1. Pasgeborene en zuigeling 7
H1: Bevallen in Vlaanderen 7
H2: Eerste levensweek, medische problemen en screening 7
2.1 Vroeg neonatale problemen - de eerste levensweek 7
2.1.1 Vroeg vs laat en licht vs zwaar 7
2.1.2 Onderzoek neonatus door de (kinder)arts 8
2.1.2.1 Orthopedisch onderzoek 8
2.1.2.2 Neurologisch onderzoek 9
2.1.2.3 Tijdschaal van de adaptatieproblemen bij een normale voldragen baby
(dagen) 11
2.1.2.4 Hyperbilirubinemie 12
2.1.2.5 Lichaamsgewicht 15
2.1.2.6 Cardiologisch onderzoek 15
2.2 Waarom screenen we? 16
2.2.1 Wat en wanneer? 16
2.2.2 Sensitiviteit 17
2.2.3 Specificiteit 17
H3: Wiegendoodpreventie 18
3.1 Definitie 18
3.2 Wat ziet men tijdens ‘gedocumenteerde’ wiegendood 19
3.3 Preventie campagnes 19
3.4 Aanbevelingen en adviezen 20
H4: Vaccinaties bij pasgeborenen en zuigelingen (< 15m) 21
4.1 Enkele definities 21
4.1.1 Antigen vs antistof 21
4.1.2 Seropositiviteit 22
4.1.3 Actieve en passieve immunisatie 23
4.2 Het afweersysteem 23
4.2.1 Aangeboren inwendige - niet specifieke afweer 23
4.2.2 Verworven inwendige afweer: immuniteit 24
4.3 Preventie van infectieziekten - vaccinatiebeleid 25
4.3.1 Doelstelling vaccinatie 25
4.3.2 Bijsturen vaccinaties 25
4.4 Hoe werkt een vaccin? 26
4.5 Waarom vaccineren? 26
4.5.1 Poliomyelitis 26
4.5.2 Difterie of kroep 27
4.5.3 Tetanus 27
4.5.4 Pertussis of kinkhoest 27
4.5.5 Haemophilus influenzae type B 27
4.5.6 Hepatitis B 27
4.5.7 Mazelen 28
4.5.8 Bof parotitis 28
1
, 4.5.9 Rubella 28
4.5.10 Meningokok C 28
4.5.11 Pneumokokken 28
4.5.12 Rotavirus 29
4.5.13 Humaan papillomavirus (HPV) 29
4.6 Contra-indicaties voor vaccinatie 29
2. Chronische ziektebeelden bij kinderen 30
H1: Diabetes mellitus 30
1.1 Vormen van diabetes mellitus bij het kind 30
1.2 Oorzaken en gevolgen insulinetekort 32
1.3 Diagnose 33
1.4 Initiële presentatie: keto-acidose of niet? 33
1.4.1 Pathogenese 33
1.4.2 Klinisch beeld 33
1.4.3 Biochemisch 34
1.4.4 Eerste stappen van behandeling 34
1.5 Behandeling 34
1.5.1 Fysiologie: effecten van insuline 34
1.5.2 Insulinepomp 35
1.6 Ernstige hypoglycemie 36
H2: Atopie 37
2.1 Ziektemechanisme 37
2.2 Oorzaken atopie 39
2.3 Ziektebeeld atopie 40
2.4 Diagnostiek atopie 40
2.5 Acute therapie atopie 40
H3: Eczeem 41
3.1 Atopische/constitutionele eczeem 41
3.2 Klassieke distributie 41
3.3 Lokale dermatotherapeutica 42
H4: Astma 43
4.1 Wheezing 43
4.2 Diagnose astma 44
4.3 Longfunctie 44
4.4 Uitlokker van astma 45
4.5 Behandeling 45
4.5.1 Doel van behandeling 45
4.5.2 Therapievormen 46
4.5.2.1 Soorten medicatie 46
4.5.2.2 Toediening via inhalatie 46
4.5.2.3 Partikeldepositie 47
4.5.2.4 Knelpunten 47
4.5.2.5 Technieken 47
4.5.2.6 Nevenwerkingen 48
2
, 1. β2-receptoragonisten 49
2. Anticholinergica 49
3. Glucocorticoïden 49
H5: Nefrologische en urinaire problemen 50
5.1 Normale anatomie en fysiologie van de blaas 50
5.1.1 Normale blaasfunctie 51
5.1.2 Blaasstockage 52
5.1.3 Micturatie (= plassen) 52
5.1.4 Elektromechanische spieractiviteit op EEG 52
5.1.5 Chronologie van de mictiecontrole (stadia) 53
5.1.5.1 Stadium I: van 0 tot 6 maand 53
5.1.5.2 Stadium II: van 6 maand tot 1 jaar 53
5.1.5.3 Stadium III: van 1 tot 2 jaar 53
5.1.5.4 Stadium IV: van 3 tot 4 jaar 53
5.2 Afwijkingen in de anatomie en fysiologie van de blaas 53
5.2.1 Overactieve blaas 53
5.2.2 Dysfunctionele leging 54
5.2.3 Plasproblemen overdag: aandoeningen 54
5.2.4 Urotherapie 54
5.2.5 Enuresis 55
5.2.6 Urineweginfectie 56
