NEDERLANDS
DOMEINEN:
- Lezen
- Spreken
- Schrijven
- Luisteren
- Taalbeschouwing
- (Inter)culturele vaardigheden
- Strategieën
EVALUATIE
- 100 % Schriftelijk examen: te kennen:
o Syllabus
o Slides ppt: zowel verduidelijking als uitbreiding van de syllabus!!
o Boek ‘Volop Taal’: indien verwijzing in de syllabus en/of ppt
- Basiskennis: zelfstudie en af en toe in de les
o Woordsoorten: boek ‘De basis: Nederlands voor de lagere school’. Lien
Vanopstal, Mathias Chlarie (2015): zie Chamilo, documenten, evaluatie
voor lijst met te kennen woordsoorten
o Lijst sterke werkwoorden: zie Chamilo, documenten, evaluatie
- Minimaal cesuur van 16/20 behalen voor de basiskennis om te slagen voor het
Olod
- Op zelfstandige basis te verwerken. Opfrissing en ondersteuning tijdens ‘POP
remediëring Nederlands’
- Oefentips: https://chamilo.hogent.be/ in ‘algemene cursussen’ > Boost je
Nederlands > leerpaden > Nederlands > grammatica: woordsoorten en taalzorg:
spelling
- https://taaltelefoon.be/spellingtests en https://www.cambiumned.nl/
- De te kennen basiskennis voor deze KL is:
o Spelling werkwoorden en vorming sterke werkwoorden (Nederlands voor de
lagere school + Chamilo ‘Lijst sterke werkwoorden’)
o Woordsoorten (Nederlands voor de lagere school)
- Document Chamilo ‘Basiskennis BOLO’ voor overzicht wat je moet kennen
o Het bijwoord niet kennen
1
,BASISKENNIS
1. WOORDSOORTEN
In totaal 10 woordsoorten
- Open woordklasse inhoudswoorden: belangrijkste betekenisdragers in een zin
1. Werkwoorden
2. Tussenwerpsels
3. Bijwoorden
4. Zelfstandige naamwoorden
5. Bijvoegelijke naamwoorden
- Gesloten woordklasse functiewoorden: blijven onveranderd, belangrijke functie
in een zin komen niet zelfstandig voor
1. lidwoorden
2. voornaamwoorden
3. voorzetsels
4. voegwoorden
5. telwoorden
1.1 ZELFSTANDIGE NAAMWOORD
Een woord dat een zeldstandigheid (een mens, een dier, een ding, een stof, een gevoel,
een eigenschap..) aanduidt. Meestal zetten we een lidwoord voor het zelfstandig
naamwoord.
- Enkelvoud en meervoudsvormen
- Meervoud gevormd door toevoeging van:
o -(‘)s: shampoos, baby’s
o -(e)n: mensen, zieken
o -eren: kinderen, eieren
- Bezitsvorm/ genetief gevormd van een zelfstandignaamwoord
o Jeroms zusje, papa’s auto
- Verkleinen
o Zusje, jerommeke, boompje
Soorten
Soortnaam of Concrete of abstracte Samenstelling of Genus
eigennaam zn afleiding
Soortnaam: verwijzen Concrete zn: duiden Met zelfstandige = woordgeslacht
naar een bepaalde soort tastbare of naamwoorden kun je
waarnaambare ook heel wat nieuwe Kijken naar het
Vb: het nieuws, auto, zelfstandigheden aan woorden maken lidwoord om te
computer, concept zien welk geslacht
Vb: dochter, het woord heeft.
