Mendel kende de fysieke drager van zijn “erfelijke factoren” nog niet.
Nu weten we: genen liggen op chromosomen.
Eind 19e eeuw werden mitose (1875) en meiose (1890) ontdekt.
Wetenschappers merkten dat chromosomen zich gedragen zoals Mendels factoren.
Dit leidde tot de chromosomale overervingstheorie:
o Genen liggen op specifieke loci op chromosomen.
o Chromosomen segregeren tijdens meiose.
o Chromosomen verdelen onafhankelijk.
=>Dit verklaart Mendels wetten (segregatie & onafhankelijkheid).
De locatie van een bepaald gen-> geïsoleerde chromosomen te taggen met een fluorescente
kleurstof die het gen doet oplichten
, Thomas Hunt Morgan & fruitvliegen
Waarom fruitvliegen (Drosophila melanogaster)?
-Snelle voortplanting
-Korte generatietijd (± 2 weken)
Ideaal voor genetisch onderzoek
-Veel nakomelingen
Slechts 4 chromosomenparen
Wild type = meest voorkomende fenotype bv. rode ogen
Mutant type = afwijkende vorm bv. witte ogen
Uitleg van Morgan’s experiment
1. Startkruising
mannetje: witte ogen
(mutant)
vrouwtje: rode ogen (wild
type)
2. F₁-generatie
Alle nakomelingen: rode
ogen ➜ rood is dominant
3. F₂-generatie
Verhouding: 3 rode : 1
witte
MAAR: alleen de mannetjes hadden witte ogen
Morgan’s redenering dia 13
Waarom alleen mannetjes wit?
o Mannetjes hebben XY
o Vrouwtjes hebben XX
o Het witte-ogen-allel moest dus op het X-chromosoom liggen ➜ want mannetjes
hebben maar één X, dus één mutant allel = meteen witte ogen ➜ vrouwtjes hebben
twee X’en, dus ze kunnen het recessieve allel “verbergen”
Dit patroon heet X-gebonden overerving .
Ondersteunt de chromosomale overerveringstheorie:
o gedrag van het witte-ogen-allel precies overeenkomt met het gedrag van het X-
chromosoom tijdens meiose dus: genen zitten op chromosomen
o hun overerving volgt de segregatie en onafhankelijke assortering van die
chromosomen
Morgan leverde hiermee het eerste directe bewijs dat Mendels factoren = chromosomen.