2 (verdiepend: elektrofysiologie & pathogenese)
Opzet: 6 vragen, totaal 90 punten. Deze toets is zwaarder dan toets 1 en richt zich op de
basale (cardiale) elektrofysiologie en de pathogenese-figuren uit de casussen (β-cel,
Barnes/COPD, trigeminovasculair systeem, re-entry/EAD-DAD, Frank-Starling). Veel vragen
vragen je een mechanisme stap voor stap uit te leggen of geneesmiddelen op een figuur te
plaatsen.
Gebruik: maak eerst Deel A (± 100 min), kijk daarna na met Deel B. Eis van jezelf dat je bij elk
mechanisme de keten ion/receptor → cellulair effect → (klinisch) gevolg compleet maakt.
DEEL A — VRAGEN
Vraag 1 — Basale cardiale elektrofysiologie (18 pt)
a. Geef voor Na⁺, K⁺ en Ca²⁺ aan of de concentratie intra- of extracellulair het hoogst is (orde
van grootte volstaat), en noem de transporter die deze gradiënten actief in stand houdt. (4 pt)
b. Het rustmembraanpotentiaal van een werkmyocyt ligt rond −90 mV. Welk ion bepaalt dit
vooral, en waarom? Leg daarbij uit waarom de K⁺-efflux stopt ruim vóórdat de intra- en
extracellulaire K⁺-concentraties gelijk zijn. (4 pt)
c. Benoem fase 0, 1, 2, 3 en 4 van de actiepotentiaal van een non-pacemakercel, telkens in
termen van de dominante ionstroom/-stromen. (5 pt)
d. Verklaar het begrip automaticiteit aan de hand van de eigenschappen van een
pacemakercel (betrek de fase-4-depolarisatie en de "funny current"). Waarom bepaalt normaal
de SA-knoop het ritme? En wat is de functie van gap junctions? (5 pt)
Vraag 2 — Anti-aritmica, na-depolarisaties en re-entry (16 pt)
a. Koppel de Vaughan-Williams-klassen I, II, III en IV elk aan de fase van de actiepotentiaal
(of het celtype) waarop ze aangrijpen, met het ionkanaal/receptor erbij. (4 pt)
b. Leg het verschil uit tussen een early afterdepolarisation (EAD) en een delayed
afterdepolarisation (DAD): in welke fase treden ze op en wat is het onderliggende
mechanisme van elk? (4 pt)
, c. Noem de drie voorwaarden voor het ontstaan van een kringstroom (re-entry) en leg uit
hoe een klasse III-antiaritmicum zo'n kringstroom doorbreekt (betrek het begrip golflengte). (4
pt)
d. Zowel klasse Ic (flecaïnide) als klasse III kan proaritmisch zijn. Verklaar dit per klasse en
benoem de bijbehorende ECG-verandering. (4 pt)
Vraag 3 — Pathogenese van migraine (figuur) (14 pt)
a. Leg de pathogenese van een migraineaanval stap voor stap uit, van cortex/aura tot
pijnperceptie (betrek: cortical spreading depression, trigeminale activatie, CGRP, ganglion
trigeminale, nucleus caudalis (TNC), thalamus, cortex). (5 pt)
b. Migraine wordt als inflammatoire aandoening beschouwd. Waar is die ontsteking
gelokaliseerd, en waarom doet het hersenparenchym zelf niet "pijn"? (3 pt)
c. Wat is cortical spreading depression en welke rol speelt het in het koppelen van de aura
aan de hoofdpijnfase? (3 pt)
d. Plaats de volgende middelen op hun aangrijpingspunt in de pathogenese: triptaan,
gepant/anti-CGRP-antilichaam, lasmiditan, NSAID. (3 pt)
Vraag 4 — Pathofysiologie van DM2 (β-cel- en orgaanfiguur) (16
pt)
a. Leg aan de hand van de β-celfiguur uit hoe glucose de insulinesecretie aanstuurt (betrek:
GLUT2, glucokinase, ATP/ADP, KATP-kanaal/SUR1, depolarisatie, Ca²⁺, exocytose). (5 pt)
b. Wat zijn de twee centrale pathofysiologische defecten van DM2, en welke andere organen
dragen volgens het multi-orgaanmodel bij aan de hyperglykemie (noem er minimaal vier met
hun bijdrage)? (4 pt)
c. Wat is het verschil in rol en regulatie tussen GLUT2 en GLUT4 in de glucosehuishouding? (3
pt)
d. Plaats de geneesmiddelgroepen metformine, SU-derivaat, SGLT2-remmer, GLP-1-
agonist/DPP-4-remmer en insuline elk op hun doelorgaan in het multi-orgaanmodel. (4 pt)
Vraag 5 — Pathogenese van COPD (Barnes-figuur) (14 pt)
a. Noem en beschrijf de drie processen die de bronchioli bij COPD vernauwen/doen inklappen.
(5 pt)