• ¿Documento equivocado? Cámbialo gratis
  • Escrito por estudiantes que aprobaron
  • Inmediatamente disponible después del pago
  • Leer en línea o como PDF
Vender
¿Dónde estudias?
Tu idioma
Document preview thumbnail
Vista previa 10 fuera de 102 páginas
Resumen

Samenvatting Juridische Argumentatieleer | volledig | UA | 2025/26

Document preview thumbnail
Vista previa 10 fuera de 102 páginas

Deze studiestof behandelt de cognitieve fundamenten van juridische argumentatie aan de Universiteit Antwerpen. De aantekeningen bespreken het drievoudige brein, Systeem 1 en Systeem 2-denken volgens Kahneman, en de vier centrale verbanden die het menselijk redeneren bepalen: voorwaardelijke verbanden, via-verbanden, deel/geheel-relaties en oorzaak/gevolg-verbanden. Met concrete voorbeelden en uitleg over validiteit en consistentie van deductieve redeneringen, ideaal voor het begrijpen van hoe juridische argumenten psychologisch en cognitief werken.

Vista previa del contenido

JURIDISCHE ARGUMENTATIELEER

COGNITIEVE ACHTERGROND

Mens = dier met sterke cognitieve capaciteiten
 Cognitieve capaciteiten < evolutionaire wortels
 Gevolg van evolutionaire wortel van menselijk redeneren: manipuleerbaarheid (‘nudging’)  kan
ook ten goede



3-VULDIG BREIN (triune brain):
1. Oudste laag: reptielachtig brein
- Hersenstam en cerebellum
- Spieren, evenwicht, autonome functies
- Rigide, obsessief, compulsief gedrag

2. Tweede laag: oude zoogdierenbrein
- Limbisch brein: amygdala, hippocampus, hypothalamus
- Emoties, motivatie, stressrespons, geur
- + Leren / geheugen via beloning (hippocampus)

3. Derde laag: recente zoogdierenbrein
- Neocortex: cognitie




WAT BEPAALT ONS GEDRAG  ONDERSCHEID TUSSEN SYSTEEM 1 & SYSTEEM2;
 SYSTEEM 1: snel, intuïtief denken
- Automatisch; vaak onbewust; associatief; geleerde patronen
- Op basis van snelle indrukken → gevaar voor bias!
- Stuurt meeste van onze handelingen en gedrag
- Vaardigheden uit reptielen en limbisch brein

 SYSTEEM 2: traag, analytisch
- Vereist inspanning en aandacht: ideeën ordenen, nadenken over wat te doen
- Rekenen, logisch redeneren, bewuste keuzes
- Overrulet soms Systeem

/!\ Systeem 1 ≠ emotie; Systeem 2 ≠ rede
 emotie en rede in beide systemen
 Systeem 1: lezen en autorijden: patroonherkenning, taalintuïtie, routinehandelingen, automatische
vaardigheden
 Systeem 2: rationeel omgaan met frustratie: emotie beheersen, impulscontrole, plannen

 verschil = snelheid en mate van controle en inspanning, niet “gevoel vs verstand”

Overgang van Systeem 2 naar Systeem 1:
 Inslijting – rol van ervaring
 Keerzijde: curse of knowledge → als kennis vanzelfsprekend is (geworden), is deze vaak ook
moeilijker
om over te dragen / uitgelegd te krijgen (bv: met de fiets rijden is zo diep aangeleerd)
 Systeem 1- en Systeem 2-denken Kahneman. Thinking, Fast and Slow. Random House, 2011


HET BREIN ALS VERBANDLEGGENDE MACHINE:


1

,SYSTEEM 1: spontaan verbanden tussen allerlei soorten informatie (concepten,
gebeurtenissen, stellingen …)
 Conceptverruiming door verminderde blootstelling: hoe minder ervaring je hebt met bepaald
concept, hoe ruimer je dat concept gaat definiëren

