Inleiding....................................................................................................5
Oorsprong van het recht........................................................................5
Samenleving ordenen............................................................................5
Hoofdstuk 1: Wat is recht?........................................................................6
1. Objectief en subjectief recht..............................................................6
2. Het recht opdelen..............................................................................8
Hoofdstuk 2: Fundamentele beginselen....................................................9
1. Alleen personen hebben rechtspersoonlijkheid.................................9
2. Bronnen van het recht.....................................................................10
3. Voorrangsregels in het recht............................................................11
4. Recht interpreteren..........................................................................12
Hoofdstuk 3 - De Grondwet.....................................................................12
1. Basisbeginselen...............................................................................13
2. De Grondwet wijzigen......................................................................14
Hoofdstuk 4: De bevoegdheidsverdeling in België..................................15
1. De staatstructuur.............................................................................16
2. Bevoegdheden.................................................................................17
3. Bevoegdheidsrechtelijke knopen.....................................................18
Hoofdstuk 5: De wetgevende macht.......................................................19
Inleiding...............................................................................................19
1. Samenstelling..................................................................................20
2. Statuut.............................................................................................21
3. Totstandkomingsproces wetgeving..................................................22
Hoofdstuk 6: De uitvoerende macht.......................................................27
1. Samenstelling..................................................................................27
2. Bevoegdheid....................................................................................28
3. Totstandkoming van besluiten.........................................................29
4. Gedecentraliseerde besturen...........................................................29
5. Administratieve rechtscolleges........................................................30
Hoofdstuk 7: De rechterlijke macht........................................................31
Inleiding...............................................................................................31
1
, 1. Begrippen en beginselen.................................................................32
2. Gerechtelijke rechtscolleges............................................................34
3. Procesverloop..................................................................................37
4. Hoogste rechtscolleges in België.....................................................38
Hoofdstuk 8: Internationaal recht...........................................................39
1. Internationale verdragen.................................................................39
2. Hoe afdwingbaar is internationaal recht?........................................40
3. Grond- en mensenrechten...............................................................40
Hoofdstuk 9: Europees recht...................................................................43
Inleiding...............................................................................................43
1. Werking van de EU...........................................................................44
2. Instellingen en instrumenten...........................................................45
Hoofdstuk 10: Beginselen van privaatrecht............................................47
Inleiding...............................................................................................47
1. Twee basisbouwstenen....................................................................47
2. Belangrijke principes.......................................................................49
Hoofdstuk 11: Verbintenissen.................................................................51
1. Basisbeginselen...............................................................................51
2. Verbintenissen met meerdere voorwerpen en subjecten................53
3. (Niet-)nakoming van verbintenissen................................................54
4. Tenietgaan van verbintenissen........................................................56
Hoofdstuk 12: Overeenkomsten..............................................................58
1. Totstandkoming, geldigheid en kwalificatie.....................................58
2. Niet-nakoming en einde...................................................................60
3. Gevolgen van het contract voor derden..........................................62
Hoofdstuk 13: Onrechtmatige daad........................................................64
1. Algemene situering..........................................................................64
2. Voorwaarden voor aansprakelijkheid...............................................65
3. Gevolgen: plicht tot schadeloosstelling...........................................68
Hoofdstuk 14: Goederenrecht.................................................................69
1. Voorwerpen, goederen, zaken en dieren.........................................69
2. Indeling van goederen.....................................................................69
3. Zakelijke rechten.............................................................................70
2
,Hoofdstuk 15: Personenrecht..................................................................75
Inleiding...............................................................................................75
1. Minderjarigen...................................................................................76
2. Meerderjarige beschermde personen..............................................77
3. Psychiatrische aandoening..............................................................79
Hoofdstuk 16: Familierecht.....................................................................82
