2.1 Ontstaan en situering
Sociale systemen zijn open systemen: voortdurende wisselwerking met omgeving
Doel: problemen aanpakken door rekening te houden met interacties en relaties
en zo te werken rond verandering binnen het systeem
2.2 Van persoonsgericht naar relatiegericht kijken
Persoonsgericht Relatiegericht
Focus op persoon/ individu Focus op persoon in relatie tot
omgeving
Persoon is zelfbepalend Systeem bepaalt (mee)
Aandacht voor binnenkant Aandacht voor buitenkant
Kijk naar gedrag van 1 persoon Kijk naar samenhang, verbinding,
betekenis
Iets staat vast/ onveranderlijk Iets is in beweging/ verandering
mogelijk
1 waarheid Veel waarheden
2.3 Wat is een systeem?
- Sociaal systeem: geheel van aantal mensen die met elkaar in interactie
staan. Tussen die mensen is samenhang en wederzijdse beïnvloeding
2.4 Een systeem is open
Staat hele tijd in contact met wat rond het systeem gebeurt -> voortdurende
beïnvloeding -> Systeem = dynamisch
2.5 Suprasystemen en subsystemen
= kleiner systeem
Subsysteem
systeem
Suprasystee = systemen die samen een groter systeem
m vormen
systeem
2.6 Een systeem is een geheel: totaliteit en niet- optelbaarheid
- Totaliteit: verandering in 1 deel van het systeem veroorzaakt verandering
in alle delen van het systeem
- Niet- optelbaarheid: een systeem is meer dan alle losse delen samen,
samenhang maakt het geheel
2.7 Emotionele betrokkenheid binnen systemen
Ontstaan van emotionele band -> verbondenheid (-> moeilijk om systeem te
verlaten)
! Emotionele betrokkenheid kan positief of negatief zijn
, 2.8 Systemen hebben een gezamenlijk doel
- Streven hiernaar bewust of onbewust (niet altijd uitgesproken)
- Interactie is gericht op behouden of veranderen van gezamelijke doel
- Iedereen vervult eigen rol in functie van doel
2.9 Systemen hebben eigen omgangsvormen en systeemregels
- Omgangsvormen: gewoontes, gedragingen, taal, kleding,.. die typisch
zijn binnen bepaald systeem (waarneembaar). Daarom is het de buitenkant
van een systeem.
- Systeemregels: onderliggende waarden, principes, overtuigingen die
eigen zijn aan het systeem (niet waarneembaar). Het is de basis voor
omgangsvormen. Daarom is het de binnenkant van een systeem.
3. Systemen veranderen
3.1 Feedback en informatie
Alle gedrag bevat informatie (verbaal/ non- verbaal, bewust/ onbewust)
- Binnen systeem
- Tussen systemen voortdurende uitwisseling van informatie
- Tussen systemen en omgeving
- Feedbackproces: mensen of systemen sturen voortdurend informatie
naar elkaar via gedrag of taal. Daarop reageert de ander weer waardoor er
een kring van actie en reactie ontstaat
3.2 Positieve en negatieve feedbackmechanismen
- Positieve feedback: als het systeem verandert naar aanleiding van
nieuwe info -> groei en veerkracht
Bestaande regel wordt losgelaten, nieuwe wordt bevestigd
Leidt tot tijdelijk verlies aan stabiliteit, evenwicht, voorspelbaarheid
Bevordert ontwikkeling van (sub)systeem, zorgt voor flexibiliteit,
groei en verandering
- Negatieve feedback: als het systeem niet verandert, bestaande regels
worden behouden
-> stabiliteit en voorspelbaarheid
Nieuwe regels worden verworpen
Negatieve feedback remt ontwikkeling (weerstand)
! Positief/ negatief zegt iets over HOE systemen reageren op nieuwe informatie
3.3 Homeostase of meegroeiend evenwicht
- Homeostase: meegroeiend evenwicht van systeem (veel houvast)
- Meegroeiend evenwicht: systeem groeit mee, verandert met tijd,
zonder daardoor uit evenwicht te geraken
- Kalibrering: afstemmingsproces dat zich moet afstellen op nieuwe
realiteit
In tijden van homeostase functioneert een systeem optimaal.