Escrito por estudiantes que aprobaron Inmediatamente disponible después del pago Leer en línea o como PDF ¿Documento equivocado? Cámbialo gratis 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Vista previa 4 fuera de 68 páginas
Resumen

Samenvatting Psychometrie KU Leuven 2025/26

Document preview thumbnail
Vista previa 4 fuera de 68 páginas

Duidelijke en uitgebreide samenvatting van deel 2 van psychometrie gedoceerd door Rianne Janssen.

Vista previa del contenido

Samenvatting - Les 1: Itemconstructie
Psychometrie en constructie van psychodiagnostische instrumenten - Deel II
Deze samenvatting volgt de structuur van de PowerPoint en verwerkt de voorbeelden, aandachtspunten en
kernvragen uit de les.

0. Context van Deel II
Deel II van het vak gaat over de constructie van psychodiagnostische instrumenten. De opeenvolgende
stappen zijn: itemconstructie, dataverzameling, psychometrische modellering, validiteit en uiteindelijk het
gebruik van tests. Bij psychometrische modellering komen onder andere KTT, factoranalyse en IRT terug.
Les 1 focust op de eerste stap: hoe items worden geconstrueerd, welke antwoordvormen mogelijk zijn, hoe
antwoorden worden gekwantificeerd en hoe je de eerste kwaliteit van items onderzoekt.
Het studiemateriaal bestaat uit hoofdstukken uit Drenth & Sijtsma, bijkomende teksten, PowerPoint-slides,
voorbeeldtoetsen en oefeningen. In de slides worden symbolen gebruikt voor overzicht, samenvatting,
voorbeelden/oefeningen, reflecties en linken met de studietekst.

1. Basisidee: gedrag als functie van persoon en situatie
De les vertrekt vanuit het psychologisch basisidee dat observeerbaar gedrag ontstaat uit de combinatie van
persoon en situatie. In testconstructie betekent dit dat je gedrag probeert uit te lokken via items, om daarna
iets te kunnen zeggen over een niet-rechtstreeks observeerbare psychologische eigenschap.
G = f(P, S)
Hierbij staat G voor gedrag, P voor persoonseigenschappen en S voor situaties. In psychometrie wordt dat
vertaald naar: de respondent krijgt een item of taak, reageert daarop, en de onderzoeker probeert uit die
reactie iets af te leiden over een onderliggende eigenschap.
Element Betekenis in testconstructie Voorbeeld
P Niet-observeerbare psychologische intelligentie, introversie, attitude,
eigenschap van de persoon voorkeur
S Situatie of item dat gedrag uitlokt rekenvraagstuk, stelling, vraag,
praktijkproef
G Observeerbaar gedrag of antwoord juist/fout antwoord, instemming,
keuze, reactie in rollenspel


Bij itemconstructie moet je telkens drie dingen bepalen:
1. de van de respondent gevraagde activiteit: wat moet de respondent doen?
2. de vorm van het antwoord: hoe wordt het antwoord gegeven?
3. de kwantificering van het antwoord: hoe zet je de reactie om in een score?
Daarnaast maakt de les voortdurend het onderscheid tussen tests voor prestatieniveau en tests voor
gedragswijze.
Type test Wat wil je meten? Typisch gedrag/antwoord Voorbeeld
Prestatieniveautest Wat iemand kan of weet; een juist of fout antwoord, intelligentietest, rekentoets,
accuraatheid, snelheid, een prestatie theorie-examen rijbewijs
vaardigheid
Test voor gedragswijze Hoe iemand zich meestal zelfrapportering, voorkeur, persoonlijkheidsvragenlijst,
gedraagt, wat iemand vindt instemming attitudevragenlijst,
of verkiest interessevragenlijst




Samenvatting Les 1 Itemconstructie

,2. Van de respondent gevraagde activiteit
Een item kan verschillende soorten activiteiten vragen van de respondent. De les onderscheidt vooral
theoretische opdrachten, stellingen, vragen, praktijkproeven en enkele bijzondere vormen.
Gevraagde activiteit Past vooral bij Past vooral bij Scoring
prestatieniveau? gedragswijze?
Theoretische opdrachten Ja Nee op juistheid of kwaliteit van
oplossing
Stellingen Nee Ja positie op antwoordschaal
Vragen Nee Ja gekozen standpunt of
antwoordcategorie
Praktijkproeven Ja Ja juistheid, adequaatheid of
interpretatie van
reactiewijze
Andere vormen Afhankelijk van test Afhankelijk van test afhankelijk van
scoringssysteem



2.1 Theoretische opdrachten
Theoretische opdrachten zijn taken waarover de respondent moet nadenken. Ze worden vooral gebruikt in
prestatieniveautests. Voorbeelden zijn een doolhof oplossen, een rekenvraagstuk maken of een theoretisch
verkeersprobleem oplossen. Ze kunnen cognitieve capaciteiten meten, zoals intelligentie, geheugenspan of
ruimtelijk inzicht, maar ook cognitieve vaardigheden, zoals taalvaardigheid, rekenvaardigheid of kennis
voor het theorie-examen rijbewijs.
Het antwoord wordt meestal gescoord op juistheid. De centrale vraag is dus: is het antwoord correct,
gedeeltelijk correct of fout?