1. Horizontaal familierecht: koppels....................................................82
2. Verticaal familierecht: kinderen.......................................................86
3
,Inleiding
1. Wat is recht?
2. Fundamentele beginselen van het recht?
Deel 1: Publiekrecht
3. De Grondwet
4. De bevoegdheidsverdeling in België
De trias politica
5. De wetgevende macht
6. De uitvoerende macht
7. De rechterlijke macht
Internationaal en Europees
8. Internationaal recht
9. Europees Recht
Deel 2: Privaatrecht
10. Beginselen van het privaatrecht
11. Verbintenissenrecht
12. Overeenkomstenrecht
13. Onrechtmatige daad
14. Goederenrecht
15. Personenrecht
16. Familierecht
4
,Inleiding
Oorsprong van het recht
Menselijke conditie: vorm van rechtsbewustzijn en mogelijkheid van opportunisme
o Rechtsbewustzijn rechtsvaardigheid
o Opportunisme machthebbers kunnen eigenbelang bij beslissingen laten
primeren op maatschappelijk belang
Ontstaan: in samenleving nood aan afspraken die mededeelbaar en afdwingbaar
zijn
Recht = systeem
o Rechtvaardige verdeling van schaarse goederen uitoefenen van
individuele vrijheid
Doel: (afh van onderliggende normen en waarden)
o Ordenen van sml
o Algemeen belang dienen
o Streven naar rechtvaardigheid
Samenleving ordenen
Maar ook:
Geschillen vermijden (je gedragen naar recht, vb.; verkeer)
Geschillen beslechten (geschil oplossen, materiële en procedurele regels)
Symbolische functie (recht erkenning geven)
Recht gepaard met:
Overheid:
o Gezag hebbend
o Gebrek aan keuze
Ethiek:
o Morele doelen
Rechtvaardigheid
o Materiële doelen
Fysieke/morele integriteit beschermen
Goederen beschermen
Economisch systeem organiseren
Politiek systeem organiseren
Rechtszekerheid: recht is niet onveranderlijk
Bekendmaking in BS
Duidelijkheid van rechtsregels
Coherentie (regels die samen hangen of elkaar tegen spreken)
Juridische stabiliteit
5
,Hoofdstuk 1: Wat is recht?
1. Objectief en subjectief recht
1.1 Wat is het verschil?
Het recht = objectief recht
Het geheel van algemene gedragsregels opgelegd door een daartoe bevoegde overheid,
die de ordening van het maatschappelijk leven beogen en waarvan de naleving
afdwingbaar is.
Mijn recht = subjectief recht
De individualisering van de rechtsregel. Het is de aanspraak die een persoon ten aanzien
van andere personen aan het objectief recht ontleent.
Objectief recht Subjectief recht
Rechtbank Administratieve Gewone hoven en
rechtscolleges rechtbanken
Geschillen Objectief contentieux Subjectief contentieux
Relatie Jij vs de overheid Jij vs andere burgers
Jij vs de overheid
Gebonden bevoegdheid
Recht zegt wat overheid MOET doen wanneer alle voorwaarden vervuld zijn/in bepaalde
situatie.
Overheid heeft geen keuze, verplichting
o Als overheid verplichting niet nakomt, kan je naar de rechter
o = subjectief recht
Discretionaire bevoegdheid
Het recht geeft de overheid wanneer aan alle voorwaarden voldaan is nog een
beleidsvrijheid.
Overheid krijgt denkruimte
o Overheidsoptreden/rechter kan marginaal toetsen (nakijken of overheid
juist heeft gehandeld)
o ≠ subjectief recht
1.2 Objectief recht
Het geheel van algemene gedragsregels opgelegd door een daartoe bevoegde
overheid, die de ordening van het maatschappelijk leven beogen en waarvan de
naleving afdwingbaar is.
1. Algemeen
a. Recht = algemeen en onpersoonlijk
6
, b. Geld voor iedereen
c. Beschermd tegen willekeur
d. Norm: rechtsregel, uitzondering: individueel besluit
2. Gedrag
a. Recht = beoordeelt (uitwendig) gedrag
i. Wat we doen, niet wat we denken
b. Van rechtssubjecten
i. Natuurlijke personen = mensen
ii. Rechtspersonen = door mens gecreëerde juridische entiteiten
3. Opgelegd
a. Gebod: verplichting iets te doen (vb. mensen in nood helpen)
b. Verbod: verplichting iets niet te doen (vb.: verboden te roken)
c. Verbintenissen: wat recht ons verplicht te doen of laten
i. Inspanningsverbintenis = je best doen (norm)
1. Hoe wordt dit beoordeeld?
a. Meestal: vergelijken met ander voorzichtig, redelijk
persoon in zelfde situatie
b. Som: hoe zou persoon met zichzelf zijn omgegaan in
zelfde situatie
ii. Resultaatsverbintenis = afgesproken/beloofd resultaat bereiken
(uitzondering)
1. Hoe wordt dit beoordeeld?
a. Op basis van resultaat
b. TENZIJ overmacht (vb.: ziek zijn)