5.3 Nierfunctie 57
5.3.1 Proteinurie 57
5.3.2 Hematurie 58
5.3.3 Klinische ziektebeelden bij chronisch nierlijden 58
H6: Epilepsie 59
6.1 Inleiding: wat is epilepsie? 59
6.1.1 Definities 59
6.1.2 Kenmerken 59
6.1.3 Cijfers over epilepsie 59
6.1.4 Diagnose epilepsie 59
6.1.5 Link met anatomie 59
6.2 Kinder-epilepsie: window of vulnerability 60
6.3 Diagnose 61
6.4 Neonatale neurologie 62
6.5 Aanvallen 62
6.5.1 Gegeneraliseerde aanvallen 63
6.5.2 Focale aanvallen 63
6.5.3 Uitlokkende factoren 64
6.6 Oorzaken epilepsie 64
6.6.1 Structurele afwijkingen 64
6.7 Epilepsiesyndromen op kinderleeftijd 65
6.7.1 Absence epilepsie of ‘petit mal’ 65
6.7.1.1 Typisch verloop van absence aanval 65
3
, 6.7.1.2 Inclusie- en exclusiecriteria 65
6.7.2 Rolandische epilepsie 66
6.7.3 West syndroom - zuigeling 67
6.7.4 Koortsconvulsie 67
6.8 Behandeling 68
6.8.1 Soorten behandeling 68
6.8.1.1 Medicatie 68
6.8.1.2 Ketogeen dieet 68
6.8.1.3 Nervus vagusstimulator 69
6.8.1.4 Leefregels epilepsie 69
6.8.2 Stoppen van een aanval 69
H7: Neuromusculaire aandoeningen 70
7.1 Inleiding 70
7.2 Upper motor neuron problemen (UMN) 71
7.2.1 Definitie 71
7.2.2 Prevalentie en oorzaken 71
7.2.3 Behandeling en therapie 72
7.2.4 Graad van beperking 73
7.2.5 Geassocieerde problemen 73
7.3 Lower motor neuron problemen (LMN) 74
7.3.1 Inleiding 74
7.3.2 Klinische presentatie - symptomen 75
7.3.3 Klinisch onderzoek 76
7.3.4 Diagnose 77
7.3.5 Behandeling 77
7.3.6 Vormen 77
7.3.6.1 Voorste hoorncel (motor neuron) - spinale musculaire atrofie (SMA) 77
1. Pathogenese 78
2. Breed klinisch spectrum 78
3. Behandeling 79
4. Neonatale screening 79
7.3.6.2 Perifere zenuw 79
1. Charcot-Marie-Tooth (CMT) 79
2. Guillain-Barré-syndroom (GBS) 80
7.3.6.3 Neuromusculaire verbinding 80
1. Myasthenia gravis (MG) 80
2. Congenitaal myastheniesyndroom (CMS) 80
7.3.6.4 Spieren - Duchenne-spierdystrofie (DMD) 80
1. Degeneratief verloop in DMD 81
2. Klinische kenmerken 82
3. Behandeling 82
H8: Gewichtsevolutie, groei en puberteit 83
8.1 Gewichtsevolutie 83
8.1.1 Definities 83
4
, 8.1.2 Aandoeningen 84
8.1.2.1 Gastro-Esopahgaele reflux disease (GERD) 84
8.1.2.2 Pylorushypertrofie 86
8.1.2.3 Coeliakie 87
8.1.2.4 Cystic fibrosis - mucoviscidose 88
8.2 Groei 90
8.2.1 Groeicurven 91
8.2.2 Link puberteit en groei 91
8.2.3 Te klein 92
8.3 Puberteit 94
8.3.1 Basismechanisme 94
8.3.1.1 Endocrinologisch 94
8.3.1.2 Hypothalamus-hypofyse-gonaden 95
8.3.1.3 Ontwikkeling 95
8.3.1.4 Puberteitsscore Tanner 96
8.3.1.5 Tijsverloop van puberteitsveranderingen 96
8.3.2 Pubertas praecox en tarda 96
8.3.2.1 Pubertas praecox 96
8.3.2.2 Pubertas tarda 98
8.3.3 Turner syndroom 98
H9: Kinderothopedie 99
9.1 Proporties 99
9.2 Leren stappen 100
9.2.1 Symmetrie 100
9.2.2 Wanneer verdere stappen ondernemen? 100
9.2.3 Heelkundige correctie 101
9.2.4 Misvormingen 101
9.2.5 Wat is normaal en wat is abnormaal? 101
9.3 Beenlengteverschil 102
9.4 Heupproblematiek 102
9.4.1 Congenitale heupdysplasie 102
9.4.2 Transiënte synovitis 104
9.4.3 Epifysiolyse van de heup 104
9.4.4 Calve Legg Perthes ziekte 105
9.5 Voetafwijkingen 105
9.5.1 Platvoet 105
9.5.2 Klompvoet 105
9.5.3 Holvoet 106
9.6 Thorax- en rugafwijkingen 106
9.6.1 Inspectie van de thorax 106
9.6.2 Spinale afwijkingen 106
9.6.2.1 Scoliosis 107
9.6.2.2 Kyphosis of lordosis 107
9.7 Hoofd- en halsafwijkingen 108
5
, 9.7.1 Torti collis 108
9.7.2 (Deformatieve) schedelvorming 108
3. Jeugdgezondheidszorg, kindermishandeling en therapietrouw 109
