Celbio deel 5 – genexpressie
Menselijke genoom
Dubbele helix Nucleotide
± 10 basenparen per winding Fosfaat
Antiparallel Desoxyribose (suikermolecule)
Brede & smalle groeve Stikstofbase (A, T, C, G)
Baseparing via H-bruggen Celkern
Adenine (A) ↔ Thymine (T) Commandocentrum v. eukaryote cel
Cytosine (C) ↔ Guanine (G) Bevat grootste deel DNA (mitochondriën)
3,1 miljard basenparen in haploïde genoom Plaats van DNA-replicatie & transcriptie
Omgeven door dubbel membraan
Verbonden met ER
Structuur niveaus
Dubbele helix nucleosomen (DNA rond histonen) chromatine (keten van nucleosomen)
chromosomen (gecondenseerde chromatine)
X-structuur = gereplicereerd chromosoom
Lineaire vorm = niet gekopieerd
Nucleosoom kernpartikel = 8 histonen
Afstand tss nucleosomen is nucleosoom lang
Histon = complex bestaande uit 8 histon-eiwitten (octameer)
Gen = DNA-segment dat info voor productie van eiwit/RNA-molecule bevat
Bevat een ORF, open leesraam
, Promotor = startplaats transcriptie & bindingsplaats polymerase
Exons = coderende delen van gen
Introns = niet coderende delen, tijdens RNA-processing verwijderd
Regulerende elementen (enhancers/silencers) = bepalen wanneer & hoeveel een gen
tot expressie komt
Terminator = specifieke sequentie die einde transcriptie markeren
Poly-A-sequentie = sequentie op einde van mature RNA geplaatst na processing
Geel =
exons
Aanmaak mRNA
Genexpressie:
- Versch. hoeveelheden RNA/eiwit gegenereerd per gen
- Genen kunnen aan & uit gezet worden
- 30-60% wordt geëxprimeerd
- Versch. celtypes zorgen voor expressie versch. genen celfunctie & eigenschappen
- Eiwitcoderende genen & RNA coderende genen
1) House-keeping proteïnen
- RNA-polymerase
- Ribosoomeiwitten
- Enzymen v/d glycolyse
2) Gespecialiseerde celtypes zorgen voor expressie specifieke proteïnen voor celfunctie
- Hemoglobine in RBC
- Insuline in β cellen pancreas
- Antistoffen in immuuncellen
3) Expressie van RNA coderende genen
- tRNA
- mRNA
Menselijk genoom
Als 1 nucleotide = 1mm
genoom = 3200km
Menselijke genoom
Dubbele helix Nucleotide
± 10 basenparen per winding Fosfaat
Antiparallel Desoxyribose (suikermolecule)
Brede & smalle groeve Stikstofbase (A, T, C, G)
Baseparing via H-bruggen Celkern
Adenine (A) ↔ Thymine (T) Commandocentrum v. eukaryote cel
Cytosine (C) ↔ Guanine (G) Bevat grootste deel DNA (mitochondriën)
3,1 miljard basenparen in haploïde genoom Plaats van DNA-replicatie & transcriptie
Omgeven door dubbel membraan
Verbonden met ER
Structuur niveaus
Dubbele helix nucleosomen (DNA rond histonen) chromatine (keten van nucleosomen)
chromosomen (gecondenseerde chromatine)
X-structuur = gereplicereerd chromosoom
Lineaire vorm = niet gekopieerd
Nucleosoom kernpartikel = 8 histonen
Afstand tss nucleosomen is nucleosoom lang
Histon = complex bestaande uit 8 histon-eiwitten (octameer)
Gen = DNA-segment dat info voor productie van eiwit/RNA-molecule bevat
Bevat een ORF, open leesraam
, Promotor = startplaats transcriptie & bindingsplaats polymerase
Exons = coderende delen van gen
Introns = niet coderende delen, tijdens RNA-processing verwijderd
Regulerende elementen (enhancers/silencers) = bepalen wanneer & hoeveel een gen
tot expressie komt
Terminator = specifieke sequentie die einde transcriptie markeren
Poly-A-sequentie = sequentie op einde van mature RNA geplaatst na processing
Geel =
exons
Aanmaak mRNA
Genexpressie:
- Versch. hoeveelheden RNA/eiwit gegenereerd per gen
- Genen kunnen aan & uit gezet worden
- 30-60% wordt geëxprimeerd
- Versch. celtypes zorgen voor expressie versch. genen celfunctie & eigenschappen
- Eiwitcoderende genen & RNA coderende genen
1) House-keeping proteïnen
- RNA-polymerase
- Ribosoomeiwitten
- Enzymen v/d glycolyse
2) Gespecialiseerde celtypes zorgen voor expressie specifieke proteïnen voor celfunctie
- Hemoglobine in RBC
- Insuline in β cellen pancreas
- Antistoffen in immuuncellen
3) Expressie van RNA coderende genen
- tRNA
- mRNA
Menselijk genoom
Als 1 nucleotide = 1mm
genoom = 3200km