2.2 Stellingen
Stellingen worden vooral gebruikt bij tests voor gedragswijze. De respondent krijgt een uitspraak en geeft
aan in welke mate hij of zij akkoord gaat. Voorbeelden zijn antwoordschalen van eens/oneens of
akkoord/niet-akkoord. Hiermee meet je bijvoorbeeld persoonlijkheidstrekken, attitudes of voorkeuren.
Een belangrijk detail is dat de instructie soms luidt: “Denk niet te lang na over uw antwoord.” Dit past bij
het idee dat je spontane zelfrapportering wil, niet lang beredeneerde antwoorden.
De score hangt samen met de positie op de antwoordschaal. Bijvoorbeeld: “volledig oneens” kan score 0
krijgen en “volledig eens” score 4, maar bij spiegelitems moet dat net omgekeerd.

2.3 Vragen
Vragen worden ook vooral gebruikt bij tests voor gedragswijze. Voorbeelden zijn: “Op welke partij zou u
stemmen?” of “Hoe pakt u dit probleem doorgaans aan?” Hiermee meet je opinies, houdingen, voorkeuren
of typische gedragingen. De score hangt af van het gekozen standpunt of de categorie waarin het antwoord
valt.

2.4 Praktijkproeven
Praktijkproeven kunnen zowel prestatieniveau als gedragswijze meten. Voorbeelden zijn een
praktijkexamen, een vliegsimulator, een spelsituatie of een rollenspel. Bij een praktijkproef doet de
respondent iets in een concrete situatie. Dat gedrag verwijst naar wat men wil meten.
De scoring kan verschillende vormen aannemen: juistheid, adequaatheid van de uitvoering of interpretatie
van de reactiewijze. Een praktijkexamen rijbewijs kan bijvoorbeeld gaan over vaardigheid, terwijl een
rollenspel ook iets kan zeggen over communicatie, assertiviteit of sociale omgang.

Samenvatting Les 1 Itemconstructie

,2.5 Andere vormen
Sommige tests vragen een minder klassieke activiteit, zoals het interpreteren van inktvlekken. Daarbij is de
scoring vaak complexer en afhankelijk van een uitgebreid scoringssysteem.

3. Vorm waarin het antwoord wordt gegeven
Na de activiteit moet je bepalen in welke vorm de respondent antwoordt. De les maakt het onderscheid
tussen open en gesloten vraagvormen.
Vraagvorm Betekenis Voorbeeld prestatieniveau Voorbeeld gedragswijze
Open vraagvorm Respondent bepaalt zelf hoe essayvraag, open rollenspel, open beschrijving
hij/zij reageert rekenoplossing van gedrag
Gesloten vraagvorm Respondent kiest uit vooraf meerkeuzevraag antwoordschaal bij stelling
geformuleerde opties



3.1 Open vraagvorm bij prestatieniveautests
Bij open vragen in prestatieniveautests moet de respondent zelf een antwoord formuleren. Dat kan nuttig
zijn wanneer je hogere cognitieve vaardigheden wil meten, zoals begrip, inzicht, evaluatie, creativiteit of
productieve taalvaardigheid. Een essayvraag op een examen is daar een typisch voorbeeld van.
Toch zijn open vragen niet automatisch beter. Er zijn belangrijke aandachtspunten:
 De vraag moet duidelijk geformuleerd zijn.
 Er moet een scoringswijzer zijn die bepaalt hoe antwoorden beoordeeld worden.
 De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid is niet altijd hoog: twee beoordelaars kunnen hetzelfde
antwoord anders beoordelen.
 Open vragen hebben vaak een hogere indruksvaliditeit, omdat ze voor studenten “dieper” of “echter”
lijken, maar dat is niet hetzelfde als empirisch bewezen validiteit.

3.2 Gesloten vraagvorm bij prestatieniveautests
Gesloten vragen bij prestatieniveautests zijn bijvoorbeeld meerkeuzevragen. Ze hebben enkele voordelen:
ze kunnen objectief en snel gescoord worden, je kan meer vragen stellen, en ze kunnen bij goede
itemconstructie ook hogere cognitieve vaardigheden meten. De les benadrukt dat empirisch onderzoek
aantoont dat meerkeuzevragen vaak betere predictoren kunnen zijn dan open vragen, mits ze goed
geconstrueerd zijn.
Nadelen en aandachtspunten zijn:
 Je moet goede vragen en plausibele afleiders bedenken.
 Je moet de moeilijkheidsgraad inschatten en onderzoeken.
 Raden kan een rol spelen.
 Meer afleiders of andere instructies kunnen raden beïnvloeden.
 Een voorbeeld van een andere instructie is: kies 2 uit 6 alternatieven.
 Soms wordt een correctie voor raden overwogen.

