Begrippenlijst Ontwikkelingspsychologie – Semester 1
Begrip Betekenis
Studie van hoe gedrag (handelen,
Ontwikkelingspsychologie denken, voelen, waarnemen)
verandert doorheen de levensloop
Visie waarbij ontwikkeling
Levensloopperspectief /
bestudeerd wordt van geboorte tot
levenslooppsychologie
ouderdom
Zichtbaar handelen én innerlijke
Gedrag processen zoals gevoelens, denken
en fantaseren
Vroege, systematische observaties
Babybiografieën van kinderen door
ouders/wetenschappers
Ontwikkelingspsychologie
Empirisch beschrijvende
gebaseerd op observatie i.p.v.
ontwikkelingspsychologie
enkel filosofisch nadenken
Onderzoek waarbij dezelfde
Longitudinaal onderzoek personen over een lange periode
gevolgd worden
Vergelijking van verschillende
Cross-sectioneel onderzoek
leeftijdsgroepen op één moment
Combinatie van longitudinaal en
Cohort-sequentiële methode
cross-sectioneel onderzoek
Discussie over invloed van
Nature–nurture debat erfelijkheid (nature) versus
omgeving/opvoeding (nurture)
Opvatting dat ontwikkeling vooral
Nativisme
bepaald wordt door erfelijkheid
Opvatting dat ontwikkeling vooral
Empirisme bepaald wordt door omgeving en
opvoeding
Idee dat het kind als een
Tabula rasa “onbeschreven blad” geboren
wordt
De erfelijke code die in de cellen
Genotype
aanwezig is
De zichtbare eigenschappen die uit
Fenotype
het genotype voortkomen
Eigenschappen die door meerdere
Polygenetische overerving
genen bepaald worden
Kritische / gevoelige periode Periode waarin een organisme
extra gevoelig is voor
, Flore Peirlinckx 1BoKo 20/01/2026
omgevingsstimulatie
Inzicht dat objecten blijven
Objectpermanentie bestaan, ook wanneer ze niet
zichtbaar zijn
Theorie die ontwikkeling verklaart
Ecologische systeemtheorie
vanuit verschillende
(Bronfenbrenner)
omgevingslagen
Directe omgeving van het kind
Microsysteem
(gezin, school, vrienden)
Interacties tussen verschillende
Mesosysteem
microsystemen
Omgevingsfactoren die het kind
Exosysteem
onrechtstreeks beïnvloeden
Cultuur, normen en waarden
Macrosysteem
waarin iemand opgroeit
Tijdscomponent:
Chronosysteem levensgebeurtenissen en
veranderingen doorheen de tijd
De actieve rol van het individu in
Zelfbepaling
zijn eigen ontwikkeling
Ontwikkeling van het denken (niet
Cognitieve ontwikkeling
van de hersenen zelf)
Mentale structuur om ervaringen te
Schema (Piaget)
organiseren
Georganiseerd geheel van
Structuur (Piaget)
meerdere schema’s
Aanpassing aan de omgeving via
Adaptatie
assimilatie en accommodatie
Nieuwe ervaringen inpassen in
Assimilatie
bestaande schema’s
Bestaande schema’s aanpassen
Accommodatie
aan nieuwe ervaringen
Samenvoegen van schema’s tot
Organisatie
complexere structuren
Streven naar cognitief evenwicht
Equilibratie tussen assimilatie en
accommodatie
Fase (0–2 j) waarin denken gebeurt
Sensomotorisch stadium
via zintuigen en beweging
Fase (2–7 j) met pre-logisch en
Pre-operationeel stadium
fantasierijk denken
Fase (7–12 j) van logisch denken
Concreet-operationeel stadium
over concrete situaties
Fase (vanaf ±12 j) van abstract en
Formeel-operationeel stadium
hypothetisch denken