H1: Landschap van de jeugdgezondheidszorg 109
1.1 Integrale jeugdhulp 109
1.2 Preventieve gezondheidszorg 109
1.2.1 Kind & Gezin/opgroeien 109
1.2.2 Schoolloopbaan 110
1.2.3 Buitengewoononderwijs 110
1.2.4 CLB 110
1.3 Niet-rechtstreekse jeugdhulp 111
1.3.1 Ondersteuningscentrum Jeugdzorg (OCJ) 111
1.3.2 Vertrouwenscentra kindermishandeling (VK) 111
1.3.3 Parket 112
H2: Herkennen van kindermishandeling: geen kinderspel 112
2.1 Inleiding en context 112
2.1.1 Epidemiologie van mishandeling en verwaarlozing 112
2.1.2 Types mishandeling 112
2.1.3 Wie loopt er een groter risico? 112
2.1.4 Bias en rode vlaggen 113
2.2 Herkennen van fysieke mishandeling 113
2.2.1 Hematomen 113
2.2.1.1 Lokalisatie van letsels 113
2.2.1.2 Aantal 114
2.2.1.3 Specifieke patronen 114
2.2.1.4 Datering 114
2.2.1.5 Systematiek 115
2.2.2 Brandwonden 115
2.2.2.1 Toegebracht letsel 115
2.2.2.2 Brandwonden door immersie 115
2.2.3 Bijtwonden 116
2.2.4 Fracturen 116
2.2.4.1 Onstaanmechanisme fracturen 116
2.2.4.2 Vormen 116
2.2.4.3 Dateren van fracturen 116
2.2.4.4 Context en verhaal 116
2.2.5 Verwaarlozing: failure to thrive 116
2.3 Herkennen van niet accidenteel hoofdtrauma 117
2.4 Herkennen van seksueel misbruik 117
2.5 Take home messages 118
H3: Therapietrouw 118
6
, Inleiding tot de ziekteleer van het kind
1. Pasgeborene en zuigeling
H1: Bevallen in Vlaanderen
Enkele gegevens:
● Verminderde nataliteit -> verminderde nood aan neonatale zorg
● Toename leeftijd moeder bij eerste zwangerschap (primipara) -> toename medische zorg
○ Later bevallen -> hogere kans op verwikkelingen
○ Vb. zwangerschapsdiabetes (9% in Vlaanderen): OPL = dieet en soms insuline
■ Gevolg: aangeboren afwijkingen voor het kind
○ Vb. hogere kans op diabetes type II op latere leeftijd
○ Vb. zwangerschapsvergiftiging - hoge bloeddruk (hypertensie)
● Minder tienerzwangerschappen
● Toename in keizersneden
● Laag % HIV in België -> gaat ook zelden nog afwijkingen veroorzaken
● Prematuur < 37 weken
○ In België: medische zorg vanaf 24 weken mogelijk
○ Redenen van opname: geelzucht, ernstig zuurstoftekort, …
H2: Eerste levensweek, medische problemen en screening
2.1 Vroeg neonatale problemen - de eerste levensweek
● Geboorte is een normaal fysiologisch gebeuren
● Maar voor een klein percentage pasgeborenen gaat de geboorte en de postnatale periode
gepaard met een hoog risico op morbiditeit en op mortaliteit
● Omgekeerd kunnen de intra-uteriene en perinatale problemen blijvende gevolgen hebben op
de kwaliteit van overleving
○ Bij 10 -15% van de pasgeboren baby’s is er medische interventie nodig om ze te
redden (infectie, prematuur, zuurstoftekort, aangeboren afwijkingen…)
○ Bij geboorte moet vocht uit de longen gaan waardoor baby erin slaagt te kunnen
ademen => eigenlijk een relatief bijzonder proces
○ MAAR bij vroeggeboren baby’s werken de longen nog niet goed (nog geen goede
ontwikkeling; onvoldoende rijping)
2.1.1 Vroeg vs laat en licht vs zwaar
Voldoende draagtijd: 37 -41 weken => classificatie in functie van zwangerschapsduur
● Te vroeg - te laat - op tijd?
○ Op tijd geboren = a term = PML (postmenstruele leeftijd) 37 tot en met 41 weken
■ Dus voldoende rijping
■ Optimaal
○ Te vroeg = premature / preterme geboorte: < 37 weken PML
■ vb. van complicatie = geelzucht
○ Te laat = postterme geboorte: > 42 weken PML
■ Arbeid moet medisch op gang gebracht worden
7
, ● Te licht -te zwaar -normaal gewicht?