schommelrekening,
cadeautip Samenstelling: treden
de grondwoorden als
zn op De woorden:
mannelijk of
Vb: schommel- vrouwelijk
2
, rekening, zieken-huis,
plantanen-straat
Het woorden:
onzijdig
Eigennaam: verwijst Abstract zn: zijn niet Soms met een
naar een persoon of iets tastbaar of niet tussenklank
uniek concreet
waarneembaar Vb: Dorp-s-gek, pann-
schrijven met een en-koek
hoofdletter Vb: maart,
renaissance, juli
Vb: Jerom, Roeselare,
Gasthuisstraat Afleidingen: woorden
waarbij niet alle delen
zelfstandig kunnen
voorkomen
Vb: be-wonderen, zus-
je
Didactische tip: geboortekaartje meebrengen en de woorden in categorieën plaatsen
- Woorden die vertellen wie je bent
- Woorden die vertellen waar je geboren bent
- Woorden die vertellen wie je famillie is
1.2. BIJVOEGELIJK NAAMWOORD (ADJECTIEF)
Een woord dat een eigenschap of een hoedanigheid van een ander zelfstandig gebruikt
woord aanduidt
Vb: heugelijk nieuws, kleine meisje, je bent welkom, iets groot
- Kunnen meestal verbogen worden
o -e of -s
o Een goede vriend, het gele rokje, iets kleins
soorten
Attributief bijvoegelijk Predicatief bijvoegelijk Zelstandig bijvoegelijk
naamwoord naamwoord naamwoord
= het bijvoegelijk naamwoord = wordt door een = wordt zonder zelfstandig
staat voor het woord waar koppelwerkwoord verbonden naamwoord gebruikt. Het
het iets over zegt aan het woord waar het iets zelfstandig naamwoord komt
over zegt wel elders in de zin voor
Vb: we brengen u
heugelijk nieuws Vb: ze was vandaag heel flink Vb: de goede boeken en de
slechte
Er was een stout meisje Het leek hem voldoende
dat in een klein dorp Een grote broer en een kleine
woonde Hij wordt groot
3
, Trappen van vergelijking
- Typisch voor bijvoegelijke naamwoorden: uitdrukken in welke mate een bepaalde
eigenschap of hoedanigheid aanwezig is
- 3 trappen van vergelijking
o De stellende trap of positief
Eva is even groot als Nicolas
o De vergrotende trap of comperatief
Ik dacht dat Nicolas groter was dan Eva
o De overtreffende trap of superlatief
Of is victor de grootste
Didactische tip
- Kopieer de geboortekaartjes van je leerlingen en laat de klasgenoten er enkele
(grappige) eigenschappen bij schrijven
- Talenten in de verf zetten reclamecampagne maken voor een van hun
klasgenoten
1.3. WERKWOORD (VERBUM)
Een woord dat een werking (een doen, een worden) of een toestand (een zijn)
uitdrukt.
- Zijn meestal verbonden met een onderwerp en kun je vervoegen
- Vervoegen= de vom wordt aangepast aan de persoon en het getal van het
onderwerp
o Term= persoonsvorm (kan ook van tijd veranderen)
o Bv: ik werk al veel, maar hij werkte nog meer.
Soorten
Zelfstandige koppelww Hulpww Transitieve ww intransitieve
ww
= vormen de = op zich weinig = Helpen andere = overgankelijke =
kern van het betekenis werkwoorden om werkwoorden onovergankelijke
werwoordelijke een bepaalde tijd hebben een werkwoorden
gezegde. Ze Komen voor in te vormen of een lijdend voorwerp hebben geen
hebben een zinnen met een nuance uit te bij zich lijdend voorwerp
betekenis op naamwoordelijk drukken
zich gezegde
Opzich weinig of
Drukken altijd een geen betekenis
vorm van zijn uit
Hij heeft er een Sofie lijkt ziek te Waarom werd hij Ik neem mijn zak Het feest barsste
zusje bij. zijn opgeroepen? mee Ik neem los het feest
iets mee barste iets los
Ilse verft haar Dat schijnt een
haar mooie investering Zijn jullie al Heb jij hem Waarom steeg het
geland? beetgenomen Ik vliegtuig te laat
Zijn, worden, neem iemand beet op? het vlieftuig
blijken, blijven, stijgt iets op?
