Diabetes algemeen
Stijging bloedsuiker -> productie insuline in de bètacellen van de pancreas ->
stimulatie van de lever: glycogeenproductie uit glucose + opname van glucose
door lichaamscellen -> normalisatie bloedsuiker
Daling bloedsuiker -> productie glucagon in de alfacellen van de pancreas ->
stimulatie van de lever: glycogenolyse -> normalisatie bloedsuiker
Het bloedsuiker moet stabiel blijven, tussen 3,5 en 7,8, voor de suikerverzadiging
van de hersenen. Als eerst wordt het glucose uit het voedsel gebruikt. Als dat op
dreigt te raken, zal de lever glycogeen af gaan breken en komt later ook de
gluconeogenese op gang.
De diagnose diabetes wordt gesteld op:
Nuchter glucose > 7.0 mmol/l [normaal: < 6.1 mmol/l]
Niet-nuchter glucose > 11.1 mmo/l [normaal: < 7.8 mmol/l]
Het HbA1c is het percentage geglycoliceerd hemoglobine. Dit wordt bepaald door
de gemiddelde glucoseconcentratie en de tijd waaraan een hemoglobinemolecuul
blootgesteld is aan deze concentratie.
Klachten: dorst, polyurie, polydipsie, gewichtsverlies/vermagering, dehydratie,
vermoeidheid, recidiverende infecties, keto-acidose (bij DMT1) of
hyperglycemisch hyperosmolair syndroom (bij DMT2), pruritus vulvae op oudere
leeftijd, balanitis, mononeuropathie.
Screening voor diabetes wordt ingezet bij patiënten met een verhoogd risico,
leeftijd > 45 jr. en: kenmerken van overgewicht/metabool syndroom, familiaire
aanleg, etniciteit met verhoogd risico en na zwangerschapsdiabetes.
Diabetes Mellitus type 1 (DMT1)
Bij diabetes type 1 is er sprake van een absoluut insuline tekort. De bètacellen
van de pancreas kunnen geen insuline produceren door een auto-immuunreactie.
Cytotoxische T cellen vallen de bètacellen aan, waardoor deze in regressie gaan.
Door blootstelling aan hoge bloedsuikers, wat in dit geval gebeurd, treedt er nog
meer schade op in deze cellen. Je ziet dan bij het instellen van een goede
therapie dat de overige bètacellen tijdelijk beter zullen gaan functioneren. Dit
fenomeen wordt de Honeymoon fase genoemd.
Bij kinderen met diabetes is er meestal sprake van DMT1. Zij presenteren zichzelf
vaak met een acute keto-acidose i.c.m. andere klachten. Bij volwassenen komt
DMT2 vaker voor, maar kan er ook sprake zijn van een LADA (late onset) DMT1.
Bij hen is er vaak een uitlokkende factor nodig om de ziekte in beeld te krijgen.
Daarbij is DMT1 sterk gerelateerd aan andere auto-immuunziekten zoals de
ziekte van Addison, m. Hashimoto, vitiligo en perniceuze anemie.
Diagnostiek: auto-antistoffen in het bloed (aGAD), C-peptide (komt vrij bij
insulineproductie)
Behandeling: insuline suppletie (meer risico op hypoglycemie)
, Diabetes Mellitus type 2 (DMT2)
Bij diabetes type 2 is er sprake van een insuline-resistentie in combinatie me een
insuline deficiëntie. Deze aandoening is ontstaan vanuit exogene en genetische
factoren. Het komt vaker voor op oudere leeftijd, patiënten met overgewicht en
bij een metabool syndroom (dyslipidemie, hypertensie). Bij het ouder worden
neemt de insuline secretie steeds meer af en de resistentie steeds meer toe. Als
iemand meer resistent is dan dat hij/zij insuline produceert, krijgt hij/zij de
diagnose DMT2.
Overige diabetesvormen
Zwangerschapsdiabetes
Tijdens de zwangerschap kan er een tijdelijke vorm van diabetes optreden,
doordat hormonen van de placenta resistentie tegen insuline veroorzaken. Bij
zwangerschapdiabetes (GDM) ontstaat er een piek in de insulinebehoefte rond
week 24/28 (dan treedt de diabetes meestal op). Deze vorm van diabetes gaat
voorbij na de bevalling, maar patiënten die GDM gehad hebben, hebben wel een
verhoogd risico op het krijgen van DMT2 (daarom screening).
Diabetes na pancreasproblematiek
Nadat een patiënt problemen of zelfs een resectie van de pancreas heeft gehad,
kan hij/zij een secundaire vorm van diabetes ontwikkelen. Deze patiënten hebben
dan een absoluut insuline tekort, waardoor het lijkt op DMT1.
Syndroom van Cushing
Bij het syndroom van Cushing heeft een patiënt verhoogde cortisolwaarden in zijn
bloed. Corticosteroïden kunnen insulineresistentie uitlokken en daarmee ook een
secundaire vorm van diabetes. Deze patiënten hebben dus geen absoluut
insuline tekort, waardoor het meer lijkt op DMT2.
Het dawn fenomeen beschrijft het toenemen van cortisol-gehalten in de vroege
ochtend. Dit fenomeen zorgt ook voor een beetje insuline resistentie en dus ook
toename van het bloedglucose op dit tijdstip.
MODY diabetes
MODY is een autosomaal dominante genetische mutatie dat kan leiden tot
diabetes op redelijk jonge leeftijd. Bij deze aandoening zijn de GLUT2 receptoren
defect. De pancreas kan dus wel insuline produceren, alleen geen signaal
opvangen wanneer de secretie moet plaatsvinden. SU-derivaten zouden dus een
goede behandeling zijn, omdat zij de secretie via een andere receptor stimuleren.
Diabetes als gevolg van immunotherapie
Een belangrijke bijwerking van immunotherapie is het risico op het ontstaan van
auto-immuunziekten, zoals DMT1. Doordat de “rem” van het immuunsysteem af
is, kan het o.a. de bètacellen van de pancreas aanvallen, waardoor de patiënt
een insuline deficiëntie ontwikkeld. De patiënt kan zich dan presenteren met een
DKA.