of the Middle
Ages
,Prelude: The Roman World Transformed (c.300–
c.600).
Aan het begin van de derde eeuw omringde het Romeinse Rijk de
Middellandse Zee. Het strekte zich uit over het huidige Spanje, Engeland,
Wales, Frankrijk, België, de Balkan, Turkije, Syrië, Libanon, Israël, Egypte
en Noord-Afrika. Alle vrije mannen binnen het rijk hadden tegen het jaar
212 het Romeinse burgerrecht gekregen.
Hoewel de 18e-eeuwse historicus Edward Gibbon beroemd werd met zijn
stelling over de “ondergang en val” van het Romeinse Rijk, werd dit idee in
de jaren 1960 uitgedaagd door Peter Brown. Brown introduceerde de term
“Late Antiquity” voor de periode 150–750 en benadrukte juist de culturele
en religieuze vitaliteit ervan. Tegenwoordig hanteren de meeste historici
een genuanceerde visie: hoewel sommigen (zoals historici Bryan Ward-
Perkins en Kyle Harper betogen) te maken kregen met een daling van de
levensstandaard, klimaatverandering en pandemieën, gold dit niet voor
iedereen. Historica Judith Herren benadrukt juist de dynamiek van een
‘nieuw gekerstende wereld’. Het Romeinse Rijk was geen blok, maar een
lappendeken van diverse regio’s; achteruitgang voor de ene groep
betekende vaak verjonging voor een andere.
The Provincialization of the Empire (c.250–c.350)
Rond het midden van de derde eeuw (c.250–c.350) werd het Romeinse Rijk
te groot om door één man vanuit Rome te worden bestuurd. Dit leidde tot
de zogenaamde crisis van de derde eeuw, waarin het rijk van buitenaf
onder druk werd gezet door de Perzen in het oosten en diverse
“barbaarse” volkeren langs de Rijn- en Donau-grenzen. De Romeinse
overheid reageerde hierop met ingrijpende hervormingen die de provincies
meer op de voorgrond brachten.
Het leger werd uitgebreid en gereorganiseerd met mobiele troepen.
Steden kregen stadsmuren en er werden nieuwe fortificaties gebouwd.
Omdat de rekrutering uit de grensplatserijen haperde (onder meer door
een pokkenepidemie in de jaren 252–267), begon het leger in toenemende
mate Germaanse en andere barbaarse soldaten op te nemen in ruil voor
land.
Tussen 235 en 284 kampten de Romeinen met een politieke
opvolgingscrisis waarin meer dan twintig mannen tot keizer werden
,uitgeroepen; de meesten van hen kwamen uit de Donau-regio. Dit
stimuleerde de opkomst van “afsplitsingsrijken”. Keizer Diocletianus
bracht de crisis onder controle en verdeelde het rijk in vieren (de
Tetrarchie) voor administratieve en militaire doeleinden. Rome verloor
hierdoor haar centrale positie als hoofdstad aan steden die dichter bij de
legerhoofdkwartieren lagen, zoals Trier, Milaan, Thessaloniki en Nicomedia.
Constantijn zette deze verdeling voort en stichtte een nieuwe hoofdstad:
Constantinopel (het voormalige Byzantium).
De hele samenleving militariseerde. Om het leger te bekostigen en te
voeden, debaseerde de overheid de munt, verhoogde ze de belastingen en
vorderde ze goederen en diensten op. Dit zorgde voor gierende inflatie. De
staat werd afhankelijk van dwangarbeid van ambachtslieden en boeren om
legermateriaal en voedsel te produceren. De rijkdom verschoof
onherroepelijk van Rome naar de provincies.
A New Religion
De regeerperiode van Constantijn markeerde ook de transformatie van het
rijk op religieus gebied. Oorspronkelijk was Palestina een broeinest van
radicale joodse ideeën. Na de dood van Jezus verspreidde de joodse
bekeerling Paulus het christendom onder niet-joden (Gentiles). De kern
van het geloof was dat Jezus de zoon van God en de Messias was, en dat
geloof in hem leidde tot verlossing en eeuwig leven.