 Voordelen:
- Coherent kader: uit losse prikkels en feiten samenhangend, betekenisvol verhaal
- Efficiëntie: werkt snel en met weinig mentale inspanning → handig voor routinebeslissingen
- Detecteert sneller mogelijk gevaar en stuurt onmiddellijke reactie aan
- intuïtie / buikgevoel gericht op veiligheid en dus op herkennen dreiging
vb. ”als we luide brul horen, kunnen we er misschien maar beter van uitgaan dat het een
leeuw is, ook al hebben we technisch gezien onvoldoende informatie om dat met zekerheid
te kunnen concluderen”
- Automatisering van vaardigheden door oefening

 Nadelen:
- verbanden zijn regelmatig niet correct. Onjuiste verbanden en drang naar coherentie
Vb. “Piet ging skiën. Hij brak een been.”
- Complottheorieën

SYSTEEM 2: actieve controle van verbanden


4 CENTRALE VERBANDEN VAN SYSTEEM 1:
1. VOORWAARDELIJKE VERBANDEN:
= als-dan redeneringen, een bepaalde zin of uitspraak vormt een voorwaarde voor een andere
propositie
 als propositie 1 waar is, dan is propositie 2 ook waar
Bv: “als het 16u is, dan begint de les”

2. VIA-VERBANDEN (‘METONYMIEËN’):
= een ding of entiteit gebruiken (vehikelentiteit) om mentale toegang te krijgen tot andere entiteit
(doelentiteit) die er in onze ervaring nauw mee verbonden is

= een stijlfiguur en vorm van beeldspraak waarbij een woord wordt vervangen door een ander
woord dat er nauw mee verbonden is, gebaseerd op een logische relatie (contiguïteit) in de
werkelijkheid. (bv: “de kroon” voor “de koning”)

Bv:
- Hij had al twee flessen op voor de middag.
- Het Witte Huis heeft laten weten dat er geen akkoord is.
- Die Picasso hangt nu in een privécollectie

 talrijke soorten:
 Deel/Geheel:
= je legt verband tussen deel en geheel
- Eigenschap van deel doortrekken naar geheel: “Jouw fietsbel is stuk en je zegt “Mijn fiets
is stuk”
- Eigenschap van geheel doortrekken naar deel: “Belgen spreken vaak meerdere talen” →
aanname: Belg die je op vakantie tegenkomt zal wel meerdere talen spreken


 Gevolg/Oorzaak:
= je plaatst twee gebeurtenissen in oorzakelijk verband
- “De straat is nat” → je bedoelt: het heeft geregend
- “De grond plakt” → je bedoelt: er is iets gemorst
- “De wachtrij staat tot buiten” → je bedoelt: het is heel druk in de winkel
 Metonymie op zich niet problematisch, maar mogelijk gevaarlijk

 Producent/Product: “Ik lees graag Kafka” → boek van Kafka

 Instituut/Plaats: “Brussel heeft dat weer beslist” → Europese Un

 Ongericht en associatief: erg sterke verbanden

2

,  Neiging om verbanden te leggen tussen dingen die niet gerelateerd zijn: apofenie

3. CAUSALE VERBANDEN:
- Neiging om samenhangende gebeurtenissen in een relatie van oorzaak en gevolg tot elkaar te
plaatsen
- Causaal verband: oorzaak-gevolgrelatie waarbij gebeurtenis andere gebeurtenis teweegbrengt

- Correlatie = samenhang tussen variabelen → als ene variabele verandert, wijzigt de andere ook
 Positief: als ene variabele stijgt, andere ook
 Negatief: als ene variabele stijgt, dan daalt andere
- Correlatie ≠ Causaliteit!
 Correlatie bewijst niet dat ene variabele ook andere veroorzaakt

Andere voorbeelden:
Bv: “Cannabisgebruik leidt tot heroïnegebruik”
• Stepping stone-redenering
• Als er al gateway-effect is, dan is dat waarschijnlijk klein en sterk afhankelijk van context
- Anders zou heroïnegebruik veel vaker voorkomen
- Samenhang kan verklaard worden door gedeelde risicofactoren, die kans verhogen op beide
(risicogevoeligheid, trauma, armoede, contacten met illegale markt)
• Beter: “Cannabisgebruik correleert met een hogere kans op later gebruik van heroïne”