lijken, schijnen,
4
DOMEINEN:
- Lezen
- Spreken
- Schrijven
- Luisteren
- Taalbeschouwing
- (Inter)culturele vaardigheden
- Strategieën
EVALUATIE
- 100 % Schriftelijk examen: te kennen:
o Syllabus
o Slides ppt: zowel verduidelijking als uitbreiding van de syllabus!!
o Boek ‘Volop Taal’: indien verwijzing in de syllabus en/of ppt
- Basiskennis: zelfstudie en af en toe in de les
o Woordsoorten: boek ‘De basis: Nederlands voor de lagere school’. Lien
Vanopstal, Mathias Chlarie (2015): zie Chamilo, documenten, evaluatie
voor lijst met te kennen woordsoorten
o Lijst sterke werkwoorden: zie Chamilo, documenten, evaluatie
- Minimaal cesuur van 16/20 behalen voor de basiskennis om te slagen voor het
Olod
- Op zelfstandige basis te verwerken. Opfrissing en ondersteuning tijdens ‘POP
remediëring Nederlands’
- Oefentips: https://chamilo.hogent.be/ in ‘algemene cursussen’ > Boost je
Nederlands > leerpaden > Nederlands > grammatica: woordsoorten en taalzorg:
spelling
- https://taaltelefoon.be/spellingtests en https://www.cambiumned.nl/
- De te kennen basiskennis voor deze KL is:
o Spelling werkwoorden en vorming sterke werkwoorden (Nederlands voor de
lagere school + Chamilo ‘Lijst sterke werkwoorden’)
o Woordsoorten (Nederlands voor de lagere school)
- Document Chamilo ‘Basiskennis BOLO’ voor overzicht wat je moet kennen
o Het bijwoord niet kennen
1
,BASISKENNIS
1. WOORDSOORTEN
In totaal 10 woordsoorten
- Open woordklasse inhoudswoorden: belangrijkste betekenisdragers in een zin
1. Werkwoorden
2. Tussenwerpsels
3. Bijwoorden
4. Zelfstandige naamwoorden
5. Bijvoegelijke naamwoorden
- Gesloten woordklasse functiewoorden: blijven onveranderd, belangrijke functie
in een zin komen niet zelfstandig voor
1. lidwoorden
2. voornaamwoorden
3. voorzetsels
4. voegwoorden
5. telwoorden
1.1 ZELFSTANDIGE NAAMWOORD
Een woord dat een zeldstandigheid (een mens, een dier, een ding, een stof, een gevoel,
een eigenschap..) aanduidt. Meestal zetten we een lidwoord voor het zelfstandig
naamwoord.
- Enkelvoud en meervoudsvormen
- Meervoud gevormd door toevoeging van:
o -(‘)s: shampoos, baby’s
o -(e)n: mensen, zieken
o -eren: kinderen, eieren
- Bezitsvorm/ genetief gevormd van een zelfstandignaamwoord
o Jeroms zusje, papa’s auto
- Verkleinen
o Zusje, jerommeke, boompje
Soorten
Soortnaam of Concrete of abstracte Samenstelling of Genus
eigennaam zn afleiding
Soortnaam: verwijzen Concrete zn: duiden Met zelfstandige = woordgeslacht
naar een bepaalde soort tastbare of naamwoorden kun je
waarnaambare ook heel wat nieuwe Kijken naar het
Vb: het nieuws, auto, zelfstandigheden aan woorden maken lidwoord om te
computer, concept zien welk geslacht
Vb: dochter, het woord heeft.
