Hoofdstuk 1: Kansarmoede
Kansarmoede bij kinderen
= duurzame toestand waarbij een gezin door beperkte materiële en financiële middelen niet voldoende deel kan
nemen aan maatschappelijk geaccepteerde goederen en diensten, zoals onderwijs, arbeid en huisvesting.
Wanneer een kind minstens 3 van de 17 mist, leeft die volgens de EU in ''deprivatie'', of armoede.
- Nieuwe kleren
- Twee paar schoenen van dezelfde maat
- Elke dag verse groenten en fruit
- Elke dag eiwitten
- Leeftijdsgebonden boeken thuis
- Recreatiemateriaal voor buiten (fiets, skeelers enz.)
- Aan de leeftijd aangepaste binnenspelen
- Regelmatige vrijetijdsbesteding (sport, muziek...)
- Viering van speciale gelegenheden (verjaardagen, religieuze feestdagen enz.)
- Vrienden uitnodigen om af en toe te komen spelen en eten
- Een week vakantie per jaar weg van huis
- Deelname aan schoolexcursies
- Het vervangen van versleten meubilair
- Geen achterstallige betalingen
- Toegang tot het internet
- Voldoende verwarmde accommodatie
- Toegang tot een auto voor eigen gebruik, indien nodig
Kansarmoede in Vlaanderen
Criteria voor kansarmoede Kind en Gezin (kansarmoede index)
1. Inkomen
2. Arbeidssituatie
3. Opleiding ouders
4. Huisvesting
5. Ontwikkeling van de kinderen
6. Gezondheid
→ een gezin wordt als kansarm gezien als het op 3 van bovenstaande indicatoren slecht scoort
Kansarmoede index = Drukt uit hoe groot het aandeel kinderen van 0 tot 3 jaar in kansarmoede is ten opzichte
van het totale aantal kinderen van 0 tot 3 jaar. (groter in steden).
Nadeel in het onderwijs: meer kans op vertraging en achterstanden en ook minder kans om een diploma te
behalen van het hoger onderwijs.
,Ongelijkheid in het onderwijs
Sociale lift = zou de rol van de school moeten zijn, maar deze blijft in het "watervalsysteem"
bv veel kinderen die blijven zitten en snel verwezen worden naar BUSO
⇒ zorgt voor een verzwakking van sociale en economische weerbaarheid in de samenleving
Mensen zijn kansarm op meer dan 1 vlak:
Wonen:
- Meestal achterbuurten
- Slechte huisvesting
- Enge behuizing biedt minder kans op goede motorische ontwikkeling
- Komt gezondheid niet ten goede (slechte hygiëne etc.)
Gezinssituatie:
- Vaak kleine kring van familie / lotgenoten als kennissen
- Stress zorgt voor afreageren van sterke emoties op elkaar
- Van jongs af aan verantwoordelijkheid opnemen
- School gaat ervan uit dat je na de lessen tijd hebt te studeren
Vrije tijd:
- Veel in eigen kring
- Geen sportclubs/jeugdbewegingen door financiële drempel
- Vervreemding met andere kinderen op school die dit wel hebben
- Veel op straat (connotatie bevordert uitsluiting verder)
Wanorde:
- Geen vast tijdschema
- Vaak rommel overal
- Overleven biedt geen kans om te plannen
Taalcultuur:
- Weinig stimulerend thuismilieu:
o Lawaaierig
o Jonge kinderen kunnen minder gericht taal opmerken
- Weinig taalstimulatie
Psychologische mechanismen van uitsluiting en handhaving:
Uitsluiting:
- Gebrek aan sociale bindingen
- Kinderen staan buitenspel op school / in de maatschappij
- School geeft weinig voldoening, wat leidt tot negatieve feedback
→ geen positieve binding met leerkracht, school, conventionele samenleving
Stigmatisering:
- Kinderen in kansarmoede worden blootgesteld aan vooroordelen
vb. dom, ongedisciplineerd ...
- Nemen negatieve verwachtingen op in zel>beeld
, Peergroep:
⇒ groep van soortgenoten
- Veiligheid en zeker status binnen groep van jongeren in zelfde schuitje
- Experimenteerruimte voor non-conformistisch gedrag
- Negatieve stempel van buitenstaanders maakt interne cohesie sterker
- Grotere verschillen tussen algemeen aanvaarde cultuur en subcultuur van deze jongeren leiden tot hogere
risico’s op het ondervinden van de controlerende en sanctionerende functie van jeugdinstellingen /
maatschappelijke instellingen.
Reacties op uitsluiting:
- Enorme inzet
→ bewijzen dat ze van goede wil zijn
- Opgeven
→ contact met negatieve ervaringen vermijden
- Schijnaanpassing
→ smoesjes om negatieve effecten te vermijden
- Opstandigheid
→ destructief gedrag (openlijk revolteren)
Onderwijs:
Theorie: een van beste plaatsen om kansen voor zichzelf te creëren
Praktijk: kinderen uit (kans)arme gezinnen hebben zwakkere startpositie
→ ongelijke start door onvoldoende voorbereiding
Ouders in generatie arme gezinnen kregen en krijgen minder kansen
→ kunnen hun eigen kinderen daarom ook minder kansen geven
Hiërarchie van behoeften (Maslow):
→ optimale zelfontplooiing
→ basisbehoeften zijn bij kansarme gezinnen vaak onvolledig ingevuld
Probleem met doorsnee-onderwijs:
- Te veel gefocust op kinderen uit middenklasse
- Veronderstelling dat kinderen uit sociaal zwakkere groepen hun inzichten, vaardigheden en attitudes op
dezelfde manier hebben kunnen ontwikkelen