instellingen
1. Formuleer de relevante feiten, geef hierbij ook aan wie de partijen
(verweerder & verzoeker) zijn en vermeld mogelijke procedurele
voorgaanden
2. Geef aan wat de standpunten van partijen zijn
3. Duid de relevante wettelijke bepalingen aan, zowel met
betrekking tot de bevoegde instantie (welke rechtbank of welk hof
doet uitspraak?) als de inhoud van de zaak
4. Formuleer de rechtsvragen (waarover gaat de juridische
discussie? Welke vragen leggen de partijen aan de rechter voor?)
5. Wat werd er door de rechter beslist en waarom?
6. Geef aan wat de gevolgen zijn van deze uitspraak.
Art 617 lid 1 Ger.W.
Arrest van Hof van beroep te gent van 23 oktober 2014
1. Appellant A.B
Geïntimeerde procureur des Konings
In eerste aanleg: verweerder is A.B. en eiser is procureur
Dus in het vonnis van de rechtbank van de eerste aanleg had de
rechter beslist dat er sprake was van een schijnhuwelijk. Hier wil
A.B in hoger beroep voor gaan tegen de nietigheid van zijn
huwelijk.
2. A.B beoogt in essentie de afwijzing van de vordering tot
nietigverklaring van het huwelijk.
, De procureur-generaal neemt conclusie tot afwijzing van het hoger
beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.
3. Art 146bis oud BW inhoud
Art 42-43 WIPR
Art 46, eerste lid WIPR bevoegdheid van rechtbank
Art 47 WIPR
AB heeft Servische nationaliteit, WV de Belgische, dus er is twijfel,
maar is op Belgische bodem gebeurt.
Hof van beroep in tweede aanleg: Art 602 lid 1 °2
4. Wanneer is een huwelijk een schijnhuwelijk?
Is het huwelijk van AB en WV een schijnhuwelijk op basis van Art
146bis oud BW?
Was er vanaf het begin al de intentie voor een schijnhuwelijk tussen
AB en WV?
5. De rechter heeft beslist dat het wel degelijk om een schijnhuwelijk
gaat, omdat er andere motieven waren dan de intentie om
duurzaam met de andere samen te leven. Het hof oordeelde dat het
huwelijk niet de intentie had om als een gezond koppel samen te
leven. Het beroep is ontvankelijk en het hoger beroep is ongegrond.
AB had blijkbaar ook een vrouw en kind in zijn eigen land, het
huwelijk was een juridisch advies dat ze hadden opgevolgd zonder
intentie om samen te leven, onwetendheid over elkaars familie, …
6. Het vonnis van eerste aanleg is wel correct en wordt niet nietig
verklaard. Daardoor blijft het huwelijk nietig met terugwerkende
kracht (ex tunc wordt gedaan alsof huwelijk nooit bestaan heeft).
Extra vragen:
- Uiteindelijk zou de uitkomst hetzelfde zijn, sprake van scheiding
wettelijke samenleving. Wettelijk samenwonen is geregistreerd bij
gemeente, feitelijk samenwonen moet niemand weten. Art 1476bis
oud BW p1682
- Art 213 duurzaam samenleven moet de intentie zijn
Vonnis van de Familierechtbank te Brussel van 20 januari 2015
1. Verzoeker: Moeder (Mme Y) stapt naar de vrederechter op grond
van art. 223 BW. De vrouw woont alleen met haar kinderen en
vordert daarom 200/maand voor zichzelf en 150/maand voor elk
van de drie kinderen aan verweerder: Vader (Msr X). Het vonnis
van de vrederechter was in voordeel van verzoeker. Daarop ging X