Hoofdstuk 1: Methodes van sociaalpsychologisch
onderzoek
Er zijn drie manieren (methodes) om iets te leren over hoe mensen zich sociaal
gedragen.
De keuze van de methode hangt af van de onderzoeksvraag, wat je precies wilt
weten.
1. De beschrijvende methode
2. De correlationele methode
3. De experimentele methode
1: Beschrijvende methode (begrijpende methode)
Bij de beschrijvende methode probeert de onderzoeker gedrag te beschrijven
zoals het echt gebeurt. Je probeert feiten te verzamelen over wat mensen doen,
maar je legt nog niet uit waarom ze dat doen.
Er zijn twee manieren om dat te doen:
1. Observatie (waarnemen)
2. Zelfbeschrijvingen (mensen vertellen zelf over hun gedrag)
1.1: Observatie
Bij observatie bekijkt de onderzoeker het gedrag van mensen zoals het echt
gebeurt, in een natuurlijke situatie. Je probeert niet tussen te komen of iets te
veranderen, maar gewoon te observeren wat er spontaan gebeurt.
Voorbeeld: wachtverzachters
Sommige gemeenten plaatsen aan verkeerslichten een
wachtverzachter, een schermpje dat toont hoelang het
nog duurt voor je mag oversteken.
Een sociaal psycholoog kan zich dan afvragen: “Zorgt een wachtverzachter
ervoor dat mensen minder vaak door rood oversteken?”
De onderzoeker kan dan:
Op verschillende plaatsen observeren (met en zonder wachtverzachter).
Turven hoeveel mensen door rood oversteken en hoeveel wachten.
Zo krijgt hij feiten over echt gedrag.
Ons brein houdt van controle en voorspelbaarheid. Als je voor een rood licht staat
zonder te weten hoelang het nog duurt, word je ongeduldig. Maar als je een
aftelklok ziet, lijkt de situatie duidelijk en controleerbaar. Daardoor wachten
mensen vaak langer en rustiger.
1
, Ecologische validiteit
Een belangrijk begrip bij observatieonderzoek is ecologische validiteit.
Het betekent: “Komt het onderzoek overeen met hoe mensen zich echt
gedragen in het dagelijks leven?”
Bij observatieonderzoek is de ecologische validiteit heel hoog, omdat:
Mensen zich gedragen in hun natuurlijke omgeving (bijv. op straat, in een
winkel, op school).
Er geen kunstmatige of opgelegde situatie is.
Je meet dus echt gedrag zoals het voorkomt in het echte leven. Bij
laboratoriumonderzoek is dat minder het geval: daar is de omgeving vaak
kunstmatig en gedragen mensen zich anders omdat ze weten dat ze
geobserveerd worden.
Nadelen van observatie
1: Tijdrovend
Je moet vaak lang wachten voor het gedrag dat je wil zien, zich voordoet.
Bijvoorbeeld: als je wil weten hoe vaak mensen iemand redden die in het
water valt, kun je weken wachten zonder dat het gebeurt.
2: Geen oorzaken vaststellen
Je kunt wel zien dát mensen iets doen, maar niet waarom. Bijvoorbeeld:
Als mensen meer wachten bij een wachtverzachter, kan dat komen door de
klok…
Maar misschien ook omdat het daar rustiger is, of omdat het tijdstip anders
is.
Je kunt dus geen harde conclusie trekken over wat de oorzaak is van het gedrag.
2
, 1.2: Zelfbeschrijvingen
Bij deze methode wil ik iets te weten komen, en dat doe ik gewoon door het aan
mensen te vragen. Ik gebruik daarvoor interviews of vragenlijsten om informatie
te krijgen over wat ik wil bestuderen.
Covert gedrag
Zelfbeschrijvingen zijn nuttig bij ‘covert’ processen, dat zijn dingen die je
niet rechtstreeks kunt zien.
Bv. zoals wat mensen denken, voelen, leuk of niet leuk vinden, of wat hen
motiveert.
Omdat we daar geen zicht op hebben, is het nuttig om mensen
rechtstreeks te vragen wat ze daarvan vinden of hoe ze zich daarbij
voelen.
Overt gedrag
Deze methode is ook handig bij ‘overt’ gedragingen die niet vaak
voorkomen.
Wanneer je iets wil weten over gedrag dat zelden te observeren is, kan je
het beter vragen aan mensen die het zelf hebben meegemaakt.
Voorbeeld: scheidingsfeestjes
Een voorbeeld hiervan zijn scheidingsfeestjes: feesten die mensen geven als ze
gescheiden zijn, om te vieren dat ze weer vrij zijn. Omdat zulke feesten niet vaak
voorkomen, kan je ze moeilijk observeren. Daarom kan je mensen vragen:
“Wat doet dat met jou?”,
“Wat gaat er door je heen?”,
“Helpt zo’n feest je om alles af te sluiten (closure)?”
Op die manier kom je meer te weten over hun gevoelens en ervaringen.
Zelfs bij zichtbaar gedrag spelen vaak innerlijke gedachten en gevoelens
mee. Daarom vragen onderzoekers aan mensen waarom ze iets doen, om inzicht
te krijgen in hun gedachten en gevoelens. → scheidingsfeest kon dus een
impulsief iets zijn
Zelfbeschrijvingen zijn handig, omdat je er bijna alles over kunt vragen,
ook gedrag dat moeilijk te observeren is.
Bijvoorbeeld: “Wanneer was je getuige van een ongeval of misdrijf, en wat
deed je toen?”