Bv: Sinds het begin van deze legislatuur gaat de economie erop vooruit”
• Timing ≠ oorzaak
• Externe factoren kunnen veel belangrijker zijn


 Eénduidige causale verbanden zijn zeldzaam: zestal vergissingen
(1) zwakke correlatie tussen feit 1 en feit 2

(2) onbepaalde richting van causaal verband
- ‘paraplu’ → ‘regenen’
- observatie: in buurten met meer politie is er meer criminaliteit
(3) alternatieve verklaringen
- zoals gemeenschappelijke oorzaak,
- een hogere ijsjesverkoop leidt tot meer verdrinkingen
- ‘keizersnede’ → ‘autisme’

(4) overhaaste extrapolatie
- “neerslag is goed voor de oogst”

(5) vage beschrijving van de oorzaak
- “ongezond leven leidt tot depressie”

(6) geen oog voor relevante kwantitatieve gegevens
Bv: gelijke behandeling mannen en vrouwen (onderzoek: Berkeley 18973)
Mannen voorgetrokken?
Neen: mannen deden meer aanvragen voor ‘makkelijke’ departementen
Verklaring: voorkeur voor vrouwen voor departementen met strengere toelatingsproef




3

, Hoe weet ik zeker dat er causaal verband is (en niet enkel correlatie)? Zeer moeilijk!
 Kans dat er toch causaal verband is, is groter als positief antwoord op deze vragen:

1. Positieve correlatie tussen feit 1 en feit 2?
Bv. ‘ik druk op knop X’ en ‘de televisie gaat aan’

2. Vaak voorkomende correlatie tussen feit 1 en feit 2?
Bv. de televisie is al vaak aangegaan als ik op knop X heb gedrukt

3. Redenen dat feit 1 oorzaak is van feit 2 en niet omgekeerd?
Bv. niet plausibel dat aangaan van televisie tot gevolg heeft dat jij op knop X drukt

4. Kan je uitsluiten dat tussen feiten 1 en 2 nog een derde feit zit?
In dit geval ja. Anders bij ‘Armoede’ (1) en ‘Ziekten’ (2): 1 → verminderde hygiëne → 2

5. Kan je een derde factor uitsluiten die zowel feit 1 als feit 2 veroorzaakt?
In dit geval ja. Anders bij ‘Grote schoenmaat’ (1) en ‘Goed lezen’ (2): ‘Leeftijd’ (3) verklaart
beide

6. Zijn termen waarmee feiten 1 en 2 zijn beschreven, voldoende duidelijk
omschreven?
Armoede’ en ‘ziekten’ onvoldoende duidelijk? Moeilijker causaal verband




4. ALS-HET-WARE-VERBANDEN (‘METAFOREN’):
.


= als het ware-verbanden of metaforen: abstracte concepten voorstellen als concrete zaken

 Metafoor ≠ metonymie:
Metonymie:
 Gaat over entiteiten in hetzelfde “conceptuele domein”
 Vervangt iets door iets dat er echt bij hoort: er is aangrenzendheid
 Etiketwissel binnen dezelfde werkelijkheid → neutrale vervanging
 Doel is om mentaal toegang te krijgen
Bv:
- Hij had al twee flessen op voor de middag.
- Het Witte Huis heeft laten weten dat er geen akkoord is.
- De universiteit heeft het examenreglement aangepast.
- De pers dook meteen op het schandaal.
- Die Picasso hangt nu in een privécollectie.
- Het brein als verbandenleggende machine



 Metafoor (‘zoals wordt niet gebruikt’) ≠ vergelijking (met ‘zoals’)
Metafoor:
 Gaat over entiteiten in een ander conceptueel domein
 Berust op gelijkenis: de twee beelden komen overeen
 Doel = begrip → geladen betekenis, sterke evaluatie
Bv:
- Hun relatie zit in zwaar weer
- Hij heeft zijn politieke tegenstander in het debat met de grond gelijk gemaakt
- Dat plan is een bittere pil om te slikken
- We verdrinken in het werk
- We moeten de economie aanzwengelen
- De knip in de Leien leidt tot een verkeersinfarct
- Dat filmpje ging viraal



