• ¿Documento equivocado? Cámbialo gratis
  • Escrito por estudiantes que aprobaron
  • Inmediatamente disponible después del pago
  • Leer en línea o como PDF
Vender
¿Dónde estudias?
Tu idioma
Document preview thumbnail
Vista previa 4 fuera de 38 páginas
Notas de lectura

Aantekeningen Ontwikkelingspsychologie colleges 8 t/m 10 | RUG | 2025/26

Document preview thumbnail
Vista previa 4 fuera de 38 páginas

Dit zijn hoorcollege aantekeningen voor Ontwikkelingspsychologie (PABAP038) aan de Rijksuniversiteit Groningen, specifiek over sociale ontwikkeling in het eerste jaar van kinderen. De aantekeningen behandelen zelfbesef en de spiegel-en-rouge test, hechting en wederzijdse socialisatie, sociale interacties tussen baby's, en de ontwikkeling van vriendschappen bij peuters en kleuters (2-6 jaar). Perfect voor examenvoorbereiding en het begrijpen van kernconcepten uit dit hoorcollege, met duidelijk gestructureerde uitleg van theorieën en onderzoeksmethoden.

Vista previa del contenido

Hoorcollege 8 Sociale ontwikkeling
Weten baby’s wie ze zijn?
* Zelfbesef: het bewustzijn dat men los van de rest van de wereld bestaat
* Baby’s worden niet geboren met dit besef
- Dus baby’s weten niet dat ze los van de wereld bestaan
- Ze herkennen zichzelf niet in spiegels of in foto’s
* Ergens tijdens de babytijd begint langzaam dit zelfbesef te ontstaan
- Dit weten we door de spiegel-en-rouge test
- Vanaf 18 maanden begint dit besef te ontstaan
* Spiegel-en-rouge test:
- Dit wordt ook wel de spiegel en sticker test genoemd
- Kinderen krijgen dan een beetje rouge op het puntje van hun neus of op hun voorhoofd (kan ook een
sticker zijn), en die worden dan voor een spiegel gezet
- Als ze dan met hun hand toe gaan naar dat onverwachte op hun gezicht dan weten we dat ze zichzelf
herkennen in het spiegelbeeld
- Jonge kinderen die dit besef nog niet hebben (jonger dan 18 maanden) gaan vaak achter de spiegel
kijken omdat ze een ‘onbekende’ zien
* Ongeveer rond de 18 maanden hebben de meeste kinderen dit besef
- Het zelfbesef is dan nog niet heel stabiel (hangt af van opvoeding, cultuur, interactie die ze hebben)
- Het zelfbesef ontwikkeld zich door de tijd heen
* Vanaf ongeveer een leeftijd van 2 jaar gaan kinderen ook het besef krijgen van hun eigen vaardigheden
- Ze gaan hun eigen vaardigheden vergelijken met die van anderen
~ Door die vergelijkingen krijg je een steeds beter beeld van jezelf
~ Maar die vergelijkingen hebben ook een nadeel, we blijven ons de rest van ons leven vergelijken
met anderen wat maakt dat we soms ook minder tevreden zijn over onszelf
* Groei van zelfbesef wordt gedragen door taalontwikkeling

Interactie met baby’s: ontluikende relaties (1)
* Een belangrijke basis voor sociale ontwikkeling is het ontstaan van hechting
* Hechting is de positieve emotionele band tussen een baby/kind en zijn of haar ouders of verzorgers
* Deze band geeft het gevoel van veiligheid en als je je veilig voelt dan kan je de wereld exploreren, heb
je het gevoel dat je dingen kan en kan je ook interacties met anderen aangaan
* Het is belangrijk dat ouders sensitief reageren op de signalen van een kind
- Als een kind huilt of lacht is het belangrijk dat er ouderlijke interacties zijn
* Onderzoek laat zien dat we als volwassenen ook voorgeprogrammeerd zijn om sterk op baby’s te
reageren
- Als we gezichten van baby’s zien worden er al binnen enkele seconden bepaalde gebieden in onze
hersenen geactiveerd die te maken hebben met aandacht en zorggedrag
* De interactie met baby’s verloopt ook grotendeels via gezichtsuitdrukkingen, geluiden, lichaamstaal
- Het is dan belangrijk dat ouders hier sensitief op reageren
* Het gaat altijd om wederzijdse socialisatie
- Wederzijdse socialisatie: proces waarbij het gedrag van baby’s nieuwe responsen van ouders en
andere verzorgers oproept en vice versa

,* Baby’s geven een signaal, ouders geven een reactie (positief en sensitief reageren), daar reageert een
baby weer op en zo ontstaat dus een sociale interactie
* Hechting en sociale relaties bij kinderen is geen eenrichtingsverkeer




