HOOFDSTUK 1: WAT IS RECHT?
Recht = een geheel van gedragsregels
→ opgesteld door de overheid
→ afdwingbaar door sancties
→ om de samenleving te ordenen en vitale belangen te beschermen
RECHT = GEDRAGSREGELS
● Regelen uitwendig gedrag (wat je doet)
● Zijn geboden (je moet…) of verboden (je mag niet…)
● Verschil met moraal/religie: die regelen innerlijke overtuigingen
OPGESTELD DOOR DE OVERHEID
● Alleen regels van een bevoegde overheid zijn rechtsregels
● België werkt volgens trias politica (Montesquieu):
● Wetgevende macht: parlement
● Uitvoerende macht: regering + koning
● Rechterlijke macht: hoven en rechtbanken
● Machten zijn gescheiden én controleren elkaar
AFDWINGBAAR DOOR SANCTIES
Er zijn twee soorten sancties:
a) Burgerrechtelijke sancties
→ bij conflicten tussen burgers
→ burgerlijke rechtbanken
Voorbeelden:
● Gedwongen uitvoering (betalen, iets doen, iets niet doen)
● Dwangsom
● Beslag
● Schade vergoeding (materieel of moreel)
b) Strafrechtelijke sancties
→ bij misdrijven
→ strafrechtbanken
Voorbeelden:
● Vrijheidsberoving (gevangenis, enkelband)
● Geldboete
● Werkstraf
1
, ● Autonome probatie
● Bijkomende straffen (rijverbod, ontzetting uit rechten)
● Internering (bij geestesstoornis)
DOEL VAN RECHT
● Orde, rust, veiligheid, rechtszekerheid
● Bescherming van vitale maatschappelijke belangen
● Dura lex, sed lex: de wet kan soms hard zijn, maar moet toegepast worden
VIER CONSTITUTIEVE ELEMENTEN VAN EEN MISDRIJF
Een misdrijf bestaat uit 4 noodzakelijke elementen
Ontbreekt er één → geen misdrijf, dus geen straf
1. MATERIAAL ELEMENT
= er moet een daad zijn die strafbaar is volgens de wet
→ strafrecht = geschreven recht (legaliteitsbeginsel)
Twee soorten:
● Handelingsmisdrijf: iets doen dat verboden is
● Onthoudingsmisdrijf: iets niet doen terwijl je verplicht was te handelen (bv. hulp niet
verlenen aan iemand in gevaar)
2. TOEREKENINGSVATBAARHEID
= de dader moet wetens en willens handelen
a) Algemeen opzet
→ Wetens: je weet dat je de wet overtreedt
→ Willens: je doet het uit vrije wil
b) Bijzonder opzet
→ extra bedoeling vereist
→ voorbeelden: diefstal, valsheid in geschrifte
c) Onachtzaamheid / onopzettelijk
Je wilde het niet, maar je had het kunnen en moeten voorzien
Toetsing aan de bonus pater familias (normaal voorzichtige persoon)
d) Niet toerekeningsvatbaar
Minderjarigen (<18 jaar)
→ geen misdrijf, maar jeugddelict
→ jeugdrechter bevoegd
→ uitzonderingen: verkeer vanaf 16 jaar, uithandengeving vanaf 16 jaar
2
, Geestesstoornis
→ op moment van feiten én berechting
→ internering of vrijspraak
Onweerstaanbare dwang / overmacht
→ aanval/druk is onweerstaanbaar, onvermijdbaar, niet te voorzien
→ vrije wil valt weg
3. STRAFWAARDIGHEID
Sommige personen kunnen niet gestraft worden → immuniteit
Voorbeelden:
● De koning
● Diplomaten (uitzonderingen bij misdrijven tegen de mensheid)
4. WEDERRECHTELIJKHEID
= handeling moet in strijd met het recht zijn
→ als er een rechtvaardigingsgrond is, is het niet wederrechtelijk
a) Wettige zelfverdediging
Voorwaarden
→ Aanval is reëel, actueel, ernstig
→ Gericht tegen de persoon
→ Verdediging is onmiddellijk noodzakelijk
→ Proportioneel (niet meer geweld dan nodig)
Noodtoestand
= conflict tussen twee plichten
→ Je schendt een wet om een hoger belang te beschermen (bv. iemand
in levensgevaar helpen)
STRAFWETBOEK 1867 → 2024
● Oud wetboek: 1867
● Nieuw Strafwetboek goedgekeurd in 2024
● Inwerkingtreding: 8 april 2026
3