○ Biometrische gegevens worden uitgezet op groeicurven
■ Moeilijk om voor iedereen een ‘normaal gewicht’ te geven -> afh van lengte
vs gewicht vs zwangerschapsduur
■ DUS gaan opdeling maken volgens AGA, SGA en LGA rekening houdend met
verschillende factoren én zwangerschapsduur
■ In percentielen met P50 als gemiddelde
■ X-as = zwangerschapsduur en y-as = lichaamsgewicht
○ AGA = appropriate for gestational age
■ Normaal gewicht voor de zwangerschapsduur: 10 < p < 90
■ Normaal: rond de 2,5 kg
○ SGA = small for gestational age
■ Te laag gewicht voor de zwangerschapsduur: = < p 10
■ Gevarieerde oorzaken: vb. CMV infecties, mama’s met hypertensie, …
○ LGA = large for gestational age
■ Te hoog gewicht voor de zwangerschapsduur: = > p 90
■ Grote meerderheid zal diabetes ontwikkelen
2.1.2 Onderzoek neonatus door de (kinder)arts
Neonatus = kind tot de leeftijd van 28 dagen -> wordt onderzocht door de (kinder)arts
Doel onderzoek:
● Opsporen aangeboren afwijkingen en acute situaties
● Opsporen infecties
● Beoordelen algemene conditie, voedingstoestand en vitale functies
● Kijken naar andere belangrijke zaken:
○ Varianten van het normale
○ Hyperbilirubinemie
○ Gewichtsevolutie
Er wordt ook een screening gedaan: Guthrie, gehoor, cardiaal
Het eerste klinisch onderzoek bestaat uit verschillende onderdelen:
● Biometrie (cf hoger, te groot/te klein)
● Orthopedisch
● Neurologisch
2.1.2.1 Orthopedisch onderzoek
● Heupen -> zit de heupkop goed in de kom
○ Controleren op vb. arthrose (eerder op lange termijn)
○ Testen:
■ Ortolani test of Barlow manoeuvre
■ Ultrasound
○ Problemen: congenitale heupdysplasie
■ Aanleg van de heupkom niet optimaal -> de heupkop past dan niet goed in
de heupkom
■ Komt vaak voor bij stuipligging, meerlingen of familiaal (erfelijk)
8
, ○ Behandeling: Pavlik apparaat
■ Niet volledig vastzetten <-> gips
■ Alsof ze op een paard zitten
2.1.2.2 Neurologisch onderzoek
● Apgar-score: na 1, 5 en 10 minuten -> hoe past de baby zich aan na de geboorte
○ Kijken goed de baby het doet na de geboorte
■ Toekennen na 1 minuut -5 minuten -10 minuten
■ Vooral 5 en 10 minuten zijn van belang
○ Inschatting maken over pasgeborenen en of we iets moeten doen
○ Puntenschaal op 10:
■ Zoveel mogelijk punten halen maar 7/10 is voldoende
■ Vnl evolutie bekijken: als het slechter wordt -> probleem
○ Verschillende onderdelen scoren:
■ Activity = spierspanning
■ Pulse = polsslag, hartslag
■ Grimace = reflexen, irritabiliteit
■ Appearance = huidskleur van lichaam en ledematen
■ Respiration = ademhaling, wenen (ademhalingspatroon)
● Reflexen: verschillende primaire reflexen (= reflexen die op termijn verdwijnen)
○ Zoekreflex (rooting) = hoofd zal draaien als je het gaat stimuleren (vb. met vinger aan
mondje)
■ Voor borstvoeding: naar tepel zoeken
■ 4 maanden
9
, ○ Zuigreflex = zuigreflex die baby helpt met eten
■ Relatief vroeg aanwezig (28 -30 weken pc)
■ Zuigen zonder verslikken is ontwikkelingsgebonden
■ Vanaf 34 weken -> te vroeg geboren baby’s gaan relatief lang sondevoeding
krijgen omdat ze nog niet kunnen drinken zonder verslikken
○ Galant reflex = wanneer baby op buik + onderarmen gelegd wordt en de ruggengraat
gestimuleerd wordt van boven naar beneden -> heup aan die kant 45° abduceren
■ Rond de 20e week van de zwangerschap
■ Helpt baby om geboren te worden
○ Moro reflex = als kind schrikt gaat het armen snel open doen en traag terug sluiten
■ Deel van klinisch onderzoek om te kijken of baby eventueel geen letsel heeft
na de bevalling
■ Hoofdje moet op middenlijn liggen om symmetrisch effect te krijgen
■ Palms will be upwards
■ Vanaf 6 maanden
○ Grijpreflex (palmar): baby sluit de hand rond een voorwerp
○ Babinski reflex = over de voetzool gaan strelen -> tenen strekken (dorsiflex)
■ Heel normaal bij pasgeboren baby’s maar heel afwijkend bij volwassenen