Interactie met baby’s: ontluikende relaties (2)
* Baby’s hebben nog geen vriendschappen
* Maar ze reageren op vrij jonge leeftijd positief op leeftijdsgenootjes
- Dit doen ze door bepaald uitingen, glimlachen, wijzen
* Dus al heel jong zien we dat baby’s proberen te interacteren met leeftijdgenootjes
- Rudimentaire vormen van sociale interactie (geluidjes maken, glimlachen, bewegen)
* Dit zien we al van een leeftijd van 3 tot 4 maanden
* Tijdens deze tijd wordt de voorkeur van baby’s steeds meer voor mensen en op een gegeven moment
ook sterker voor de mensen die we kennen -> basis van hechting
* Het sociale gedrag neemt toe
* Als baby’s tussen de 9 en 12 maanden zijn dan zie je ook dat ze elkaar bijvoorbeeld speeltjes gaan
aanbieden, achter elkaar aankruipen, kiekeboe spelletjes samen doen
- Dus we zien al rudimentaire vormen van sociale interactie
* Deze hebben een sociale functie maar dienen ook als leerinstrument
- Ze leren van elkaar -> als ik dit doe, dan leidt dat tot een reactie die ik dan prettig of niet prettig vindt
* Baby’s leren heel erg door imiteren
- Dit heeft dus zowel een sociale functie als een leerfunctie

Sociale leven van peuters en kleuters
* Tijdens de peuter en kleuterleeftijd (2 en 6 jaar) beginnen kinderen steeds meer te ontdekken hoe leuk
leeftijdsgenootjes zijn
* Het ontstaan van vriendschappen zien we ongeveer vanaf de leeftijd van 3 jaar
* Dus leeftijdsgenootjes gaan steeds een belangrijkere rol spelen in die sociale interactie
* Maar de rol van ouders en familie blijven een grote rol spelen in het sociale leven
* Op deze leeftijd zijn vriendschappen vooral gebaseerd op samen dingen doen
- Bijvoorbeeld samen in de zandbak, samen met de bal spelen
* We zien op deze leeftijd ook dat kinderen al bepaalde voorkeuren hebben om te spelen met bepaalde
kinderen en dat ze sommige kinderen ook al uitsluiten

,* Daarentegen zien we ook dat vriendschappen op deze leeftijd nog heel vluchtig en wisselend kunnen
zijn
- Hoewel we aan de ene kant kunnen zien dat kinderen al voorkeuren hebben en bepaalde kinderen
uitsluiten kan het ook zo zijn dat ze op maandag beste vriendjes zijn met Willen en op Dinsdag Jan de
leukste is
* Op deze leeftijd spelen kinderen heel veel
- Spelen helpt kinderen te ontwikkelen, op sociaal gebied maar ook motorisch, cognitief
- Spelen is dus heel erg belangrijk
* Kinderen spelen omdat ze het leuk vinden, maar het doet het kind dus ontwikkelen op allerlei
gebieden -> recht op spelen is heel belangrijk
* Er zijn verschillende speltypen:




* Speltypes ingedeeld naar sociale aspect:
- Parallel spel
- Toekijkend spel -> soms kan dit een manier zijn om uiteindelijk mee te kunnen doen
- Associatief spel
- Coöperatief spel -> meest sociale vorm van spel, doen echt samen iets
- Solo spel -> alleen spelen
* We zien de meest eenvoudige vormen (parallel spel) vaak bij de wat jongere kinderen en associatief en
coöperatief spel (meer complex qua sociale interactie) vaak wat meer na het einde van de kleutertijd
toe
- Maar het is ook afhankelijk van hoeveel ervaring ze hebben met sociale interactie
- Als ze al heel vaak met andere kinderen in aanraking komen zie je die vormen van associatief en
coöperatief spel al op jongere leeftijd
* Deze verschillende soorten van spel blijven bestaan
- Toekijkend spel wordt ook door andere kinderen gedaan
- Soms wil je bijvoorbeeld meespelen maar vind je dat lastig maar dan ga je eerst even kijken

Sociale relaties en vriendschappen in de schooltijd
* In de basisschoolleeftijd ontwikkelen kinderen steeds meer inzicht in de gevoelens en gedachten van
anderen
- Hierdoor leren ze ook veel beter rekening houden met anderen en verlopen sociale interacties steeds
soepeler

