Hoofdstuk 2: nucleotiden en nucleïnezuren
Terminologie:
o Nucleïnezuren
DNA = desoxyribonucleïnezuur
RNA = ribonucleïnezuur
o (Desoxy)nucleotide = (desoxy)ribose + base + fosfaat
o (Desoxy)nucleoside = (desoxy)ribose + base
o Genoom = alle genetische informatie van een organisme
o Gen = stukje erfelijk materiaal, stukje uit het genoom
1. Stikstofbasen
1.1 structuur
- structuur:
o bevatten allemaal een purine- en pyrimidinering
o extra groepen mogen erop staan het blijft een purine of
pyrimidine zolang de hetero cyclische structuur aanwezig is
- pyrimidine:
o hetero cyclische structuur (2 N en 4 C)
o moet 2 N hebben anders geen pyrimidinering
o N nooit naast elkaar
o Cytosine, uracil en thymine
- Purine:
o Adenine, guanine
2. Nucleosiden
- Base gebonden via glycosidische binding (=binding tussen
suikermolecule en eender welk ander molecule)
- De koolstof van de glycosidische binding is steeds de anomere*
koolstof
- Naamgeving:
o -idine aan de kernnaam van pyrimidine
o -osine aan de kernnaam van purine
- Suikers maken de nucleosiden meer wateroplosbaar dan de vrije
basen
De Visscher Amber – KU Leuven Kulak – Farmaceutische Wetenschappen 1de Bachelor
Semester 1
, - specifieke base staat in
kleur
Stikstofbase Nucleoside
Cytosine Cytidine
Thymine Thymidine
Guanine Guanosine
Adenine Adenosine
Uracil uridine
- Suiker is steeds en pentose:
o D-ribose RNA ribonucleïnezuur
o 2-deoxy-D-ribose DNA deoxyribonucleïnezuur
o Verschil
tussen de
2
beïnvloedt
de
secundaire structuur en stabiliteit
3. Nucleotiden
3.1 Structuur
- Structuur:
o nucleoside + fosfaat groep = nucleotide
fosforzuur veresterd aan OH-groep van suiker van een
nucleoside
o nucleotiden zijn meervoudige zuren
o nucleotiden zijn bouwstenen voor DNA/RNA, of als aparte
structuren
o de meeste monomere nucleotiden in een cel zijn
ribonucleotiden met 5’-fosfaatgroepen
3.2
eigenschappen
De Visscher Amber – KU Leuven Kulak – Farmaceutische Wetenschappen 1de Bachelor
Semester 1
Terminologie:
o Nucleïnezuren
DNA = desoxyribonucleïnezuur
RNA = ribonucleïnezuur
o (Desoxy)nucleotide = (desoxy)ribose + base + fosfaat
o (Desoxy)nucleoside = (desoxy)ribose + base
o Genoom = alle genetische informatie van een organisme
o Gen = stukje erfelijk materiaal, stukje uit het genoom
1. Stikstofbasen
1.1 structuur
- structuur:
o bevatten allemaal een purine- en pyrimidinering
o extra groepen mogen erop staan het blijft een purine of
pyrimidine zolang de hetero cyclische structuur aanwezig is
- pyrimidine:
o hetero cyclische structuur (2 N en 4 C)
o moet 2 N hebben anders geen pyrimidinering
o N nooit naast elkaar
o Cytosine, uracil en thymine
- Purine:
o Adenine, guanine
2. Nucleosiden
- Base gebonden via glycosidische binding (=binding tussen
suikermolecule en eender welk ander molecule)
- De koolstof van de glycosidische binding is steeds de anomere*
koolstof
- Naamgeving:
o -idine aan de kernnaam van pyrimidine
o -osine aan de kernnaam van purine
- Suikers maken de nucleosiden meer wateroplosbaar dan de vrije
basen
De Visscher Amber – KU Leuven Kulak – Farmaceutische Wetenschappen 1de Bachelor
Semester 1
, - specifieke base staat in
kleur
Stikstofbase Nucleoside
Cytosine Cytidine
Thymine Thymidine
Guanine Guanosine
Adenine Adenosine
Uracil uridine
- Suiker is steeds en pentose:
o D-ribose RNA ribonucleïnezuur
o 2-deoxy-D-ribose DNA deoxyribonucleïnezuur
o Verschil
tussen de
2
beïnvloedt
de
secundaire structuur en stabiliteit
3. Nucleotiden
3.1 Structuur
- Structuur:
o nucleoside + fosfaat groep = nucleotide
fosforzuur veresterd aan OH-groep van suiker van een
nucleoside
o nucleotiden zijn meervoudige zuren
o nucleotiden zijn bouwstenen voor DNA/RNA, of als aparte
structuren
o de meeste monomere nucleotiden in een cel zijn
ribonucleotiden met 5’-fosfaatgroepen
3.2
eigenschappen
De Visscher Amber – KU Leuven Kulak – Farmaceutische Wetenschappen 1de Bachelor
Semester 1