3.3 Open vraagvorm bij tests voor gedragswijze
Bij open vragen in tests voor gedragswijze mag de respondent zelf beschrijven hoe hij of zij zich gedraagt.
Dat kan veel informatie opleveren, maar het brengt problemen mee. De respondent kan de vraag anders
interpreteren dan bedoeld of antwoorden op een manier die niet relevant is voor het te meten construct.
Voorbeeld uit de les: op de vraag “Hoe gedraagt u zich in gezelschappen? Bent u veel aan het woord of juist
niet?” kan iemand antwoorden vanuit vergaderingen en zeggen dat opletten belangrijker is dan praten. Dat


Samenvatting Les 1 Itemconstructie

, antwoord is inhoudelijk misschien interessant, maar minder direct bruikbaar als de test introversie wil
meten met de vraag of iemand in gezelschappen veel aan het woord is.
Bij open antwoorden moet de onderzoeker dus veel werk doen:
 antwoorden categoriseren;
 een categorisatiesysteem opstellen;
 interbeoordelaarsovereenstemming nagaan;
 controleren of respondenten de vraag begrijpen;
 nagaan of het antwoord relevant is voor wat gemeten wordt.

3.4 Gesloten vraagvorm bij tests voor gedragswijze
Bij gesloten vragen in tests voor gedragswijze kiest de respondent uit vaste antwoordmogelijkheden,
bijvoorbeeld “niet van toepassing” tot “van toepassing” of “volledig mee oneens” tot “volledig mee eens”. Dit
maakt verwerking snel en objectief. Omdat er meer vragen kunnen worden opgenomen, is het vaak
makkelijker om betrouwbaarheid en inhoudsvaliditeit te verhogen.
Maar ook gesloten vragen moeten duidelijk zijn. Er is een belangrijk dilemma tussen algemene en
specifieke beschrijvingen.
Beschrijving Voordeel Nadeel
Algemeen Brede veralgemening over gedragingen Kan onduidelijk zijn; respondent moet
en situaties zelf interpreteren
Specifiek Meer concrete informatie uit geheugen; Score kan sterk afhangen van de
vaak hogere response-consistentie gekozen concrete situatie;
veralgemeenbaarheid beperkt


Voorbeeld: “In gezelschap ben ik maar weinig aan het woord” is algemener. “Ik geef vaak een feestje op kot”
is veel specifieker. Het specifieke item kan betrouwbaarder beantwoord worden, maar meet misschien
slechts één concrete situatie.

3.5 Toevalsfout bij itemformulering
De les gebruikt het statistische begrip toevalsfout om het probleem van specifieke items uit te leggen. In de
statistiek probeer je bijvoorbeeld een populatiegemiddelde te schatten met een steekproefgemiddelde. Het
steekproefgemiddelde wijkt meestal wat af van het echte populatiegemiddelde.
X=T+E
In de klassieke testtheorie betekent dit: de geobserveerde score X bestaat uit een ware score T plus
toevalsfout E. Bij itemconstructie probeer je een algemene situatie of trek te vatten met specifieke situaties.
Maar elke specifieke situatie wijkt wat af van de algemene situatie. Daardoor bevat elk item toevalsfout.
Daarom is het belangrijk om meerdere items te gebruiken en niet te veel conclusies te trekken uit één
specifiek item.

4. Itemvormen: geprecodeerde items
Geprecodeerde items zijn items waarbij de antwoordmogelijkheden vooraf door de testconstructeur zijn
vastgelegd. De respondent kiest dus uit vaste opties. De les bespreekt geprecodeerde items voor
prestatieniveautests en voor tests voor gedragswijze.

4.1 Geprecodeerde items voor prestatieniveautests
Bij prestatieniveautests zijn er drie belangrijke vormen: kiezen, rangschikken en toeschrijven/matching.




Samenvatting Les 1 Itemconstructie

Información del documento

Estudio
Subido en
24 de mayo de 2026
Número de páginas
68
Escrito en
2025/2026
Tipo
Resumen
$4.20

¿Documento equivocado? Cámbialo gratis Dentro de los 14 días posteriores a la compra y antes de descargarlo, puedes elegir otro documento. Puedes gastar el importe de nuevo.
Escrito por estudiantes que aprobaron
Inmediatamente disponible después del pago
Leer en línea o como PDF

Seller avatar
Los indicadores de reputación están sujetos a la cantidad de artículos vendidos por una tarifa y las reseñas que ha recibido por esos documentos. Hay tres niveles: Bronce, Plata y Oro. Cuanto mayor reputación, más podrás confiar en la calidad del trabajo del vendedor.
AR05
4.5
(4)
Vendido
30
Seguidores
3
Artículos
13
Última venta
2 meses hace



Por qué los estudiantes eligen Stuvia

Creado por compañeros estudiantes, verificado por reseñas

Calidad en la que puedes confiar: escrito por estudiantes que aprobaron y evaluado por otros que han usado estos resúmenes.

¿No estás satisfecho? Elige otro documento

¡No te preocupes! Puedes elegir directamente otro documento que se ajuste mejor a lo que buscas.

Paga como quieras, empieza a estudiar al instante

Sin suscripción, sin compromisos. Paga como estés acostumbrado con tarjeta de crédito y descarga tu documento PDF inmediatamente.

Student with book image

“Comprado, descargado y aprobado. Así de fácil puede ser.”

Alisha Student

Preguntas frecuentes