1.1 WAT IS PSYCHOLOGIE? (EN WAT ZEKER NIET?)
Komt van Griekse psi
Psychologie = een breed veld, met vele specialismen, in wezen de wetenschap van gedrag en
geestelijke processen
1.2 WAT ZIJN DE 6 BELANGRIJKSTE PERSPECTIEVEN VAN DE PSYCHOLOGIE?
Moderne psychologie
- Griekse ideeën door Socrates, Plato, …
- Emoties verstoren ons gedrag
- Azië: het bewustzijn beheersen
- Afrika: Behandelingen stoornissen
- Europa: de geest is een mysterie, we doen geen onderzoek.
Ontstaan van Radicaal nieuwe ideeën en uiteindelijk het ontstaan van 6 perspectieven
1. Scheiding van geest en lichaam (Descartes)
= een rationalist
- ‘ het denken is het enige middel om aan filosofie te doen’
- Rationalisme empirisme
Empirisme: wat we zien/waarnemen is de enige bron van kennis opdoen
‘denken vertroebelt de waarneming’ (Francis bacon)
‘we zijn een onbeschreven blad, en het vult door ervaringen’ (John Locke) De mens is een tabula
rasa!
,Moderne Biologisch perspectief
- Het lichaam is verbonden aan de geest (ziek zijn én verdrietig zijn)
- De geest is een product van de hersenen
- Oorzaken van gedrag moet je zoeken in het biologisch lichaam
Kent 2 variaties:
1. Neurowetenschap
2. Evolutionaire psychologie (Charles Darwin met natuurlijke selectie)
Wetenschappelijke psychologie & moderne cognitie
W. Wundt (1879) eerste psychologisch laboratorium
- ‘Het denken in tabel brengen’ (proefjes doen)
Structuralisme via introspectie
Introspectie= vanbinnen gaan denken. In jezelf (niet betrouwbaar; subjectief en moeilijk)
Retrospectie= terug kijken naar iets (wat is de functie/ het nut?)
Maar, veel kritiek Reactie: het geheel bekijken, niet in delen
W. James functionalisme= Psychische processen kunnen het beste begrepen worden door te
kijken naar hoe ze nuttig zijn en welke functie ze hebben voor ons overleven en functioneren.
(De ontwikkeling van computers heeft de moderne cognitieve psychologie beïnvloed door mentale processen
zoals leren, geheugen, perceptie en denken te zien als vormen van informatieverwerking. Met technieken zoals
hersenscans kunnen onderzoekers deze processen beter begrijpen.)
Behaviouristisch perspectief
= nadruk leggen op waarneembaar gedrag (J.B.Watson)
- Geen onderscheidt meer maken tussen mens en dier
- Gedrag wordt gestuurd door externe stimuli
Bv filmpje van baby die niet bang was van dieren, maar daarna dieren bekijkt met een luid geluid en dus wel
ineens bang is (door dat geluid waar ze van schrok, en dit dus koppelt aan de dieren) Klassieke
conditionering
B.F. Skinner (1904-1990)
Operante conditionering: beloond worden
Bv filmpje van duiven die leren pingpongen doordat ze beloond worden met eten of bv op potje leren plassen
(schemas van bekrachtiging)
,Pavlov (1849-1936)
= fysioloog die de spijsvertering bestudeerde ‘per toeval’ de klassieke conditionering ontdekt
Perspectieven vanuit de gehele persoon
S. Freud (1856-1939)
Ontwikkeling van een (psychodynamische) theorie van persoonlijkheid
‘ de geest is een reservoir van energie van persoonlijkheid’
BEHOEFTES
- Kritiek: niet toetsbaar aan de feitelijke werkelijkheid en niet onderzoekbaar:
A. Maslow (1908-1970)
Bewuste processen evalueren. (Waarom maakt iemand een bepaalde keuze?)
(als reactie op behaviorisme & psychoanalyse)
- Menselijke natuur overstijgt de omgeving; cfr. behoeften piramide
- Bewuste processen (en niet onbewuste) vormen het studieobject van de psychologie
- Humanistische psychologie: nadruk op mogelijkheden, groei, potentie en vrije wil van de
mens
Hippocrates (oudheid: 460-377 v.Chr.) (psychologie van karaktertrekken en temperament)
Lichaam en geest = 1 eenheid
‘Bepaalde sappen in je lichaam bepalen je persoonlijkheid’ (oude Grieken)
Waarheid= de genetica
J. Piaget (1896-1980)
Bestudeerde de ontwikkeling van kennis in kinderen met verschillende fases in ontwikkeling
Het socioculturele perspectief: het individu in context
Nature en Nurture bepalen je persoonlijkheid
(6 belangrijkste perspectieven van psychologie schriftelijk schema in notities)
, 2 HOE VERGAREN PSYCHOLOGEN NIEUWE KENNIS?
Bv. Maakt suiker kinderen hyperactief?
Onderzoeken door kinderen te observeren. (2 groepen maken, rekening houdend met geslacht, leeftijd, wie de kinderen
observeert,…) 1 groep snoep met suiker, andere zonder
DE WETENSCHAPPELIJKE METHODE (+SOORTEN WETENSCHAPPELIJK
ONDERZOEK)
De empirische cyclus
1. Hypothese
Je hebt een onderzoeksvraag, ‘een voorspelling maken van het antwoord’ (mogelijk fout en
een bewering over een relatie tussen variabelen)
Moet falsifeerbaar zijn = kunnen beweren dat hij juist of fout is.
Operationele definities= bedenken hoe de hypothese onderzocht moet worden
2. Dataverzameling
Hier begint empirisch onderzoek. Je gaat info zoeken,
bij 2 groepen, zo gelijk mogelijk
Groep met speciale behandeling= experimentele
conditie
Mensen in experimentele conditie Experimentele
groep.
Mensen in controlegroep, zitten in controleconditie.
Onafhankelijke en afhankelijke variabele.
Randomisering= volgens toeval groepen maken
3. Analyseren van de data
Zijn de waargenomen resultaten significant? (toeval of door de onafhank.variabele?)
4. Theorie
Is geen vaststaand feit, kan altijd aangepast worden
Empirische cyclus= soort stappenplan voor onderzoek
De wetenschappelijke methode + wetenschappelijke theorie
= toetsbare verklaring voor feiten en waarnemingen
Gebeurd in 4 methodische stappen:
- Hypothese (onderzoeksvraag)
- Data verzamelen
- Data analyseren