○ Stap reflex = als je baby op ondergrond gaat zetten gaat baby de benen bewegen
alsof ze aan het wandelen zijn
■ Puur reflexpatroon dus niks te maken met echt wandelen
■ Gewoon reflexen die vrij betekenisloos zijn, weinig relevant
○ Fencing reflex: hoofd naar een kant draaien - reflex om been en arm aan dezelfde
kant te strekken
● Schedel- en hersenstructuren
○ Anders bij pasgeboren baby -> schedelnaden nog niet gesloten zijn
○ Kunnen als tektonische platen over elkaar sluiten om de bevalling gemakkelijker te
maken maar moeten na geboorte dus nog samengroeien
○ Schudden van een baby is dus gevaarlijk = shaken baby
■ Baby’s hebben een te groot hoofd in vergelijking met hun lichaam
■ Bloedvaten kunnen openscheuren
○ Verschillende afwijkingen mogelijk
■ Cefaal hematoom = bloedcollectie binnen de suturen dat zorgt voor zwelling
op hoofd van baby
■ Caput succedaneum = erytheem tgv vacuümextractie waarbij hoofdje
tijdelijk de vorm van het geboortekanaal krijgt
● Betekenisloos: gaat verdwijnen dus ouders gewoon geruststellen
● Locatie hangt af van de plaats waar het vacuüm is aangebracht
10
H1: Bevallen in Vlaanderen 7
H2: Eerste levensweek, medische problemen en screening 7
2.1 Vroeg neonatale problemen - de eerste levensweek 7
2.1.1 Vroeg vs laat en licht vs zwaar 7
2.1.2 Onderzoek neonatus door de (kinder)arts 8
2.1.2.1 Orthopedisch onderzoek 8
2.1.2.2 Neurologisch onderzoek 9
2.1.2.3 Tijdschaal van de adaptatieproblemen bij een normale voldragen baby
(dagen) 11
2.1.2.4 Hyperbilirubinemie 12
2.1.2.5 Lichaamsgewicht 15
2.1.2.6 Cardiologisch onderzoek 15
2.2 Waarom screenen we? 16
2.2.1 Wat en wanneer? 16
2.2.2 Sensitiviteit 17
2.2.3 Specificiteit 17
H3: Wiegendoodpreventie 18
3.1 Definitie 18
3.2 Wat ziet men tijdens ‘gedocumenteerde’ wiegendood 19
3.3 Preventie campagnes 19
3.4 Aanbevelingen en adviezen 20
H4: Vaccinaties bij pasgeborenen en zuigelingen (< 15m) 21
4.1 Enkele definities 21
4.1.1 Antigen vs antistof 21
4.1.2 Seropositiviteit 22
4.1.3 Actieve en passieve immunisatie 23
4.2 Het afweersysteem 23
4.2.1 Aangeboren inwendige - niet specifieke afweer 23
4.2.2 Verworven inwendige afweer: immuniteit 24
4.3 Preventie van infectieziekten - vaccinatiebeleid 25
4.3.1 Doelstelling vaccinatie 25
4.3.2 Bijsturen vaccinaties 25
4.4 Hoe werkt een vaccin? 26
4.5 Waarom vaccineren? 26
4.5.1 Poliomyelitis 26
4.5.2 Difterie of kroep 27
4.5.3 Tetanus 27
4.5.4 Pertussis of kinkhoest 27
4.5.5 Haemophilus influenzae type B 27
4.5.6 Hepatitis B 27
4.5.7 Mazelen 28
4.5.8 Bof parotitis 28
1
, 4.5.9 Rubella 28
4.5.10 Meningokok C 28
4.5.11 Pneumokokken 28
4.5.12 Rotavirus 29
4.5.13 Humaan papillomavirus (HPV) 29
4.6 Contra-indicaties voor vaccinatie 29
2. Chronische ziektebeelden bij kinderen 30
H1: Diabetes mellitus 30
1.1 Vormen van diabetes mellitus bij het kind 30
1.2 Oorzaken en gevolgen insulinetekort 32
1.3 Diagnose 33
1.4 Initiële presentatie: keto-acidose of niet? 33
1.4.1 Pathogenese 33
1.4.2 Klinisch beeld 33
1.4.3 Biochemisch 34
1.4.4 Eerste stappen van behandeling 34
1.5 Behandeling 34
1.5.1 Fysiologie: effecten van insuline 34
1.5.2 Insulinepomp 35
1.6 Ernstige hypoglycemie 36
H2: Atopie 37
2.1 Ziektemechanisme 37
2.2 Oorzaken atopie 39
2.3 Ziektebeeld atopie 40
2.4 Diagnostiek atopie 40
2.5 Acute therapie atopie 40
H3: Eczeem 41
3.1 Atopische/constitutionele eczeem 41
3.2 Klassieke distributie 41
3.3 Lokale dermatotherapeutica 42
H4: Astma 43
4.1 Wheezing 43
4.2 Diagnose astma 44
4.3 Longfunctie 44
4.4 Uitlokker van astma 45
4.5 Behandeling 45
4.5.1 Doel van behandeling 45
4.5.2 Therapievormen 46
4.5.2.1 Soorten medicatie 46
4.5.2.2 Toediening via inhalatie 46
4.5.2.3 Partikeldepositie 47
4.5.2.4 Knelpunten 47
4.5.2.5 Technieken 47
4.5.2.6 Nevenwerkingen 48
2
, 1. β2-receptoragonisten 49