4

,5

,BOUWSTENEN VAN REDENERINGEN


 Redenering= aaneenschakeling van beweringen waarbij één bewering (conclusie) wordt afgeleid
uit één of meerdere andere beweringen (premisse(n))

= binnen één persoon (monoloog)
<-> argument: tussen verschillende personen (dialoog)

Wat is geldig redeneren?  hangt af van hoe formeel: zuiver formeel criterium
 niet verwarren met waarheidsgetrouw → premissen moeten niet gebaseerd zijn op waarheid
om een geldige redenering op te bouwen

Bv:
- Bewering 1: “Wouter is christen” (conclusie)
- Bewering 2: Waarom? “Omdat hij elke week naar de mis gaat”
 Als iemand elke week naar de kerk gaat, dan is hij christen (premisse 1)
 Wouter gaat elke week naar de kerk (premisse 2)



 Voorwaardelijke uitspraak (‘als-dan’):
= uitspraak die bestaat uit twee delen: het ene deel geeft een voorwaarde aan; het tweede deel
geeft een gevolg aan dat afhangt van de voorwaarde in het eerste deel.
Bv:
 Antecedens staat echter niet steeds voor consequens in een voorwaardelijke uitspraak
▪ Als het vriest, dan kan het glad zijn op de weg.
antecedens consequens
▪ Je krijgt korting als je je studentenkaart toont.
consequens antecedens




VERSCHIL REDENERING EN VOORWAARDELIJKE UITSPRAAK

 Voorwaardelijke uitspraak (‘als-dan’): blijft abstract (‘conditioneel verband’)
Vorm:
“Als P, dan Q” maar je weet niet of P effectief waar is
Je mag niet besluiten dat Q echt gebeurt, want P is niet bevestigd
 Is vaak een deel van redenering (waarbij uit voorwaardelijke uitspraak én concrete premisse
conclusie wordt afgeleid
Bv: “Je krijgt toegang als je een ticket hebt”
 Het is onduidelijk of voorwaarde vervuld is → onduidelijk of je ticket hebt
Bv: “Als het regent, worden de straten nat.”
 Het is onduidelijk of voorwaarde vervuld is → misschien regent het nu niet


 Redenering: concrete uitspraak over situatie (‘inferentieel verband’)
 Bevestiging van voorwaardelijke premisse → leidt tot conclusie
Bv: “Je krijgt toegang als je een ticket hebt” (voorwaardelijke premisse)
 “Je hebt een ticket” (concrete/feitelijke premisse)
 Dus: “Je krijgt toegang” (conclusie)
 “Als het regent, worden de straten nat.” (voorwaardelijke premisse)
.

Bv: Het regent” (concrete/feitelijke premisse)
 Dus: “De straten worden nat” (conclusie)
 Bevestiging van voorwaardelijke premisse → leidt tot conclusie




6

, Een redenering:
 bestaat uit premissen
 vaak neemt één premisse de vorm aan van een voorwaardelijke uitspraak
 en concrete/feitelijke premisse die bevestigt dat de voorwaarde vervuld is
 waaruit een conclusie volg



 Propositie:
= kleinst mogelijke stukje uitspraak dat waar of onwaar kan zijn
- premisse
 wanneer premisse is samengesteld, dan meerdere proposities
 “Als het regent, dan wordt de straat nat” (= twee proposities)
 “Het regent” (= één propositie)
- conclusie
 “De straat wordt nat” (= één propositie)

Bv:
premisse 1: Als iemand elke week naar de kerk gaat (= propositie 1), dan is hij christen (=
propositie 2)
premisse 2: Wouter gaat elke week naar de kerk. (= propositie 1)
conclusie: Dus: Wouter is christen (= propositie 2)
 premissen bevatten vaak meerdere proposities



 proposities worden abstract genoteerd:
Bv: “Een hond heeft vier poten”
premisse 1: Als het een hond is (= propositie 1),
dan heeft het vier poten (= propositie 2)
premisse 2: Het heeft vier poten (= propositie 2)
conclusie: Dus: Het is een hond (= propositie 1