schommelrekening,
cadeautip Samenstelling: treden
de grondwoorden als
zn op De woorden:
mannelijk of
Vb: schommel- vrouwelijk
2
, rekening, zieken-huis,
plantanen-straat
Het woorden:
onzijdig
Eigennaam: verwijst Abstract zn: zijn niet Soms met een
naar een persoon of iets tastbaar of niet tussenklank
uniek concreet
waarneembaar Vb: Dorp-s-gek, pann-
schrijven met een en-koek
hoofdletter Vb: maart,
renaissance, juli
Vb: Jerom, Roeselare,
Gasthuisstraat Afleidingen: woorden
waarbij niet alle delen
zelfstandig kunnen
voorkomen
Vb: be-wonderen, zus-
je
Didactische tip: geboortekaartje meebrengen en de woorden in categorieën plaatsen
- Woorden die vertellen wie je bent
- Woorden die vertellen waar je geboren bent
- Woorden die vertellen wie je famillie is
1.2. BIJVOEGELIJK NAAMWOORD (ADJECTIEF)
Een woord dat een eigenschap of een hoedanigheid van een ander zelfstandig gebruikt
woord aanduidt
Vb: heugelijk nieuws, kleine meisje, je bent welkom, iets groot
- Kunnen meestal verbogen worden
o -e of -s
o Een goede vriend, het gele rokje, iets kleins
soorten
Attributief bijvoegelijk Predicatief bijvoegelijk Zelstandig bijvoegelijk
naamwoord naamwoord naamwoord
= het bijvoegelijk naamwoord = wordt door een = wordt zonder zelfstandig
staat voor het woord waar koppelwerkwoord verbonden naamwoord gebruikt. Het
het iets over zegt aan het woord waar het iets zelfstandig naamwoord komt
over zegt wel elders in de zin voor
Vb: we brengen u
heugelijk nieuws Vb: ze was vandaag heel flink Vb: de goede boeken en de
slechte
Er was een stout meisje Het leek hem voldoende
dat in een klein dorp Een grote broer en een kleine
woonde Hij wordt groot
3
, Trappen van vergelijking
- Typisch voor bijvoegelijke naamwoorden: uitdrukken in welke mate een bepaalde
eigenschap of hoedanigheid aanwezig is
- 3 trappen van vergelijking
o De stellende trap of positief
Eva is even groot als Nicolas
o De vergrotende trap of comperatief
Ik dacht dat Nicolas groter was dan Eva
o De overtreffende trap of superlatief
Of is victor de grootste
Didactische tip
- Kopieer de geboortekaartjes van je leerlingen en laat de klasgenoten er enkele
(grappige) eigenschappen bij schrijven
- Talenten in de verf zetten reclamecampagne maken voor een van hun
klasgenoten
1.3. WERKWOORD (VERBUM)
Een woord dat een werking (een doen, een worden) of een toestand (een zijn)
uitdrukt.
- Zijn meestal verbonden met een onderwerp en kun je vervoegen
- Vervoegen= de vom wordt aangepast aan de persoon en het getal van het
onderwerp
o Term= persoonsvorm (kan ook van tijd veranderen)
o Bv: ik werk al veel, maar hij werkte nog meer.
Soorten
Zelfstandige koppelww Hulpww Transitieve ww intransitieve
ww
= vormen de = op zich weinig = Helpen andere = overgankelijke =
kern van het betekenis werkwoorden om werkwoorden onovergankelijke
werwoordelijke een bepaalde tijd hebben een werkwoorden
gezegde. Ze Komen voor in te vormen of een lijdend voorwerp hebben geen
hebben een zinnen met een nuance uit te bij zich lijdend voorwerp
betekenis op naamwoordelijk drukken
zich gezegde
Opzich weinig of
Drukken altijd een geen betekenis
vorm van zijn uit
Hij heeft er een Sofie lijkt ziek te Waarom werd hij Ik neem mijn zak Het feest barsste
zusje bij. zijn opgeroepen? mee Ik neem los het feest
iets mee barste iets los
Ilse verft haar Dat schijnt een
haar mooie investering Zijn jullie al Heb jij hem Waarom steeg het
geland? beetgenomen Ik vliegtuig te laat
Zijn, worden, neem iemand beet op? het vlieftuig
blijken, blijven, stijgt iets op?
lijken, schijnen,
4