2. Anticholinergica 49
3. Glucocorticoïden 49
H5: Nefrologische en urinaire problemen 50
5.1 Normale anatomie en fysiologie van de blaas 50
5.1.1 Normale blaasfunctie 51
5.1.2 Blaasstockage 52
5.1.3 Micturatie (= plassen) 52
5.1.4 Elektromechanische spieractiviteit op EEG 52
5.1.5 Chronologie van de mictiecontrole (stadia) 53
5.1.5.1 Stadium I: van 0 tot 6 maand 53
5.1.5.2 Stadium II: van 6 maand tot 1 jaar 53
5.1.5.3 Stadium III: van 1 tot 2 jaar 53
5.1.5.4 Stadium IV: van 3 tot 4 jaar 53
5.2 Afwijkingen in de anatomie en fysiologie van de blaas 53
5.2.1 Overactieve blaas 53
5.2.2 Dysfunctionele leging 54
5.2.3 Plasproblemen overdag: aandoeningen 54
5.2.4 Urotherapie 54
5.2.5 Enuresis 55
5.2.6 Urineweginfectie 56
5.3 Nierfunctie 57
5.3.1 Proteinurie 57
5.3.2 Hematurie 58
5.3.3 Klinische ziektebeelden bij chronisch nierlijden 58
H6: Epilepsie 59
6.1 Inleiding: wat is epilepsie? 59
6.1.1 Definities 59
6.1.2 Kenmerken 59
6.1.3 Cijfers over epilepsie 59
6.1.4 Diagnose epilepsie 59
6.1.5 Link met anatomie 59
6.2 Kinder-epilepsie: window of vulnerability 60
6.3 Diagnose 61
6.4 Neonatale neurologie 62
6.5 Aanvallen 62
6.5.1 Gegeneraliseerde aanvallen 63
6.5.2 Focale aanvallen 63
6.5.3 Uitlokkende factoren 64
6.6 Oorzaken epilepsie 64
6.6.1 Structurele afwijkingen 64
6.7 Epilepsiesyndromen op kinderleeftijd 65
6.7.1 Absence epilepsie of ‘petit mal’ 65
6.7.1.1 Typisch verloop van absence aanval 65
3
, 6.7.1.2 Inclusie- en exclusiecriteria 65
6.7.2 Rolandische epilepsie 66
6.7.3 West syndroom - zuigeling 67
6.7.4 Koortsconvulsie 67
6.8 Behandeling 68
6.8.1 Soorten behandeling 68
6.8.1.1 Medicatie 68
6.8.1.2 Ketogeen dieet 68
6.8.1.3 Nervus vagusstimulator 69
6.8.1.4 Leefregels epilepsie 69
6.8.2 Stoppen van een aanval 69
H7: Neuromusculaire aandoeningen 70
7.1 Inleiding 70
7.2 Upper motor neuron problemen (UMN) 71
7.2.1 Definitie 71
7.2.2 Prevalentie en oorzaken 71
7.2.3 Behandeling en therapie 72
7.2.4 Graad van beperking 73
7.2.5 Geassocieerde problemen 73
7.3 Lower motor neuron problemen (LMN) 74
7.3.1 Inleiding 74
7.3.2 Klinische presentatie - symptomen 75
7.3.3 Klinisch onderzoek 76
7.3.4 Diagnose 77
7.3.5 Behandeling 77
7.3.6 Vormen 77
7.3.6.1 Voorste hoorncel (motor neuron) - spinale musculaire atrofie (SMA) 77
1. Pathogenese 78
2. Breed klinisch spectrum 78
3. Behandeling 79
4. Neonatale screening 79
7.3.6.2 Perifere zenuw 79
1. Charcot-Marie-Tooth (CMT) 79
2. Guillain-Barré-syndroom (GBS) 80
7.3.6.3 Neuromusculaire verbinding 80
1. Myasthenia gravis (MG) 80
2. Congenitaal myastheniesyndroom (CMS) 80
7.3.6.4 Spieren - Duchenne-spierdystrofie (DMD) 80
1. Degeneratief verloop in DMD 81
2. Klinische kenmerken 82
3. Behandeling 82
H8: Gewichtsevolutie, groei en puberteit 83
8.1 Gewichtsevolutie 83
8.1.1 Definities 83
4
, 8.1.2 Aandoeningen 84
8.1.2.1 Gastro-Esopahgaele reflux disease (GERD) 84
8.1.2.2 Pylorushypertrofie 86
8.1.2.3 Coeliakie 87
8.1.2.4 Cystic fibrosis - mucoviscidose 88
8.2 Groei 90
8.2.1 Groeicurven 91
8.2.2 Link puberteit en groei 91
8.2.3 Te klein 92
8.3 Puberteit 94
8.3.1 Basismechanisme 94
8.3.1.1 Endocrinologisch 94
8.3.1.2 Hypothalamus-hypofyse-gonaden 95
8.3.1.3 Ontwikkeling 95
8.3.1.4 Puberteitsscore Tanner 96
8.3.1.5 Tijsverloop van puberteitsveranderingen 96
8.3.2 Pubertas praecox en tarda 96
8.3.2.1 Pubertas praecox 96
8.3.2.2 Pubertas tarda 98
8.3.3 Turner syndroom 98
H9: Kinderothopedie 99
9.1 Proporties 99
9.2 Leren stappen 100
9.2.1 Symmetrie 100
9.2.2 Wanneer verdere stappen ondernemen? 100
9.2.3 Heelkundige correctie 101
9.2.4 Misvormingen 101
9.2.5 Wat is normaal en wat is abnormaal? 101
9.3 Beenlengteverschil 102
9.4 Heupproblematiek 102
9.4.1 Congenitale heupdysplasie 102
9.4.2 Transiënte synovitis 104
9.4.3 Epifysiolyse van de heup 104
9.4.4 Calve Legg Perthes ziekte 105
