Les 1:
Organisatie: een sociaal systeem met een gemeenschappelijk doel die
interactie is met haar omgeving
Fusie: het samengaan van economische of sociale eenheden die voorheen
zelfstanding waren
Crisis: een zware noodsituatie die het functioneren van een stelsel ernstig
verstoort.
Groepen in organisaties: bestaat uit mensen die regelmatig samenwerken,
van elkaar afhankelijk zijn voor het bereiken van bepaalde doelen en zich
beschouwen als een groep
Identiteit: het verhaal dat een individu over zichzelf verteld
Cultuur: “cultuur is het min of meer samenhangende geheel van voorstellingen,
opvattingen, normen en waarden die mensen zich als lid van hun maatschappij
door middel van leerprocessen hebben verworven, dat in hoge mate hun gedrag
beïnvloedt, waardoor zij zich onderscheiden van de leden van andere
maatschappijen”. (De jager e.a 2009)
Functies organisatiecultuur:
1. Het bieden van individueler groepsidentiteit (teams + organisatie)
2. De groep in staat te stellen effectief om te gaan met de uitdagingen in de
omgeving
Twee culturen = twee werkelijkheden.
Cohesie, is de mate van het gevoel van eenheid en echtheid: bij groepen die
samen een probleem moeten oplossen en samenwerken, blijkt dat een goed
presterende groepen hechter worden, maar ook dat cohesie ervoor zorgt dat een
groep beter presteert.
Factoren die een positieve werking hebben:
1. De aantrekkelijkheid (van de groep). Bijv. status of uiterlijk
2. De manier van samenwerken (coöperatief/competitief)
3. Een gemeenschappelijke vijand
4. Wanneer de leden iets moeilijks hebben meegemaakt
Voor- en nadelen groepsbinding:
Voor: bieden van identiteit, insluiting, wederzijdse steun, bereiken meer samen,
je bevind je in je comfortzone.
Nadelen: groepsdenken (veel mensen 1 mening)
, Symptomen groepsdenken: geloven in morele juistheid, illusie van
onkwetsbaarheid, stereotype opvattingen over buitenstaanders
Storende factoren bij samenwerken: wij-zij gevoel, negatieve stereotypieën
(ideeën) en vooroordelen (gevoelens), verschil in visie, verschil in belangen
Identiteit – functie en eigenschappen:
Het garandeert dat iemand zichzelf in verschillende situaties als dezelfde persoon
ervaart. Dit is het principe van continuïteit. Als iets fout gaat bij de continuïteit
dan ervaren mensen een identiteitscrisis.
Het garandeert dat deze persoon zichzelf als ander dan andere ervaren. Dit is het
principe van uniciteit
Identiteit is niet genetisch bepaald, maar moet in sociale interactie worden
ontwikkeld
Identiteit in groepen: we hebben binnen 1 groep tegelijkertijd een tweede
behoefte: we zoeken naar een evenwicht tussen enerzijds ergens bij horen en
anderzijds uniek en bijzonder zijn
SCARF-model:
1 status: hoe belangrijk iemand zich voelt in vergelijking met andere. Mensen
willen zich gewaardeerd voelen geef erkenning voor prestaties en waardeer
iemands bijdrage
2 certaincy (zekerheid): de behoefte aan duidelijkheid en voorspelbaarheid.
Onzekerheid activeert angst in het brein, terwijl duidelijke verwachtingen rust
geven
3 autonomy (autonomie): de mate waarin iemand controle heeft over zijn/haar
eigen keuzes. Een gevoel van controle vergroot motivatie en welzijn
4 relatedness (verbinding): een gevoel van verbondenheid en vertrouwen met
anderen. Mensen willen erbij horen en zich veilig voelen in sociale relaties.
5 fairness (rechtvaardigheid): de perceptie dat dingen eerlijk worden behandeld.
Oneerlijkheid veroorzaakt sterke negatieve emoties. (Dit is de allerbelangrijkste
factor voor acceptatie)
Les 2:
Spanning is een fysieke reactie (arousal) die laat zich herkennen door een
verhoging van onde alertheid/praatheid door de activatie het sympathische
zenuwstelsel (deel van het autonome systeem)
Gaspedaal sympathicys actie (de hormonen in ons lijf die zorgen dat we
reageren en actie te nemen: pupillen worden groter bijv.)
Rempedaal parasympathicus herstel (wanneer de bedreiging weg is komt
dit aan bod, en is er om de spieren (bijv.) te herstellen. Je hartslag gaat omlaag,
maar de concentratie van zuurstof en ijzer in je bloed gaat omhoog)