2026
SAMENVATTING KZE
VERPLICHTE LITERATUUR & LESSEN
JOREN KOOREMAN
,Inhoudsopgave
1. Fundamenten van kwaliteitszorg: Basisbegrippen bij kwaliteit en kwaliteitszorg 3
1.1. Kwaliteit en kwaliteitszorg: twee verschillende begrippen ................................. 3
1.2. De vijf fundamentele vragen van kwaliteitszorg ................................................ 6
1.3. De PDCA-cyclus als basis van kwaliteitszorg.................................................... 9
1.4. Het CIPO-model als analytisch meta-raamwerk ............................................. 11
1.5. Scheerens' perspectieven op onderwijskwaliteit ............................................ 14
1.6. Onderwijskwaliteit vanuit actoren en organisaties .......................................... 16
1.7. Prestatiemeting: Balanced Scorecard en EFQM ............................................. 18
1.8. Het Competing Values Framework (CVF) ....................................................... 22
2. (Lessen uit) Schooleffectiviteitsonderzoek ..................................................... 25
2.1. Wat is schooleffectiviteit?............................................................................. 25
2.2. Value-added en eerlijke vergelijking ............................................................... 27
2.3. Ontwikkeling van het schooleffectiviteitsonderzoek ....................................... 28
2.4. Methodologische fundamenten .................................................................... 30
2.5. Wat weten we over effectieve scholen? ......................................................... 32
2.6. Differential effectiveness en de consistentiekwestie ...................................... 33
2.7. Niet-cognitieve uitkomsten en de verbreding van schooleffectiviteit ................ 35
2.8. Kritieken en beperkingen van het schooleffectiviteitsonderzoek ...................... 38
3. (School)zelfevaluatie en interne kwaliteitszorg ............................................... 41
3.1. Zelfevaluatie als fundament van interne kwaliteitszorg ................................... 41
3.2. Twee perspectieven op kwaliteitszorg ............................................................ 43
3.3. Zelfevaluatie binnen de beleidscyclus ........................................................... 45
3.4. Het proces van zelfevaluatie: van vraagstelling naar verbetering ...................... 47
3.5. Zelfevaluatie als onderzoek én beleidsdaad ................................................... 49
2.6. Succesfactoren voor effectieve zelfevaluatie ................................................. 51
2.7. Valkuilen en performantiemanagement ......................................................... 52
4. Externe verantwoording en de werking van onderwijsinspecties ...................... 55
4.1. Waarom bestaan onderwijsinspecties? ......................................................... 55
4.2. Externe verantwoording binnen kwaliteitszorg ................................................ 57
4.3. De kwaliteitsdriehoek als organisatiemodel voor kwaliteitszorg....................... 58
1
, 4.4. Van controle naar systeemverbetering........................................................... 60
4.5. Het CIPO-denken als basis voor inspectie...................................................... 62
4.6. Inspectie 2.0 en het OK-kader ....................................................................... 63
4.7. Ontwikkelingsschalen en inspectieoordelen .................................................. 68
4.8. Werkt inspectie eigenlijk? ............................................................................. 70
4.9. Effecten, neveneffecten en kritische reflecties ............................................... 72
5. Werken met gestandaardiseerde toetsen ....................................................... 75
5.1. Wat zijn gestandaardiseerde toetsen? ........................................................... 75
5.2. Waarom gebruiken we gestandaardiseerde toetsen? ...................................... 78
5.3. De Vlaamse centrale toetsen ........................................................................ 80
5.4. Kwaliteit van toetsen: betrouwbaarheid, validiteit en toegankelijkheid ............. 82
5.5. Van accountability naar ontwikkeling ............................................................ 83
5.6. Datagebruik als proces ................................................................................. 85
5.7. De iteratieve feedbackcyclus ........................................................................ 87
5.8. Sensemaking en attributies ........................................................................... 90
5.9. Veranderingsbereidheid, schoolbeleid en leiderschap .................................... 92
5.10. Effecten en neveneffecten van gestandaardiseerde toetsen .......................... 94
6. Informatiegebruik en Evidence-Informed Practice .......................................... 98
6.1. Van meten naar begrijpen ............................................................................. 98
6.2. Van data-driven naar data-informed decision making ..................................... 99
6.3. Wat is informatiegebruik? ........................................................................... 101
6.4. Evidence-informed practice ........................................................................ 103
6.5. Informatiegebruik als collectief leerproces .................................................. 107
2
, 1. Fundamenten van kwaliteitszorg: Basisbegrippen bij kwaliteit en
kwaliteitszorg
Kwaliteitszorg vormt het fundament van alle latere thema's binnen het vak
Kwaliteitszorg en Effectiviteit. Vragen rond schooleffectiviteit, zelfevaluatie, inspectie,
gestandaardiseerde toetsen en evidence-informed practice vertrekken telkens vanuit
een onderliggende visie op wat kwaliteit is, hoe kwaliteit kan worden vastgesteld en wie
bevoegd is om daarover te oordelen. Het begrip kwaliteit blijkt daarbij veel minder
vanzelfsprekend dan vaak wordt aangenomen. Onderwijskwaliteit is geen objectief
gegeven dat eenvoudig kan worden gemeten, maar een normatief, contextgebonden en
voortdurend evoluerend construct.
1.1. Kwaliteit en kwaliteitszorg: twee verschillende begrippen
Binnen het denken over onderwijskwaliteit moet een fundamenteel onderscheid
worden gemaakt tussen de begrippen kwaliteit en kwaliteitszorg. Hoewel beide termen
in de onderwijspraktijk vaak door elkaar worden gebruikt, verwijzen zij naar
verschillende niveaus van analyse. Kwaliteit heeft betrekking op de mate waarin
onderwijs erin slaagt bepaalde doelstellingen, verwachtingen of maatschappelijke
functies te realiseren. Kwaliteitszorg verwijst daarentegen naar het geheel van
processen waarmee een organisatie die kwaliteit systematisch onderzoekt, bewaakt en
verder ontwikkelt. Kwaliteit vormt met andere woorden het object van beoordeling;
kwaliteitszorg is het mechanisme waarmee die beoordeling en de daarop gebaseerde
verbetering mogelijk worden gemaakt.
Het begrip onderwijskwaliteit is daarbij veel minder eenduidig dan vaak wordt
verondersteld. Vanuit het systeemdenken van Scheerens kan kwaliteit niet worden
gereduceerd tot één enkele uitkomst of indicator, maar ontstaat zij uit de wisselwerking
tussen context, input, processen en resultaten, zoals later uitgewerkt in het CIPO-
model. Onderwijskwaliteit is daarom geen rechtstreeks observeerbare eigenschap,
maar een normatief en contextgebonden construct. Wat als kwaliteitsvol onderwijs
wordt beschouwd, hangt af van de verwachtingen van verschillende actoren, zoals
overheden, onderwijsinspectie, schoolleiders, leraren, ouders en leerlingen. Elk van
deze stakeholders hanteert eigen referentiekaders en kwaliteitscriteria. Sommigen
leggen de nadruk op leerprestaties en efficiëntie, anderen op gelijke kansen, brede
vorming of maatschappelijke relevantie. Deze meervoudigheid sluit aan bij het latere
Triple B-model, waarin beeldvorming, beoordeling en beleidsvoering voortdurend op
elkaar inwerken, en bij het Competing Values Framework, dat aantoont dat organisaties
vaak meerdere, soms tegenstrijdige, kwaliteitswaarden tegelijk moeten realiseren.
3