Aanvankelijk stonden elite-Romeinen onverschillig tegenover het
christendom, dat vooral lagere klassen aantrok. Het traditionele
polytheïsme (paganisme) was lokaal en huiselijk verankerd, met rituelen
voor lokale goden en geesten van de doden. Het christendom bood echter
ook aantrekkingskracht aan stadsbewoners uit de middenklasse en de
opgeleide elite. Het verving “de uitverkorenen” van de intellectuele elite
door “de uitverkorenen van God”.
Het Romeinse establishment vervolgde christenen in tijden van crisis,
omdat men dacht dat de weigering van christenen om aan de traditionele
goden te offeren de toorn van de goden over het rijk afriep. Grote, door de
staat georganiseerde vervolgingen begonnen in de jaren 250 en
culmineerden in de “Grote Vervolging” onder Diocletianus in 303–304.
Desondanks groeide het christendom gestaag, met name in steden en
gebieden zoals Edessa en Ethiopië. De kerk was strak georganiseerd in
een tweeledig systeem: de leken (laity) en de geestelijkheid (clergy). De
geestelijkheid stond onder leiding van een regionale bisschop (episkopos),
bijgestaan door priesters (presbyteroi) en diakens. De bisschoppen van
, grote steden zoals Alexandrië, Antiochië, Carthago, Jeruzalem en Rome
kregen een leidende rol.
In 313 vaardigden Constantijn en Licinius het Edict van Milaan uit, dat
religieuze tolerantie voor alle religies in het rijk garandeerde, inclusief het
christendom. Constantijn begunstigde de kerk door bezittingen terug te
geven, kerken te bouwen en privileges aan priesters te verlenen.
Constantinopel werd gesticht als een expliciet christelijke stad. Aan het
einde van de vierde eeuw verklaarde keizer Theodosius I het christendom
tot de officiële staatsreligie van het Romeinse Rijk, waarna christelijke
menigten heidense tempels begonnen te vernielen.
Doctrine
Met de officiële erkenning kwamen ook grote interne theologische
conflicten aan het licht. Een van de grootste doctrineschisma’s ontstond
door de priester Arius (250–336) uit Alexandrië, die betoogde dat God de
Vader uniek was en dat Jezus de Zoon door Hem was geschapen en dus
ondergeschikt aan Hem was. Dit botste met de orthodox-katholieke visie
van bisschop Athanasius, die stelde dat de Vader, de Zoon en de Heilige
Geest drie personen in één wezen waren (de Drie-eenheid).
Om dit conflict op te lossen riep Constantijn in 325 het Concilie van Nicaea
bijeen. Hier werd de ariaanse visie veroordeeld en werd vastgelegd dat de
Zoon van dezelfde substantie (homoousios) is als de Vader. Het Arianisme
bleef echter nog lang populair, vooral onder Germaanse volkeren zoals de
Goten, die via de zendeling Ulfila tot deze vorm van het christendom
waren bekeerd. Latere concilies, zoals die van Chalcedon (451),
debatteerden verder over de goddelijke en menselijke natuur van Christus.
Tegelijkertijd ontstonden er andere theologische twisten:
- Donatisten: In Noord-Afrika weigerden zij bisschoppen te
accepteren die tijdens de vervolgingen heilige boeken aan de
Romeinse autoriteiten hadden overgedragen.
- Manicheeërs: Zij geloofden in een dualistisch universum van goed
(geest/licht) en kwaad (materie/duisternis).
- Pelagianen: Pelagius stelde dat de mens uit vrije wil en door eigen
inspanning redding kon bereiken, wat fel werd bestreden door
Augustinus van Hippo. Augustinus benadrukte de erfzonde en stelde
dat de mens volledig afhankelijk is van Gods genade voor verlossing.
In zijn invloedrijke werk De Stad Gods (The City of God) scheidde hij
de vergankelijke, aardse steden van de eeuwige hemelse stad.