CURSUS HEMATOLOGIE
1ste Bachelor Geneeskunde Module Bloed 1
Universiteit Antwerpen
2025– 2026
1
, Hoofdstuk I
De bloedcellen en de organisatie van de hematopoiese
De bloedcellen
- Plasma: vloeistof met bloedcellen
o Eiwitten
▪ Stollingsfactoren: hemostase (plasma)
▪ Immunoglobulinen: humorale afweer (serum)
▪ Complement: lyse van cellen x binding voor immunoglobulinen (serum)
- Serum: na stolling en afcentrifugatie → geen stollingsfactoren meer
- Stollingsfactoren:
o EDTA (ethyleendiamine tetraacetaat): tegen stolling bloedcellen
o Natriumcitraat: tegen plasmastolling
o Hemostase (natuurlijke stolling)
→ gedifferencieerde bloedcellen (zie document)
A. Rode bloedcellen/ ERYTROCYTEN
o O2 en CO2 transport → hemoglobine (rode kleur)
B. Witte bloedcellen/ LEUKOCYTEN
1. Fagocyten → fagocytose (omsluiten en verteren)
- Granulocyten (granules in May-Grünwald-Giemsakleuring)
• Neutrofiele granulocyten
▪ Granules: blauw-roze/blauw-grijs; kern staafvormig of gesegmenteerd (2–5
kwabben) → segmentkernig
▪ Functie: fagocyteren en doden bacteriën → eerste verdedigingslijn van huid en
mucos
▪ Granules = lysosomen (afvalfabrieken):
▪ Primaire granules (vanaf promyelocyt) met o.a. myeloperoxidase.
▪ Secundaire granules (vanaf myelocyt) met o.a. collagenase; vormen
grootste deel in rijpe cel
▪ Meest talrijke leukocyten.
• Eosinofiele granulocyten
▪ Kern met 2–3 kwabben; grote oranjerode granules
▪ Functie: bestrijding van parasieten en bij allergische reacties
2
, • Basofiele granulocyten
▪ Grove, donkerblauwe granules (met heparine en histamine), vaak over de kern
▪ IgE-receptoren; binding → degranulatie en vrijzetting van histamine →
vasodilatatie → meer aanvoer van WBC naar ontstekingsplaats
▪ Functie: bestrijding parasieten, aantrekken van eosinofielen (chemotaxis) en
allergische aandoeningen
- Monocyten
▪ Niervormige kern, blauwgrijs cytoplasma
▪ Bij migratie: macrofagen
▪ Functies:
✓ Fagocytose van micro-organismen en inflammatie geïnduceerd
weefseldébris
✓ Verwijderen oude RBC, micro-organismen, gedenatureerde
plasmaproteïnen
✓ Organisatie immuum stelsel (Presenteren antigenen aan lymfocyten,
scheiden cytokines af die de immuunrespons versterken (o.a. IL-
1 en TNF-α).
▪ Aanleidng tot:
✓ Kupffercellen (lever)
✓ Alveolaire macrofagen (longen)
✓ Osteoclasten (been)
▪ Microgliacellen (macrofagen van de hersenen) werden vroeger als monocyt-
afgeleid beschouwd, maar blijken waarschijnlijk rechtstreeks uit embryonale
stamcellen te ontstaan.
- Dendritische cellen
▪ Afgeleid v monocyten of de myeloide progenitor
▪ Vele, lange uitlopers
▪ Functie (effici¨zenter dan monocyten/macrofagen):
✓ Antigenopname
✓ Vertering
✓ Presentatie van antigenen aan naïeve T-cellen
▪ In perifeer bloed
▪ In organen in interfase met de buitenwereld: huid (Langerhanscellen) en
darmen
▪ Een subset (wss immature dendritische cellen): T-celimmuniteit
onderdrukken → perifere tolerantie bevorderen → voorkomt dat T-cellen
tegen lichaamseigen antigenen reageren
3
, 2. Immunocyten → immunologisch competente cellen, toevoegen specificiteit (=
erkenning van antigenen)
- T-lymfocyten (T-cellen)
▪ Functie: cellulaire immuniteit en regulatie van andere lymfocyten.
▪ Types:
✓ T-helpercellen → sturen immuunrespons.
✓ Cytotoxische T-cellen → doden geïnfecteerde of abnormale cellen.
✓ Regulerende T-cellen (Treg) → onderdrukken T-celrespons.
▪ Herkennen antigenen via T-celreceptor (TCR) op hun membraan
- B-lymfocyten (B-cellen)
▪ Functie: humorale immuniteit → productie van immunoglobulinen
(=antilichamen)
▪ Antigenherkenning en -binding via membraangebonden immunoglobulinen.
▪ Na activatie → differentiatie tot plasmacellen die veel antilichamen
(=immunoglobuline) produceren (vooral in beenmerg en lymfoïde organen).
▪ Structuur antilichaam:
✓ Fab-deel bindt antigeen
✓ Fc-deel bindt aan Fc-receptoren op andere cellen
- Natural killer cellen (NK-cellen)
▪ Grote granulaire lymfocyte-achtige cellen met basofiele korrels
▪ Lyseren cellen zonder specifieke antigeenherkenning of voorafgaande
immunisatie (vooral tumor- en viraal geïnfecteerde cellen)
▪ Kunnen ADCC uitvoeren via immunoglobulinen gebonden aan hun Fc-
receptoren
▪ Activatie/inhibitie:
✓ Activatie via killercel-activerende receptoren (binden o.a. HLA-
verwante liganden en andere ligand-moleculen op doelwitcel)
✓ Remming via KIR-receptoren die binden aan HLA klasse I (bv. HLA-
B, HLA-C) → bescherming normale cellen
✓ ↓ HLA-I op doelwitcel (bij virusinfectie/tumor) → remming verdwijnt
→ cellyse
- Samenwerking tss deze cellen ivm immuniteit + 2 proteïnesystemen
▪ immunoglobulinen: er bestaan Fc-receptoren op granulocyten,
monocyten/macrofagen en natural killer cellen
▪ complement: er bestaan C3b-receptoren op neutrofielen en
monocyten/macrofagen → wanneer C3b bindt dan: snellere fagocytose
4