aandoeningen
Volledige maar normale samenvatting voor examen – gebaseerd op de slides
“Klinische hematologie”.
Hoofdidee van dit hoofdstuk: hematologie onderzoekt bloed, beenmerg,
lymfoïde organen/weefsels en gebruikt daarvoor kliniek, beeldvorming,
celonderzoek, weefselonderzoek en genetische analyses. Belangrijk is
telkens: welk celtype is afwijkend, is er te weinig of te veel, en welke test past
bij de vraag?
Inhoud
• 1. Hematopoëtisch stelsel
• 2. Diagnostiek: globale aanpak
• 3. Beeldvorming
• 4. Onderzoek van cellen en weefsels
• 5. Genetische analyses
• 6. Examenkern
1. Het hematopoëtische stelsel
Het hematopoëtische stelsel omvat vooral perifeer bloed, beenmerg en lymfoïde
organen/lymfeklieren. Het bloed bevat rode bloedcellen, bloedplaatjes en witte
bloedcellen. Het beenmerg is de centrale plaats waar bloedcellen worden gevormd.
Lymfoïde organen zijn belangrijk voor de ontwikkeling en functie van lymfocyten.
,1.1 Perifeer bloed
In het perifeer bloed bekijk je drie grote groepen: erytrocyten, trombocyten en
leukocyten. Elk heeft een eigen functie en dus ook eigen klinische problemen bij
tekort of teveel.
Rode bloedcellen / erytrocyten
Rode bloedcellen zorgen voor transport van zuurstof en koolstofdioxide. In de
ontwikkeling van rode bloedcellen zie je een overgang van kernhoudende
voorlopercel naar mature erytrocyt:
Cel DNA RNA Diameter Waar?
Normoblast + + 10–15 µm Beenmerg; in perifeer bloed erg zelden
Reticulocyt − + 8–12 µm Beenmerg en perifeer bloed
Erytrocyt − − 6–8 µm Beenmerg en perifeer bloed
Hemoglobine bestaat uit globineketens en heem. Heem bestaat uit protoporfyrine
met Fe2+. In volwassen bloed is HbA dominant: HbA bestaat uit 2 α- en 2 β-ketens
met heem. De bouwstenen voor Hb zijn dus: globineketens, protoporfyrine en Fe2+.
Bloedplaatjes / trombocyten
Bloedplaatjes zijn belangrijk voor de primaire hemostase, dus de eerste
bloedstelping. Ze zijn klein, ongeveer 0,5–3 µm, blijven ongeveer 10 dagen in de
bloedbaan en het normale aantal is 150–450 × 109/L.
Witte bloedcellen / leukocyten
Witte bloedcellen zijn belangrijk voor infectieuze weerstand. Het totale normale
aantal leukocyten is ongeveer 4–10 × 109/L. De belangrijkste groepen zijn
granulocyten, lymfocyten en monocyten.
Celtype Aantal / % Verblijf in Functie
bloedbaan
Neutrofiel 2,5–7,8 × 109/L; 6–10 uur Antibacterieel en antifungaal
38–77%
, Eosinofiel ≤ 0,4 × 109/L; ≤ Enkele dagen Antihelmintisch
6%
Basofiel ≤ 0,1 × 109/L; ≤ Enkele dagen Mestcelvoorloper
1%
Lymfocyten 1,2–3,6 × 109/L; Variabel Immuniteit
totaal 20–50%
T-lymfocyt — Jaren Celgemedieerde immuniteit
B-lymfocyt — Jaren Humorale immuniteit
NK-cel — Dagen Bescherming tegen virussen en
kanker
Monocyt 0,2–0,8 × 109/L; 2– 1–2 dagen Fagocyt; voorloper van
10% macrofagen
1.2 Beenmerg en hematopoëse
Hematopoëse is bloedvorming. Tijdens het foetale leven gebeurt dit eerst in de
dooierzak, later in lever en milt, en daarna in het beenmerg. Postnataal gebeurt
hematopoëse vanaf 4–5 maanden uitsluitend in het beenmerg.
Bij een zuigeling is er bloedvormend rood merg in het volledige skelet. Bij
volwassenen zit actief bloedvormend merg vooral in het axiale skelet en de
proximale tubulaire beenderen. In pathologische omstandigheden, zoals
myelofibrose of botmetastasen, kan opnieuw extramedullaire hematopoëse
ontstaan in lever of milt. Dat kan leiden tot hepato- of splenomegalie.
1.3 Hematopoëtische stamcel
Alle bloedcellen komen voort uit de hematopoëtische stamcel (HSC). Deze is
pluripotent, grotendeels slapend aanwezig in afgeschermde niches en heeft als
merkerprofiel: CD34+, CD38−, negatief voor lineage-merkers.
Een HSC kan asymmetrisch delen. Daarbij ontstaan enerzijds nieuwe stamcellen
voor self-renewal, zodat de stamcelpool behouden blijft, en anderzijds
hematopoëtische progenitorcellen die prolifereren en differentiëren. De rijping
verloopt van multipotente progenitor naar herkenbare beenmergprecursor, daarna
, naar gedifferentieerde cel en uiteindelijk, voor sommige cellen zoals neutrofielen,
naar terminaal gedifferentieerde postmitotische cellen.
Belangrijke afkortingen
Afkorting Betekenis
HSC Hematopoëtische stamcel
CLP Common lymphoid precursor / gemeenschappelijke lymfoïde voorloper
CMP Common myeloid precursor / gemeenschappelijke myeloïde voorloper
GMP Granulocyte/monocyte precursor / voorloper van granulocyten en monocyten
MEP Megakaryocyte/erythrocyte precursor / voorloper van megakaryocyten en
erytrocyten
MkP Megakaryocytaire precursor
ErP Erytrocytaire precursor
De lymfoïde lijn geeft aanleiding tot B-cellen, T-cellen, NK-cellen en dendritische
cellen. De myeloïde lijn geeft aanleiding tot granulocyten, macrofagen/monocyten,
bloedplaatjes en rode bloedcellen. Monocyten kunnen in weefsels uitrijpen tot
macrofagen in het reticulo-endotheliale systeem, bijvoorbeeld in lever, milt, long,
beenmerg en lymfeklieren.
2. Diagnostiek van hematologische aandoeningen
Diagnostiek gebeurt in drie grote stappen: anamnese en klinisch onderzoek,
beeldvorming en onderzoek van cellen/weefsels. De basisvraag is telkens: welk
bloedceltype is afwijkend en is er een tekort of teveel?
Functioneel denken:
RBC = O2-transport → problemen geven onder andere dyspneu, tachycardie,
inspanningsbeperking of zuurstofproblemen.
WBC = infectieuze weerstand → problemen geven infecties of
kliervergrotingen.