie......9
Onderzoek naar de universele (basis) emoties........................................................9
Onderzoek naar de fysiologische component van emoties......................................9
Theoretisch pluralisme............................................................................................. 9
Inleiding: het geheugen............................................................................................... 9
Geheugenmodel van Atkinson en Shiffrin (1968)......................................................10
Zintuiglijk/sensorisch geheugen.............................................................................10
1
, Kortetermijngeheugen (enkele minuten – 7 stukken).............................................10
Langetermijngeheugen (permanent – onbeperkt)..................................................10
Werkgeheugen (Baddeley en Hitch)..........................................................................11
Modernere visie......................................................................................................... 11
Het feilbare LTG......................................................................................................... 12
Distinctieve oproepingsaanwijzingen.....................................................................12
Herinnering als reconstructie.................................................................................12
Amnesie................................................................................................................. 12
Emotionele herinneringen...................................................................................... 12
Klassieke conditionering KC = Pavloviaans leren.......................................................13
Ivan Pavlov (1849-1936), principes, terminologie..................................................13
Verwachtings- versus evaluatief leren....................................................................13
Generalisatie.......................................................................................................... 13
Extinctieleren......................................................................................................... 13
Relevante medische setting................................................................................... 14
Interoceptieve angst.............................................................................................. 14
Operante conditionering OC = instrumenteel leren..................................................14
Historiek, principes, terminologie...........................................................................14
Belangrijke fenomenen mbt OC..............................................................................15
Observationeel leren (Obs)........................................................................................ 15
Psychologie: van het labo naar de praktijk................................................................16
Psychoanalyse en psychodynamische therapie - Sigmund Freud (1856 – 1939).......16
Humanistische en cliëntgerichte therapie – Carl Rogers (1902 – 1987)....................16
Cognitieve gedragstherapie CBT...............................................................................16
Acceptance- en mindfulness-benaderingen...............................................................16
Andere therapeutische technieken............................................................................17
2
, Hoofdstuk I.1: Wat is psychologie?
Wat is psychologie?
= een wetenschappelijke discipline die mentale processen en gedrag bij zowel mensen
als dieren bestudeert:
- Gedrag = meten en bestuderen vb. reactietijd, antwoorden vragenlijst
- Mentale processen = afleiden uit een bepaald gedrag vb. redeneren, leren
Cognitieve psychologie = proeven doen op mensen en dieren en hieruit conclusies
trekken voor het menselijk gedrag
Comparatieve psychologie = dieren bestuderen en hieruit conclusies trekken over de
evolutie van dierlijk en menselijk gedrag
Wetenschappelijke psychologie: toetsbare en falsifieerbare theorieën, systematische
observaties en het openbaar maken van bevindingen, data, …
=> wetenschappelijke methode: stellen van een theorie met mogelijke hypotheses als
antwoord waarbij een conclusie getrokken wordt na specifiek onderzoek
Voorlopers van de psychologie
Ontwikkeling duurde zo lang door complexiteit van het onderwerp, het mensbeeld dat
door religie gevormd werd: de menselijke ziel is uniek, niet aards
Plato: “de mens is een tabula rasa” -> alles wordt geleerd door ervaring, opvoeding
Socrates: “elke ziel is een vogelkooi” -> iets herinneren = de juiste vogel nemen
Toenemend belang van de wetenschap in de maatschappij
Na val Romeinse Rijk heeft de Katholieke Kerk een centrale rol = ziel is niet aards
Reformatie en wetenschappelijke revolutie zorgen dat dit idee verdwijnt:
Copernicus: geocentrisme -> heliocentrisme: de zon, en niet de mens, is het centrum
Galilei en Newton zorgen voor de eerste wetenschappelijke wetmatigheden
Ontwikkelingen in de filosofie
Het beeld van Plato en de Katholieke Kerk geven het idee van dualisme = lichaam en
geest worden volledig gescheiden -> klopt niet: deze beïnvloeden elkaar
Descartes (1596-1650): rationalisme (waarheid, zonder observatie, afleiden via rede),
navitisme (sommige kennis is aangeboren), dualistisch interactionisme (geest en
lichaam interageren) en het menselijk lichaam is een machine die wetenschappelijk
bestudeerd kan worden
Hobbes en Locke: empirisme (Engeland) -> tegen rationalisme: observatie is
noodzakelijk, de geest komt via sensorische processen tot stand en kan bestudeerd
worden. Associationisme: hogere orde kennis komt tot stand door associaties van
eenvoudige ideeën = gelijktijdige gebeurtenissen worden mentaal geassocieerd
Darwin (1809-1882) en de evolutietheorie
The origin of species: de mens is afkomstig uit vroegere levensvormen: toevallige
omstandigheden, genetische variatie, natuurlijke selectie en survival of the fittest
De mens ontstaat uit dieren = dieren kunnen iets leren over de mens -> start
comparatieve psychologie
3