1. Nood aan een eenheidstaal
Een standaardtaal is eigenlijk een eenheidstaal. Er ontstond een nood aan een taal die door iedereen
gedeeld kon worden.
Verschillende factoren creëerden al vanaf de middeleeuwen de nood aan een eenheidstaal – tenminste,
wat het geschreven Nederlands betreft.
1. Middeleeuwen: manuscripten
In de middeleeuwen werden boeken met de hand overgeschreven door scribenten.
Er bestond nog geen standaardtaal.
Daarom: scribenten kozen vaak een dialect, woorden werden vaak fonetisch geschreven. Hetzelfde
woord kon op verschillende manieren geschreven of uitgesproken worden.
Scribenten moesten kiezen tussen verschillende varianten van dialectwoorden.
Ze probeerden woorden te gebruiken die door zoveel mogelijk lezers begrepen konden worden.
Daarom ontstond de nood aan één gedeelde taal. Dialecten waren vroeger vaak moeilijk onderling te
verstaan. Een eenheidstaal maakte communicatie makkelijker.
2. De uitvinding van de boekdrukkunst in 1450
Met de introductie van de boekdrukkunst konden teksten in grote aantallen verspreid worden.
Dat zorgde voor: meer publicaties + commerciële verspreiding van boeken.
Daarom moest men beslissen: welke vorm van het Nederlands gebruiken we zodat zoveel mogelijk
mensen het begrijpen?
Dit stimuleerde de ontwikkeling van een standaardtaal.
3. Reformatie in de 16e eeuw
Tijdens de Reformatie kwam er veel aandacht voor de Bijbel.
Men wilde terug naar de kern van het geloof.
De Bijbel bestond oorspronkelijk in Hebreeuws, Grieks en Latijn, talen die gewone mensen niet konden
begrijpen. Daarom ontstonden Bijbelvertalingen in de volkstaal.
In de Nederlanden betekende dit vertalingen in het Nederlands.
Maar dit zorgde voor een nieuw probleem: welk dialect van het Nederlands moest men gebruiken?
Hierdoor ontstond opnieuw een nood aan een eenheidstaal.
De Statenbijbel (17e eeuw)
De Statenbijbel (1637) was de eerste officiële Bijbelvertaling die rechtstreeks uit het Hebreeuws en
Grieks naar het Nederlands werd vertaald.
De vertalers kregen nauwkeurige instructies: ze moesten zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst
blijven en tegelijk een algemeen aanvaardbare taal gebruiken. Daarom werden er vertalers
uit verschillende gewesten van Noord en Zuid samengebracht. Zij moesten soms keuzes maken tussen
verschillende taalvormen, bijvoorbeeld du of gij; begon, begost, begonst of began.
Veel geleerden werkten eraan mee. Tijdens het vertalen begon men ook na te denken over hoe een
standaardtaal eruit moest zien. De Statenbijbel speelde daarom een belangrijke rol in
de standaardisering van het Nederlands.
Ook schrijvers en geleerden hielpen mee aan die taalontwikkeling.
Schrijvers zoals Vondel en Hooft hielden zich actief bezig met het verzorgen en ontwikkelen van het
Nederlands, zodat het door een groter publiek begrepen kon worden.
De Statenbijbel had ook invloed op de woordenschat van het Nederlands.
Tijdens deze periode ontstonden nieuwe woorden en uitdrukkingen door woordkeuzes:
Zuid-Nederlandse woorden: zenden, lieden, gaarne, schoon
, Neologismen: nieuwe woorden of uitdrukkingen die aan het Nederlands werden toegevoegd: ter elfder ure
(naamvallen), een steen des aanstoots
Hebraïsmen: letterlijke vertalingen uit het Hebreeuws: zondebok (= slachtoffer) , muggenzifte
Francismen: uitdrukkingen beïnvloed door het Frans: bang hebben (naar Frans: avoir peur)
Ook verschillende nieuwe uitdrukkingen verspreidden zich door de Statenbijbel, zoals:
• in zak en as zitten
• bij de pakken neerzitten
• in het duister tasten
• niet van gisteren zijn
Tijdens de Renaissance keek men sterk op naar Latijn en Grieks. Men probeerde het Nederlands op
hetzelfde niveau te brengen als het Latijn. Daarom werden bijvoorbeeld naamvallen toegevoegd aan het
Nederlands naar het voorbeeld van het Latijn.
Maar dit werd uiteindelijk niet volgehouden, omdat het te moeilijk en inefficiënt bleek voor dagelijks
taalgebruik.
4. Het ontstaan van een ‘natie’, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in 1588
In de 16e en 17e eeuw werd de standaardisering van het Nederlands vooral ontwikkeld in het noorden. Dit
hing samen met het ontstaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
In deze periode ontstond ook een sterk nationalistisch gevoel. Men begon te denken in termen van
een natiestaat.
Een natiestaat is een staat waarin een volk, een taal en een cultuur met elkaar verbonden zijn.
De grenzen van de staat vallen daarbij samen met de grenzen van het volk. Taal werd dus
een belangrijk element van nationale identiteit.
In de Republiek ontstond het gevoel: wij hebben een eigen bestuur, delen hetzelfde geloof en spreken
dezelfde taal. Dat zorgde voor trots op de eigen staat en cultuur.
Daardoor werd taal gezien als een belangrijke katalysator voor eenheid. Men wilde het
Nederlands ontwikkelen en versterken, zodat het een taal kon worden die evenveel prestige had als
het Latijn.
Daarom probeerde men het Nederlands ook te verheffen tot een hogere status, bijvoorbeeld door
grammaticale elementen zoals naamvallen toe te voegen, naar het voorbeeld van het Latijn.
In België ontstond dit proces minder sterk, omdat de samenleving taalkundig verdeeld bleef (Nederlands
en Frans).
5. In de geest van de renaissance en het humanisme
Schrijvers en wetenschappers begonnen bewust het Nederlands te verzorgen.
bv: Simon Stevin: Hij introduceerde Nederlandse wetenschappelijke termen. vb: wiskunde
Hij was een Homo universalis: beoefende verschillende wetenschappen
Vroeger werd wetenschap meestal in Latijn geschreven.
Puristen
Puristen waren taalbouwers die probeerden vreemde woorden te vervangen door Nederlandse
alternatieven om het Nederlands tot een hoger niveau brengen. Ze wilden vreemde woorden vervangen
door Nederlandse woorden. (vaak vanuit het latijn) bv.: evenaar voor het Latijnse equator. Op die
manier probeerden puristen het Nederlands uit te bouwen tot een taal die ook geschikt was
voor wetenschap en cultuur
6. Een grotere mobiliteit in de 17e eeuw + braindrain
In de 17e eeuw was er een grotere mobiliteit in de Nederlanden. Veel mensen uit het zuiden trokken naar
het noorden, onder andere wetenschappers, schrijvers en kunstenaars. Daardoor kwamen
verschillende dialecten en taalvarianten meer met elkaar in contact. Dat versterkte opnieuw de nood aan
een eenheidstaal die door zoveel mogelijk mensen begrepen kon worden.