3 I’s communicatiewetenschappen:
- interdisciplinair
- internationaal
- intersectoreel
“Scientia vincere tenebras” = door wetenschap duisternis overwinnen
kennis, vrij onderzoek en kritisch denken
verlichting en humanisme (2 stromingen die centraal staan/rode draad vormen)
Communicatiewetenschappen gedreven door 3 factoren:
1. Ontwikkelingen in andere disciplines: opent grenzen voor invloeden van buitenaf
2. Technologische ontwikkeling: groei onderzoek en academische uitbouw
(The medium is the message - McLuhan) - elk medium functioneert als verlengde van onze zintuigen
en beïnvloedt de maatschappij - niet enkel kijken naar wat er gezegd wordt maar ook via welke
media
3. Ethische vragen
-> (on)macht media: sociale cohesie of niet, impact maatschappij of niet
-> moral panics: invloed games, films,...
-> moralisme (vb: belang diversiteit)
=> complexe relatie culturele en economische component van comm.wet onderzoek (vb: privacy,
vrijheid meningsuiting)
Technologisch determinisme = misvatting dat technologie de maatschappij kan veranderen
1) & 2) Verlichting, humanisme en postmoderniteit
Moderniteit
Historische fase (17e eeuw-1980)
-> centrale kenmerken:
- belang van rede/ratio (vb: René Descartes ‘Je pense donc je suis’ - Discours de la methode)
- maakbaarheid van de maatschappij: god bepaalt niet alles -> mens invloed op samenleving
- humanisme: mens centraal, vrijheid, gelijkheid, verbondenheid
- wereldbeeld verklaard door wetenschap
-> wereldbeeld gevormd door sociologische processen (9):
Secularisering
=> einde dominante religieuze autoriteit
-> geloof vervangen door rationeel wetenschappelijk denken
Rationalisering
-> efficiëntie, voorspelbaarheid, controle over proces, “meten is weten”
Kapitalisme
=> winstmaximalisatie, vrije markt
Industrialisering
, => technologische ontwikkeling
-> machines, fossiele brandstoffen
Urbanisering
=> grootschalig verhuis van landelijk naar verstedelijkt gebied
-> oorzaak: industrialisering
-> gevolg: meer individualisme
Bureaucratisering
=> hiërachische organisatie o.b.v geschreven regels, procedures
-> onpersoonlijk (dura lex, sed lex)
-> onderwijs, openbaar vervoer, gezondheidszorg
Democratisering
-> burgers krijgen inspraak
-> vrijheid van meningsuiting
-> vrouwenrechten
Globalisering
-> contact tussen samenlevingen
-> transnationale handel, transport
Consumentisme
-> verlangen naar consumptie voor persoonlijke voldoening
-> gevolg: materialistische samenleving met massaconsumptie
-> consumptie als middel om status uit te drukken
Cognitief denkkader
=> klemtoon op rationele en ware kennis
-> wetenschap, objectiviteit, universele waarheden
-> waarheid leidt tot vrijheid (loskoppeling van autoriteiten die onwetendheid steunen)
-> ideologieën: liberalisme, socialisme, communisme, kapitalisme, marxisme, democratie,...
-> DUS binnen moderniteit streeft men naar waarheid MAAR alle verschillende ideologiën staan elk
voor een andere waarheid -> NIET 1 objectieve waarheid
Modernisme (artistieke stroming binnen moderniteit)
-> kritische blik op maatschappelijke fenomenen
-> kunst moet sociaal kritisch zijn en bestaande orde omverwerpen (activisme)
-> kunst wordt experimenteel
-> herdefinieert kunst & originaliteit
-> ontstaan nieuwe stromingen: expressionisme, kubisme,...
Vb: De Schreeuw – Edvard Munch (expressionisme)
Picasso (Kubisme)
-> MAAR modernisme ook negatieve consequenties: sociale ongelijkheid, klimaat, WO1&2
-> moderniteit deed zich voor als humanistisch, maar culturele dominantie, geweld,...
, -> Coloniality of power: modernisme kan niet los gezien worden van colonialiteit
-> moderniteit claimt universele waarheden MAAR ontzeggen die waarden systematisch zelf
Postmoderniteit (denkkader)
≠ postmodernisme (artistieke stroming binnen postmoderniteit)
Postmodernisme -> brengt negatieve gevolgen postmoderniteit in kaart
-> EINDE geloof in absolute waarheid
-> ‘we maken de waarheid’ Lyotard
-> manier waarop mens betekenis geeft aan wereld verandert met de tijd
-> EINDE werkelijkheid
-> enkel werkelijkheid uitgebeeld door media bestaat Baudrillard
-> hyperrealiteit = door media geconstrueerde illusie van realiteit
-> simulacrum = kopie zonder origineel, representatie die geen relatie meer heeft met realiteit
3 stromingen postmoderniteit:
Deconstructivisme (Lyotard)
= absolute waarheid bestaat niet meer
=> betekenis afhankelijk van wijze waarop teksten op elkaar voortbouwen
-> eenzelfde tekst heeft onneindig betekenissen
-> absolute waarheid bestaat niet meer
-> intertekstualiteit (Kristeva)
Pessimistisch postmodernisme (Jameson & Baudrillard)
Jameson
= het einde van betekenis, enkel simulatie bestaat
-> postmodernisme = nieuwe fase van kapitalisme en consumentisme
-> sociale fragmentatie o.b.v symbolische waarden
-> consumentisme als bevrediging behoeften en uitdrukking status
-> spektakelcultuur
-> parodie: humoristische & kritische nabootsing (vb: Mona Lisa)
-> pastiche: gewone nabootsing (zonder toevoeging)
Baudrillard
-> TV overlaadt consument met simulatie
-> oorspronkelijke, stabiele betekenis verdwijnt
-> einde eenduidige stromingen in media
- vermenging genres
- vermenging hoge & lage cultuur (vb: Pop art)
- recycling en retro (oud) materiaal hergebruiken (vb: Barbie-film, LikeMe)
- ironisch citeren (vb: parodieën)
Productief postmodernisme (Hutcheon)
=> positieve visie postmodernisme
-> nadruk onderscheid postmoderniteit en postmodernisme