REDENERINGEN EN VOORWAARDELIJKE UITSPRAKEN: OOK IN HET RECHT

 Juridische norm: vaak herformuleerbaar als conditioneel verband tussen twee proposities –
rechtsfeit en rechtsgevolg
Bv:
Art. 6.5 BW: “Eenieder is aansprakelijk voor de schade die hij door zijn fout aan een ander
veroorzaakt.”
premisse 1: “Als iemand door zijn fout schade aan een ander veroorzaakt, dan is hij
aansprakelijk.” = voorwaardelijke uitspraak
premisse 1: “Als iemand door zijn fout schade aan een ander veroorzaakt (= propositie 1), dan is
hij aansprakelijk”. (= propositie 2)
premisse 2: “Senne heeft door zijn fout schade veroorzaakt aan Emma.” (= propositie 1)
conclusie: Dus: “Senne is aansprakelijk.” (= propositie 2)




SOORTEN VOORWAARDEN



7

, Redeneringen en voorwaardelijke uitspraken  maken gebruik van verschillende
soorten voorwaarden

1. NOODZAKELIJKE VOORWAARDE: als de niet-vervulling van de voorwaarde ervoor zorgt dat
het gevolg onmogelijk kan intreden
 zonder die voorwaarde kan het gevolg niet optreden
 iets dat moet gelden (voor het resultaat), maar is niet zeker dat je resultaat behaalt
 “als …, dan …”

Bv:
“Om te slagen moet je een examen afleggen.”
“Om te overleven heeft de mens zuurstof nodig.”
“ Een contract is alleen afdwingbaar als beide partijen het hebben aanvaard.”



2. VOLDOENDE VOORWAARDE: als de vervulling van de voorwaarde ervoor zorgt dat het
gevolg zeker intreedt
 als die voorwaarde vervuld is, dan volgt het resultaat zeker
 iets dat genoeg is (voor het resultaat)
 “als …, dan …”
Bv:
“Als iets een kat is, dan is het een zoogdier.”
“Als het geregend heeft, is de straat nat.”
“Als een contractclausule strijdig is met de openbare orde, dan is die clausule niet
afdwingbaar.”

/!\ onderscheid cruciaal voor juridische redeneringen!




NOODZAKELIJKE EN VOLDOENDE VOORWAARDEN: KUNNEN OVERLAPPEN

 N: noodzakelijk (maar niet voldoende) dat je het examen aflegt opdat je slaagt”
 V: voldoende (maar niet noodzakelijk) dat het regent opdat de straat nat is
 V&N: voldoende en noodzakelijk dat je het juiste wachtwoord ingeeft om in te loggen

 Soms moeilijk om voorwaarde te kwalificeren (V, N, (geen van) beide?)
 Interpretatie van zin: rekening houden met achtergrondinformatie en context
 Juridische normen: voldoende of noodzakelijke voorwaarden?
Bv. art. 6.5 BW: “Eenieder is aansprakelijk voor de schade die hij door zijn fout aan een
ander veroorzaakt.”
= “Als je een ander door je fout schade berokkent, dan ben je aansprakelijk.”
.
 Op het eerste gezicht: vaak geformuleerd als voldoende voorwaarde
 Als de voorwaarde vervuld is, dan treedt het gevolg zeker op

 MAAR: juridische normen zijn doorgaans geen absolute regels, maar
weerlegbare regels
 Als de voorwaarde vervuld is, treedt het gevolg in principe in, tenzij er een uitzondering
geldt

Bv. art. 488 oud BW: “De meerderjarigheid is vastgesteld op de volle leeftijd van 18 jaren;
op die leeftijd is men bekwaam tot alle handelingen van het burgerlijk leven.”
= “Als je achttien jaar of ouder bent, dan ben je bekwaam tot alle handelingen van het
burgerlijk leven.”
MAAR: ook een meerderjarige kan door de rechter onbekwaam worden verklaard
(uitzondering), bv. bij dementie.