, * In deze periode worden de vriendschappen steeds belangrijker -> meer omgang met leeftijdsgenoten
- Door met kinderen te interacteren leren kinderen van andere kinderen wat hoort en wat niet hoort
~ Dus hoe je je gedraagt, wat wenselijk is, wat andere kinderen fijn vinden, wat andere kinderen niet
fijn vinden -> we zien dat het eigenlijk een ‘sociale leerschool’ is voor kinderen
* In de basisschoolleeftijd wordt het niet hebben van vriendjes of het niet aangaan van sociale interactie
met leeftijdsgenootjes als niet normaal gezien en ook als negatief voor de sociale ontwikkeling
* Natuurlijk zijn er kinderen die liever meer alleen zijn of die zich alleen heel goed kunnen vermaken,
maar kinderen die helemaal niks met andere kinderen te maken willen hebben, daar gaat iets niet
goed in de sociale ontwikkeling
* In deze basisschoolleeftijd spelen leeftijdsgenootjes een belangrijke rol, kinderen gaan elke dag naar
school, steeds meer afspreken met vriendjes
* Maar ook in deze leeftijdsfase zijn ouders en andere gezinsleden nog steeds belangrijk om te leren op
het gebied van sociale interactie
* Wat nog opvallend is in deze leeftijdsperiode is dat we zien dat kinderen vooral optrekken met
kinderen van dezelfde sekse
- Dus meisjes spelen het liefst met meisjes (vaak in kleinere groepen of meer 1 op 1) en jongens liever
met jongens (in groter groepsverband)

Adolescentie – relaties met leeftijdsgenoten
* Door de tijd heen zien we dat de relatie met leeftijdsgenoten steeds belangrijker wordt, maar het
hoogtepunt treedt op tijdens de adolescentieperiode
- Jongeren brengen in deze leeftijdsperiode meer tijd door met leeftijdsgenootjes dan in elke andere
leeftijdsperiode
- Minimaal 1/3 van de tijd dat ze wakker zijn brengen ze door met leeftijdsgenootjes
* Uit onderzoek blijkt dat adolescenten zich het meest fijn en gelukkig voelen als ze samen zijn met
leeftijdsgenoten
* Waarom zijn leeftijdsgenoten nu zo belangrijk in deze levensfase?
- Leeftijdsgenoten helpen bij de ontwikkeling van sociale vaardigheden
- Sociale vergelijking met anderen speelt een hele grote rol (hoe zie ik eruit, hoe zien anderen eruit,
pas ik daarbij, wat kan ik, kan ik dingen die anderen niet kunnen)
~ Leeftijdsgenoten zijn hier dan het meest geschikt voor, ze dienen als referentiegroep
~ In deze fase gaan adolescenten steeds meer experimenten met welke kledingstijl bijvoorbeeld het
beste bij hun past, wie ze echt zijn, ontwikkeling van identiteit gaat een rol spelen -> vergelijkingen
spelen dus een grote rol
* Binnen de sociale wereld van adolescenten kunnen we onderscheid maken in verschillende groepjes
voor sociale vergelijking
- Kleine hechte vriendenclubs (‘cliques’) -> de vrienden die je hebt (kleine groepjes waar je veel
omgang mee hebt)
- Grotere subculturen (‘crowds’) -> groepen waar je kenmerken mee deelt zonder dat je interactie hebt
met iedereen
~ Voorbeelden van een subcultuur zijn nerds, kakkers of een groep sporters
* Voor veel adolescenten (heeft te maken met sociale vergelijking) is het belangrijk dat je erbij hoort
- Daardoor ontstaat peer pressure

Información del documento

Estudio
Subido en
6 de junio de 2026
Número de páginas
38
Escrito en
2025/2026
Tipo
Notas de lectura
Profesor(es)
Suzanne houwen en steffie van der steen
Contiene
College 8 t/m 10
$6.91

¿Documento equivocado? Cámbialo gratis Dentro de los 14 días posteriores a la compra y antes de descargarlo, puedes elegir otro documento. Puedes gastar el importe de nuevo.
Escrito por estudiantes que aprobaron
Inmediatamente disponible después del pago
Leer en línea o como PDF

Vendido
0
Seguidores
0
Artículos
3
Última venta
-



Por qué los estudiantes eligen Stuvia

Creado por compañeros estudiantes, verificado por reseñas

Calidad en la que puedes confiar: escrito por estudiantes que aprobaron y evaluado por otros que han usado estos resúmenes.

¿No estás satisfecho? Elige otro documento

¡No te preocupes! Puedes elegir directamente otro documento que se ajuste mejor a lo que buscas.

Paga como quieras, empieza a estudiar al instante

Sin suscripción, sin compromisos. Paga como estés acostumbrado con tarjeta de crédito y descarga tu documento PDF inmediatamente.

Student with book image

“Comprado, descargado y aprobado. Así de fácil puede ser.”

Alisha Student

Preguntas frecuentes