9.5 Voetafwijkingen 105
9.5.1 Platvoet 105
9.5.2 Klompvoet 105
9.5.3 Holvoet 106
9.6 Thorax- en rugafwijkingen 106
9.6.1 Inspectie van de thorax 106
9.6.2 Spinale afwijkingen 106
9.6.2.1 Scoliosis 107
9.6.2.2 Kyphosis of lordosis 107
9.7 Hoofd- en halsafwijkingen 108
5
, 9.7.1 Torti collis 108
9.7.2 (Deformatieve) schedelvorming 108
3. Jeugdgezondheidszorg, kindermishandeling en therapietrouw 109
H1: Landschap van de jeugdgezondheidszorg 109
1.1 Integrale jeugdhulp 109
1.2 Preventieve gezondheidszorg 109
1.2.1 Kind & Gezin/opgroeien 109
1.2.2 Schoolloopbaan 110
1.2.3 Buitengewoononderwijs 110
1.2.4 CLB 110
1.3 Niet-rechtstreekse jeugdhulp 111
1.3.1 Ondersteuningscentrum Jeugdzorg (OCJ) 111
1.3.2 Vertrouwenscentra kindermishandeling (VK) 111
1.3.3 Parket 112
H2: Herkennen van kindermishandeling: geen kinderspel 112
2.1 Inleiding en context 112
2.1.1 Epidemiologie van mishandeling en verwaarlozing 112
2.1.2 Types mishandeling 112
2.1.3 Wie loopt er een groter risico? 112
2.1.4 Bias en rode vlaggen 113
2.2 Herkennen van fysieke mishandeling 113
2.2.1 Hematomen 113
2.2.1.1 Lokalisatie van letsels 113
2.2.1.2 Aantal 114
2.2.1.3 Specifieke patronen 114
2.2.1.4 Datering 114
2.2.1.5 Systematiek 115
2.2.2 Brandwonden 115
2.2.2.1 Toegebracht letsel 115
2.2.2.2 Brandwonden door immersie 115
2.2.3 Bijtwonden 116
2.2.4 Fracturen 116
2.2.4.1 Onstaanmechanisme fracturen 116
2.2.4.2 Vormen 116
2.2.4.3 Dateren van fracturen 116
2.2.4.4 Context en verhaal 116
2.2.5 Verwaarlozing: failure to thrive 116
2.3 Herkennen van niet accidenteel hoofdtrauma 117
2.4 Herkennen van seksueel misbruik 117
2.5 Take home messages 118
H3: Therapietrouw 118
6
, Inleiding tot de ziekteleer van het kind
1. Pasgeborene en zuigeling
H1: Bevallen in Vlaanderen
Enkele gegevens:
● Verminderde nataliteit -> verminderde nood aan neonatale zorg
● Toename leeftijd moeder bij eerste zwangerschap (primipara) -> toename medische zorg
○ Later bevallen -> hogere kans op verwikkelingen
○ Vb. zwangerschapsdiabetes (9% in Vlaanderen): OPL = dieet en soms insuline
■ Gevolg: aangeboren afwijkingen voor het kind
○ Vb. hogere kans op diabetes type II op latere leeftijd
○ Vb. zwangerschapsvergiftiging - hoge bloeddruk (hypertensie)
● Minder tienerzwangerschappen
● Toename in keizersneden
● Laag % HIV in België -> gaat ook zelden nog afwijkingen veroorzaken
● Prematuur < 37 weken
○ In België: medische zorg vanaf 24 weken mogelijk
○ Redenen van opname: geelzucht, ernstig zuurstoftekort, …
H2: Eerste levensweek, medische problemen en screening
2.1 Vroeg neonatale problemen - de eerste levensweek
● Geboorte is een normaal fysiologisch gebeuren
● Maar voor een klein percentage pasgeborenen gaat de geboorte en de postnatale periode
gepaard met een hoog risico op morbiditeit en op mortaliteit
● Omgekeerd kunnen de intra-uteriene en perinatale problemen blijvende gevolgen hebben op
de kwaliteit van overleving
○ Bij 10 -15% van de pasgeboren baby’s is er medische interventie nodig om ze te
redden (infectie, prematuur, zuurstoftekort, aangeboren afwijkingen…)
○ Bij geboorte moet vocht uit de longen gaan waardoor baby erin slaagt te kunnen
ademen => eigenlijk een relatief bijzonder proces
○ MAAR bij vroeggeboren baby’s werken de longen nog niet goed (nog geen goede
ontwikkeling; onvoldoende rijping)
2.1.1 Vroeg vs laat en licht vs zwaar
Voldoende draagtijd: 37 -41 weken => classificatie in functie van zwangerschapsduur
● Te vroeg - te laat - op tijd?
○ Op tijd geboren = a term = PML (postmenstruele leeftijd) 37 tot en met 41 weken
■ Dus voldoende rijping
■ Optimaal
○ Te vroeg = premature / preterme geboorte: < 37 weken PML
■ vb. van complicatie = geelzucht
○ Te laat = postterme geboorte: > 42 weken PML
■ Arbeid moet medisch op gang gebracht worden
7
, ● Te licht -te zwaar -normaal gewicht?
