VOORBEELDOEFENINGEN ECONOMIE-
KUL 2025-2026
1
,1) Gegeven zijn volgende elementen:
- De gewone (partiële) aanbodfunctie heeft de vergelijking
A ( p )=−400+200 p .
- Op de hele vraagcurve is de eigen prijselasticiteit van de vraag gelijk
aan nul.
- De evenwichtshoeveelheid op deze markt is gelijk aan q ¿=600.
Gevraagd:
a) Wat is de evenwichtsprijs?
¿ ¿
q =600=−400+200 p ⇔ 1000=200 p ⟺ p =5
b) Teken de aanbod- en vraagcurve, en het marktevenwicht.
c) (1p) Duid op je figuur het producentensurplus aan.
zie gearceerde driehoek
d) (1p) Bereken de eigen prijselasticiteit van het aanbod in het
evenwichtspunt. (Tip: gebruik de formule van de puntelasticiteit)
¿
Adq p A 5 1000
Formule: ε =p ¿ invullen geeft ε p =200 = =1,67
dp q 600 600
2
, e) (1p) Stel dat de overheid besluit om een subsidie toe te kennen aan
de producent van “1” per geproduceerde eenheid. Teken het effect
hiervan in op je figuur (gebruik een andere kleur). Wie heeft het
grootste voordeel van deze subsidie?
Zie rode verschuiving van de A-curve, parallel aan oorspronkelijke A-curve
en met 1 eenheid (ook te zien aan intercept met y-as).
Voor de producent verandert er niets, hij blijft evenveel ontvangen
(producentenprijs = marktprijs + 1). De consument betaalt nu slechts 4
euro. Alle voordeel van de subsidie gaat dus naar de consument. Zie ook
de theorie: meeste voordeel gaat naar minst prijselastische partij, en hier
is de vraagcuvr zelfs perfect inelastisch.
2) Typisch aan een luxegoed is dat het aandeel ervan in het totale budget
van een consument toeneemt wanneer het inkomen van die consument
toeneemt. Leg in je eigen woorden en/of met een geschikte formule uit
hoe dit komt. Wees volledig in je redenering.
Luxegoed betekent “inkomenselasticiteit groter dan 1” . Maw relatieve
groei van aantal gekochte goederen is groter dan relatieve groei van het
inkomen. Cf. teller en noemer in de formule:
Δq
V q
ε y=
Δy
y
“budgetaandeel” is de uitgaven voor een bepaald goed als deel van het
inkomen (w= p . q/ y ¿.
Een stijgend inkomen heeft dus een dubbel effect op dit budgetaandeel:
het doet zowel de noemer (y) als de teller (via q) stijgen.
Als ε Vy >1, is het positief effect op q dus groter dan het positief effect op y :
de teller in de breuk w= p . q/ y zal dus sneller stijgen dan de noemer, maw
het budgetaandeel zal toenemen bij stijgende y
3
KUL 2025-2026
1
,1) Gegeven zijn volgende elementen:
- De gewone (partiële) aanbodfunctie heeft de vergelijking
A ( p )=−400+200 p .
- Op de hele vraagcurve is de eigen prijselasticiteit van de vraag gelijk
aan nul.
- De evenwichtshoeveelheid op deze markt is gelijk aan q ¿=600.
Gevraagd:
a) Wat is de evenwichtsprijs?
¿ ¿
q =600=−400+200 p ⇔ 1000=200 p ⟺ p =5
b) Teken de aanbod- en vraagcurve, en het marktevenwicht.
c) (1p) Duid op je figuur het producentensurplus aan.
zie gearceerde driehoek
d) (1p) Bereken de eigen prijselasticiteit van het aanbod in het
evenwichtspunt. (Tip: gebruik de formule van de puntelasticiteit)
¿
Adq p A 5 1000
Formule: ε =p ¿ invullen geeft ε p =200 = =1,67
dp q 600 600
2
, e) (1p) Stel dat de overheid besluit om een subsidie toe te kennen aan
de producent van “1” per geproduceerde eenheid. Teken het effect
hiervan in op je figuur (gebruik een andere kleur). Wie heeft het
grootste voordeel van deze subsidie?
Zie rode verschuiving van de A-curve, parallel aan oorspronkelijke A-curve
en met 1 eenheid (ook te zien aan intercept met y-as).
Voor de producent verandert er niets, hij blijft evenveel ontvangen
(producentenprijs = marktprijs + 1). De consument betaalt nu slechts 4
euro. Alle voordeel van de subsidie gaat dus naar de consument. Zie ook
de theorie: meeste voordeel gaat naar minst prijselastische partij, en hier
is de vraagcuvr zelfs perfect inelastisch.
2) Typisch aan een luxegoed is dat het aandeel ervan in het totale budget
van een consument toeneemt wanneer het inkomen van die consument
toeneemt. Leg in je eigen woorden en/of met een geschikte formule uit
hoe dit komt. Wees volledig in je redenering.
Luxegoed betekent “inkomenselasticiteit groter dan 1” . Maw relatieve
groei van aantal gekochte goederen is groter dan relatieve groei van het
inkomen. Cf. teller en noemer in de formule:
Δq
V q
ε y=
Δy
y
“budgetaandeel” is de uitgaven voor een bepaald goed als deel van het
inkomen (w= p . q/ y ¿.
Een stijgend inkomen heeft dus een dubbel effect op dit budgetaandeel:
het doet zowel de noemer (y) als de teller (via q) stijgen.
Als ε Vy >1, is het positief effect op q dus groter dan het positief effect op y :
de teller in de breuk w= p . q/ y zal dus sneller stijgen dan de noemer, maw
het budgetaandeel zal toenemen bij stijgende y
3