2. Hoe herkennen?
a. Duidelijk gebod of verbod
b. Gebrek aan ‘aleatoir karakter’ (onzekerheid)
c. Overeenkomst tss partijen
4. Ordenend
a. Geldende opvatting over rechtvaardigheid te realiseren
5. Bevoegde overheid
a. Instantie die op basis van de grondregels van de rechtsorde de macht heeft
de betreffende norm op te leggen
6. Afdwingbaarheid
a. Voorkeur aan rechtsherstel (bij fouten), bij
i. Onrechtmatige daad
ii. Overeenkomst
iii. In relatie met de overheid
b. Soms ook schadeherstel (bij schade)
c. Sancties
i. Publieke straffen:
1. (repressieve) vrijheidsberoving
2. Vermogensrechtelijke straffen
ii. Private straffen: kan in principe niet
1.3 Subjectief recht
Subjectief recht = rechtsfeit + objectief recht
7
,2. Het recht opdelen
2.1 Nationaal – internationaal – supranationaal
Nationaal: België
o Recht gemaakt in België, door België bevoegde overheid
o Elk land/staat is soeverein
Internationaal: afspraken tussen soevereine staten
Supranationaal: stuk van soevereiniteit afgeven
o Hebben eigen instellingen
2.2 Publiek – privaat
Privaatrecht: privaat belang
o Relatie tss burgers onderling
Publiekrecht: publiek belang
o Organisatie van de overheid
o Onderlinge relatie tss burger en de overheid
Onderscheid vervaagt, MAAR onderscheid blijft van belang:
Dwingend karakter van publiekrecht
Eenzijdig karakter van publiekrecht
o Overheid kan beslissingen opleggen en afdwingen, zonder dat hij eerst
naar rechter moet
Zwaardere verplichtingen in publiekrecht
Overheid neemt zelf initiatief om normenschending af te dwingen
8
,Hoofdstuk 2: Fundamentele beginselen
1. Alleen personen hebben rechtspersoonlijkheid
1.1 Rechtssubjecten
= zijn dragers van rechten en plichten
Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon heeft een vermogen en, behoudens indien
de wet anders bepaalt, slechts één enkel vermogen.
Rechtspersonen = juridische constructies opgericht door de wet of door natuurlijke
personen
Hebben eigen rechtspersoonlijkheid en -vermogen
Kunnen in eigen naam en voor eigen rekening optreden in rechtsverkeer en
hebben een eigen vermogen
Binnen bepaalde grenzen:
o Wettelijkheidsbeginsel
Voldoen aan bepaalde wettelijke voorwaarden
Wet kent beperkt aantal rechtsvormen
o Doelbeperkingsbeginsel
Moeten bepaald ‘statutair doel’ hebben
En mogen enkel binnen dat doel handelen
Wat is het nut:
o Enkel vermogen van rechtspersoon is aanspreekbaar, niet de natuurlijke
persoon die het heeft opgericht
Dragers van rechten en plichten, MAAR
o Rechtsbekwaamheid: heb je het recht?
o Handelingsbekwaamheid: mag je het recht zelf uitoefenen?
o Wilsbekwaamheid: kan je het recht zelf uitoefenen?
1.2 Rechtsobjecten
= zijn geen dragers van rechten en plichten
Voorwerpen, ongeacht of ze natuurlijk of kunstmatig, lichamelijk of onlichamelijk zijn,
zijn te onderscheiden van dieren. Voorwerpen en dieren zijn te onderscheiden van
personen.
Voorwerpen
Lichamelijk: dingen die je kan vastnemen
Onlichamelijk: iets dat je niet kan vastnemen, maar wel geldige waarde heeft (vb.:
liedjes)
Dieren
Hebben zelfde regels als voorwerpen, MAAR aparte onderscheiding in wetboek
o Hebben gevoelensvermogens (soms regels van kinderen toepassen op
dieren)
9
, Voorwerpen en dieren kunnen voor rechtssubjecten aanleiding geven tot rechten
en plichten
2. Bronnen van het recht
2.1 Materiële en formele bronnen
Materiële bron = inhoudelijke regel die zegt wat mijn recht is en de drijfveren
daarachter
De inhoud
Formele bron = juridische bron waarin deze regel staat
De vindplaats
Formele bron
Bindend
o (formele) wetten
Wet, decreet, ordonnantie
o Besluiten uitvoerende macht
KB, MB, provinciale en gemeentelijke verordening
o Gebruiken en gewoonten
Ongeschreven regels
o Algemene rechtsbeginselen
Regels die zo fundamenteel zijn dat ze niet zijn neergeschreven
Gezaghebbend
o Rechtspraak
Interpretaties
o Rechtsleer
Wat juristen schrijven over recht
2.2 Materiële en formele wetten
Verdere indeling van bindende, geschreven formele bronnen van het recht
(formele wetten & besluiten uitvoerende macht)
Formele wet = beslissing gestemd door een wetgevende macht, ongeacht onpersoonlijk
karakter (organiek)
Materiële wet = algemene rechtsregel met onpersoonlijk en verbindend karakter
uitgevaardigd door bevoegde overheid (gelding)
Niet alle, maar meeste formele wetten zijn ook materiële wet
Niet alle materiële wetten zijn formele wet
10