○ Biometrische gegevens worden uitgezet op groeicurven
■ Moeilijk om voor iedereen een ‘normaal gewicht’ te geven -> afh van lengte
vs gewicht vs zwangerschapsduur
■ DUS gaan opdeling maken volgens AGA, SGA en LGA rekening houdend met
verschillende factoren én zwangerschapsduur
■ In percentielen met P50 als gemiddelde
■ X-as = zwangerschapsduur en y-as = lichaamsgewicht
○ AGA = appropriate for gestational age
■ Normaal gewicht voor de zwangerschapsduur: 10 < p < 90
■ Normaal: rond de 2,5 kg
○ SGA = small for gestational age
■ Te laag gewicht voor de zwangerschapsduur: = < p 10
■ Gevarieerde oorzaken: vb. CMV infecties, mama’s met hypertensie, …
○ LGA = large for gestational age
■ Te hoog gewicht voor de zwangerschapsduur: = > p 90
■ Grote meerderheid zal diabetes ontwikkelen
2.1.2 Onderzoek neonatus door de (kinder)arts
Neonatus = kind tot de leeftijd van 28 dagen -> wordt onderzocht door de (kinder)arts
Doel onderzoek:
● Opsporen aangeboren afwijkingen en acute situaties
● Opsporen infecties
● Beoordelen algemene conditie, voedingstoestand en vitale functies
● Kijken naar andere belangrijke zaken:
○ Varianten van het normale
○ Hyperbilirubinemie
○ Gewichtsevolutie
Er wordt ook een screening gedaan: Guthrie, gehoor, cardiaal
Het eerste klinisch onderzoek bestaat uit verschillende onderdelen:
● Biometrie (cf hoger, te groot/te klein)
● Orthopedisch
● Neurologisch
2.1.2.1 Orthopedisch onderzoek
● Heupen -> zit de heupkop goed in de kom
○ Controleren op vb. arthrose (eerder op lange termijn)
○ Testen:
■ Ortolani test of Barlow manoeuvre
■ Ultrasound
○ Problemen: congenitale heupdysplasie
■ Aanleg van de heupkom niet optimaal -> de heupkop past dan niet goed in
de heupkom
■ Komt vaak voor bij stuipligging, meerlingen of familiaal (erfelijk)
8
, ○ Behandeling: Pavlik apparaat
■ Niet volledig vastzetten <-> gips
■ Alsof ze op een paard zitten
2.1.2.2 Neurologisch onderzoek
● Apgar-score: na 1, 5 en 10 minuten -> hoe past de baby zich aan na de geboorte
○ Kijken goed de baby het doet na de geboorte
■ Toekennen na 1 minuut -5 minuten -10 minuten
■ Vooral 5 en 10 minuten zijn van belang
○ Inschatting maken over pasgeborenen en of we iets moeten doen
○ Puntenschaal op 10:
■ Zoveel mogelijk punten halen maar 7/10 is voldoende
■ Vnl evolutie bekijken: als het slechter wordt -> probleem
○ Verschillende onderdelen scoren:
■ Activity = spierspanning
■ Pulse = polsslag, hartslag
■ Grimace = reflexen, irritabiliteit
■ Appearance = huidskleur van lichaam en ledematen
■ Respiration = ademhaling, wenen (ademhalingspatroon)
● Reflexen: verschillende primaire reflexen (= reflexen die op termijn verdwijnen)
○ Zoekreflex (rooting) = hoofd zal draaien als je het gaat stimuleren (vb. met vinger aan
mondje)
■ Voor borstvoeding: naar tepel zoeken
■ 4 maanden
9
, ○ Zuigreflex = zuigreflex die baby helpt met eten
■ Relatief vroeg aanwezig (28 -30 weken pc)
■ Zuigen zonder verslikken is ontwikkelingsgebonden
■ Vanaf 34 weken -> te vroeg geboren baby’s gaan relatief lang sondevoeding
krijgen omdat ze nog niet kunnen drinken zonder verslikken
○ Galant reflex = wanneer baby op buik + onderarmen gelegd wordt en de ruggengraat
gestimuleerd wordt van boven naar beneden -> heup aan die kant 45° abduceren
■ Rond de 20e week van de zwangerschap
■ Helpt baby om geboren te worden
○ Moro reflex = als kind schrikt gaat het armen snel open doen en traag terug sluiten
■ Deel van klinisch onderzoek om te kijken of baby eventueel geen letsel heeft
na de bevalling
■ Hoofdje moet op middenlijn liggen om symmetrisch effect te krijgen
■ Palms will be upwards
■ Vanaf 6 maanden
○ Grijpreflex (palmar): baby sluit de hand rond een voorwerp
○ Babinski reflex = over de voetzool gaan strelen -> tenen strekken (dorsiflex)
■ Heel normaal bij pasgeboren baby’s maar heel afwijkend bij volwassenen
○ Stap reflex = als je baby op ondergrond gaat zetten gaat baby de benen bewegen
alsof ze aan het wandelen zijn
■ Puur reflexpatroon dus niks te maken met echt wandelen
■ Gewoon reflexen die vrij betekenisloos zijn, weinig relevant
○ Fencing reflex: hoofd naar een kant draaien - reflex om been en arm aan dezelfde
kant te strekken
● Schedel- en hersenstructuren
○ Anders bij pasgeboren baby -> schedelnaden nog niet gesloten zijn
○ Kunnen als tektonische platen over elkaar sluiten om de bevalling gemakkelijker te
maken maar moeten na geboorte dus nog samengroeien
○ Schudden van een baby is dus gevaarlijk = shaken baby
■ Baby’s hebben een te groot hoofd in vergelijking met hun lichaam
■ Bloedvaten kunnen openscheuren
○ Verschillende afwijkingen mogelijk
■ Cefaal hematoom = bloedcollectie binnen de suturen dat zorgt voor zwelling
op hoofd van baby
■ Caput succedaneum = erytheem tgv vacuümextractie waarbij hoofdje
tijdelijk de vorm van het geboortekanaal krijgt
● Betekenisloos: gaat verdwijnen dus ouders gewoon geruststellen
● Locatie hangt af van de plaats waar het vacuüm is aangebracht
10