3
onderzoek
Er zijn drie manieren (methodes) om iets te leren over hoe mensen zich sociaal
gedragen.
De keuze van de methode hangt af van de onderzoeksvraag, wat je precies wilt
weten.
1. De beschrijvende methode
2. De correlationele methode
3. De experimentele methode
1: Beschrijvende methode (begrijpende methode)
Bij de beschrijvende methode probeert de onderzoeker gedrag te beschrijven
zoals het echt gebeurt. Je probeert feiten te verzamelen over wat mensen doen,
maar je legt nog niet uit waarom ze dat doen.
Er zijn twee manieren om dat te doen:
1. Observatie (waarnemen)
2. Zelfbeschrijvingen (mensen vertellen zelf over hun gedrag)
1.1: Observatie
Bij observatie bekijkt de onderzoeker het gedrag van mensen zoals het echt
gebeurt, in een natuurlijke situatie. Je probeert niet tussen te komen of iets te
veranderen, maar gewoon te observeren wat er spontaan gebeurt.
Voorbeeld: wachtverzachters
Sommige gemeenten plaatsen aan verkeerslichten een
wachtverzachter, een schermpje dat toont hoelang het
nog duurt voor je mag oversteken.
Een sociaal psycholoog kan zich dan afvragen: “Zorgt een wachtverzachter
ervoor dat mensen minder vaak door rood oversteken?”
De onderzoeker kan dan:
Op verschillende plaatsen observeren (met en zonder wachtverzachter).
Turven hoeveel mensen door rood oversteken en hoeveel wachten.
Zo krijgt hij feiten over echt gedrag.
Ons brein houdt van controle en voorspelbaarheid. Als je voor een rood licht staat
zonder te weten hoelang het nog duurt, word je ongeduldig. Maar als je een
aftelklok ziet, lijkt de situatie duidelijk en controleerbaar. Daardoor wachten
mensen vaak langer en rustiger.
1
, Ecologische validiteit
Een belangrijk begrip bij observatieonderzoek is ecologische validiteit.
Het betekent: “Komt het onderzoek overeen met hoe mensen zich echt
gedragen in het dagelijks leven?”
Bij observatieonderzoek is de ecologische validiteit heel hoog, omdat:
Mensen zich gedragen in hun natuurlijke omgeving (bijv. op straat, in een
winkel, op school).
Er geen kunstmatige of opgelegde situatie is.
Je meet dus echt gedrag zoals het voorkomt in het echte leven. Bij
laboratoriumonderzoek is dat minder het geval: daar is de omgeving vaak
kunstmatig en gedragen mensen zich anders omdat ze weten dat ze
geobserveerd worden.
Nadelen van observatie
1: Tijdrovend
Je moet vaak lang wachten voor het gedrag dat je wil zien, zich voordoet.
Bijvoorbeeld: als je wil weten hoe vaak mensen iemand redden die in het
water valt, kun je weken wachten zonder dat het gebeurt.
2: Geen oorzaken vaststellen
Je kunt wel zien dát mensen iets doen, maar niet waarom. Bijvoorbeeld:
Als mensen meer wachten bij een wachtverzachter, kan dat komen door de
klok…
Maar misschien ook omdat het daar rustiger is, of omdat het tijdstip anders
is.
Je kunt dus geen harde conclusie trekken over wat de oorzaak is van het gedrag.
2
, 1.2: Zelfbeschrijvingen
Bij deze methode wil ik iets te weten komen, en dat doe ik gewoon door het aan
mensen te vragen. Ik gebruik daarvoor interviews of vragenlijsten om informatie
te krijgen over wat ik wil bestuderen.
Covert gedrag
Zelfbeschrijvingen zijn nuttig bij ‘covert’ processen, dat zijn dingen die je
niet rechtstreeks kunt zien.
Bv. zoals wat mensen denken, voelen, leuk of niet leuk vinden, of wat hen
motiveert.
Omdat we daar geen zicht op hebben, is het nuttig om mensen
rechtstreeks te vragen wat ze daarvan vinden of hoe ze zich daarbij
voelen.
Overt gedrag
Deze methode is ook handig bij ‘overt’ gedragingen die niet vaak
voorkomen.
Wanneer je iets wil weten over gedrag dat zelden te observeren is, kan je
het beter vragen aan mensen die het zelf hebben meegemaakt.
Voorbeeld: scheidingsfeestjes
Een voorbeeld hiervan zijn scheidingsfeestjes: feesten die mensen geven als ze
gescheiden zijn, om te vieren dat ze weer vrij zijn. Omdat zulke feesten niet vaak
voorkomen, kan je ze moeilijk observeren. Daarom kan je mensen vragen:
“Wat doet dat met jou?”,
“Wat gaat er door je heen?”,
“Helpt zo’n feest je om alles af te sluiten (closure)?”
Op die manier kom je meer te weten over hun gevoelens en ervaringen.
Zelfs bij zichtbaar gedrag spelen vaak innerlijke gedachten en gevoelens
mee. Daarom vragen onderzoekers aan mensen waarom ze iets doen, om inzicht
te krijgen in hun gedachten en gevoelens. → scheidingsfeest kon dus een
impulsief iets zijn
Zelfbeschrijvingen zijn handig, omdat je er bijna alles over kunt vragen,
ook gedrag dat moeilijk te observeren is.
Bijvoorbeeld: “Wanneer was je getuige van een ongeval of misdrijf, en wat
deed je toen?”
3