8

, Voorwaarden lijken noodzakelijk (gelden in normale gevallen), maar kunnen worden
doorbroken door uitzonderingen




9

, NOODZAKELIJKE OF VOLDOENDE VOORWAARDE?
A: “Mijn excuses dat ik te laat ben, mijn wagen is onderweg in panne gevallen.”
B: “Hoe bedoel je? Dat kan toch niet: ik heb de wagen deze ochtend nog volgetankt!”
 ‘Brandstof’ = voorwaarde voor “rijden met wagen”
 In dit geval: als je geen brandstof hebt, dan kan je ook niet met de wagen rijden =
noodzakelijke voorwaarde

 Als noodzakelijke voorwaarde niet is vervuld, kan gevolg niet optreden

 B verwart noodzakelijke voorwaarde met voldoende voorwaarde
 Volgens B: ‘Brandstof’ volstaat voor “met de wagen rijden”
 Als voldoende voorwaarde is vervuld, dan treedt gevolg zeker op

 Geen voldoende voorwaarde: ook andere voorwaarden (wielen, motor…)
 Enkel noodzakelijke voorwaarde: zonder brandstof zal rijden niet lukken




NOODZAKELIJKE EN VOLDOENDE VOORWAARDE
 het gevolg treedt in als en alleen als de voorwaarde vervuld is
 iets dat noodzakelijk is én dat genoeg is (voor het resultaat)
 “als en slechts als …, dan …”

N + V “Als je het juiste wachtwoord ingeeft, dan kan je inloggen.”
N + V “Iemand is vrijgezel als (en slechts als) hij nooit getrouwd is.”
N + V “Iets is persoonsgegeven als (en slechts als) het informatie is over een geïdentificeerde
of identificeerbare natuurlijke persoon.

“Als (en slechts als) iets een kat is, dan is het een zoogdier.” FOUT
“Als (en slechts als) het geregend heeft, is de straat nat.” FOUT
“Als (en slecht als) een contractclausule strijdig is met de openbare FOUT




REDENEREN STAAT OP ZICHZELF; GEEN ACHTERGRONDINFORMATIE OF ONDERBOUWENDE
FEITEN NODIG


 Geldig redeneren: formele activiteit die losstaat van het waarheidsgehalte van de
premissen. Deze zinnen vormen geen probleem:
- Als Johannesburg in China ligt, dan ligt Moskou in Groenland.
- Als Linkeroever door de Kempen wordt veroverd, dan rijden we allemaal met de fiets.
- Wie een bril draagt, komt niet in aanmerking om verkozen te worden.



 Geldigheid van de redenering ≠ geloofwaardigheid van de conclusie




10

Información del documento

Estudio
Subido en
29 de mayo de 2026
Número de páginas
102
Escrito en
2025/2026
Tipo
Resumen
$11.41

¿Documento equivocado? Cámbialo gratis Dentro de los 14 días posteriores a la compra y antes de descargarlo, puedes elegir otro documento. Puedes gastar el importe de nuevo.
Escrito por estudiantes que aprobaron
Inmediatamente disponible después del pago
Leer en línea o como PDF

Seller avatar
immsj
2.0
(1)
Vendido
2
Seguidores
0
Artículos
1
Última venta
4 meses hace

Reseñas de compradores verificados

4 meses hace

This is not a summary, but simply the PowerPoint that was put into a Word document. It may be useful as a support, but it shouldn't be sold as a “complete” summary.




Por qué los estudiantes eligen Stuvia

Creado por compañeros estudiantes, verificado por reseñas

Calidad en la que puedes confiar: escrito por estudiantes que aprobaron y evaluado por otros que han usado estos resúmenes.

¿No estás satisfecho? Elige otro documento

¡No te preocupes! Puedes elegir directamente otro documento que se ajuste mejor a lo que buscas.

Paga como quieras, empieza a estudiar al instante

Sin suscripción, sin compromisos. Paga como estés acostumbrado con tarjeta de crédito y descarga tu documento PDF inmediatamente.

Student with book image

“Comprado, descargado y aprobado. Así de fácil puede ser.”

Alisha Student

Preguntas frecuentes